III.

Het gewone hofleven ging voort; de eerste handkus der keizerin had

plaats. In de salons bij de groote audientiezaal, verlicht, hoewel het

dag was, kwamen de dames binnen, boden zij den opperkamerheer hare

kaarten, teekenden zij hare namen, en zij wachtten tot hare titels door

de ceremoniemeesters afgeroepen werden. Zij stonden gedecolleteerd, de

slepen over den arm; de lange witte sluiers vielen uit de pluimen en

juweelen tiara’s in wazige gaaskreuken neêr. Het was de eerste

vertooning der nieuwe toiletten van het seizoen: de mode, die zich

bezield had en liep en zich bewoog: maar de volle salons schenen

slechts de wachtkamers dier vertooning, en de opgenomen slepen gaven

een indruk van voorbereiding tot het plechtige moment: die seconde van

verschijning vóor Hare Majesteit.

De hertogin van Yemena stond, den sleep ook over den arm, te wachten

met de twee markiezinnen hare stiefdochters, die zij aan de keizerin

zoû voorstellen, toen zij Dutri zag, buigende, zich verontschuldigende,

tusschen de wachtende dames doordraaiende, om zich een weg te banen

door den vollen salon.

—Dutri, wenkte ze, omdat hij haar niet scheen op te merken.

Hij bereikte haar na eenige moeite, boog, maakte zijn compliment aan de

markiezinnetjes. Zij stonden met strakke gezichtjes, angstig ronde

oogen, en gesloten monden, en hare jonge figuurtjes teekenden zich met

eene schuchterheid van nieuwelingen; telkens, gracieus onhandig,

verschikten zij hare zwarte manteaux-de-cour over den arm. Even

glimlachten zij bij de woorden van Dutri: toen keken zij weêr strak,

vergeleken de toiletten van andere dames bij de hare.

—Dutri, fluisterde de hertogin, hoe gaat het met den prins?

—Altijd het zelfde, fluisterde de adjudant terug; vreeslijke

melancholie...

—Dutri, murmelde zij nog zachter; zoû er geen mogelijkheid zijn hem te

zien?

Dutri verschrikte.

—Hoe dat, Alexa? Wanneer?

—Straks, na den Handkus...

—Maar dat is onmogelijk, Alexa! De prins ziet niemand dan Hunne

Majesteiten en de prinses; hij spreekt met niemand, zelfs met zijn

kamerheeren niet, zelfs met òns niet...

—Dutri, drong ze aan, met hare hand op zijn arm. Doe je best. Help me.

Vraag een onderhoud voor me. Als je me helpt... zal ik je ook helpen...

Hij zag haar afwachtend aan.

—Hoe vindt je Hélène? vroeg ze.

—Ik vind Eleonore mooier, glimlachte hij.

—Nu, kom dan meer bij ons, op mijn intime réunies; we zien je ook

nooit. Ik zal den hertog prepareeren...

Zij liet het rijke huwelijk schitteren voor zijne oogen: hij knipte ze,

bleef haar glimlachend aanzien.

—Maar help me dan ook... ging ze voort, met een lichte dreiging.

—Ik zal mijn best doen, Alexa, maar ik kan niets beloven..., had hij

nog juist tijd te antwoorden.

—Wacht me na den Handkus, in de andere salons, fluisterde hij nog,

gaande eenige passen met haar meê.

Den geheelen tijd, plechtig, langzaam, waren de titels afgeroepen,

gingen de dames, lieten zij de slepen vallen, ontloken zij.

—Hare Excellentie, de hertogin van Yemena, gravin van Vaza; Hare

Excellenties, de markiezinnen van Yemena...

De hertogin ging, de meisjes volgden haar, hoogrood met kloppende

harten. Zij gingen door eene galerij, lieten de slepen vallen aan de

deur der audiëntiezaal, voor zij binnen zouden treden, plooiden lakeien

de zware hofmantels uit.

—Hare Excellentie, de hertogin... klonk het ten tweede male, nu door de

audientiezaal heen, met een timbre van meerderen eerbied, omdat de

titels klonken aan de luisterende ooren van ontvangende majesteit.

De hertogin en de markiezinnen traden binnen. Tusschen de wijde

golvingen van donkerblauw fluweel, waarop het kruis van St. Ladislas

wemelde, onder den, door vergulde zuilen geschraagden troonhemel, zat

de keizerin, als een idool, de schaduw uitschitterend in haar waterend

zilverbrokaat, den hermelijnen keizerinnemantel zwaar kreukbrekende

voor hare voeten, een kleinen diadeem flonkerend op het hoofd. Aan de

rechterzijde van den troon zat de prinses Thera op een lagen tabouret;

aan de linkerzijde stond de grootmeesteres, gravin de Threma; er om

heen, aan beide zijden eene foule van dames du palais, grootofficieren,

adjudanten, hofdames, kamerjonkers...

De hertogin neeg hare nijging, naderde den troon, zweemde in grooten

eerbied, als met nauwlijks durvende lippen, de juweelen vingertippen

aan, die de keizerin bood, als een levende reliquie. Toen ging de

hertogin twee passen terug; de markiezinnen, de eene na de andere,

volgden haar voorbeeld, verrasten iedereen door de aanvallige

frischheid harer eerste hofbewegingen, waarin een tikje linkschheid

charme werd. Toen de buigingen, in langzame ceremonie van terugwijken,

achteruit. Door andere deuren verdwenen zij, ze bevonden zich in eene

andere galerij, kwamen in andere salons, waar men op de rijtuigen

wachtte. En de jonge meisjes zagen elkaâr aan, zoekende elkanders

indruk, nog hoogrood van de emotie harer ijdele hartjes en vreemd

verrast door de ongrijpbare kortheid van dit eerste allergewichtigste

moment van hun leven als groote menschen; als dames, die met hare mama

meêgingen naar het Imperiaal, waar zij voortaan hare existenties zouden

ademen. Hoe hadden zij niet maanden van te voren gedacht en gedroomd

aan dit oogenblik; nu, in eens was het voorbij, verrassend vlug...

De hertogin tikte aan Hélène’s kin, schikte even de voile van Eleonore,

zei, dat ze keurig gebogen hadden, dat zij zelve zelfs had opgelet hoe

de gravin de Threma schik in ze gehad had. Zij sprak daarop druk met de

andere dames, stelde de markiezinnetjes voor, beloofde visites. Toen

wendde zij zich tot een lakei.

—Ga, zien, waar mijn rijtuig staat, en laat het uit de file gaan en het

laatst voorkomen. Hier...

Zij gaf een klein goudstuk, de lakei ging. Eene zenuwachtige

gejaagdheid kwam over de hertogin; angstig zag zij naar Dutri uit.

Eindelijk kreeg zij hem in het oog; met zijn fattige drukte kwam hij op

haar af...

—Alexa, onmogelijk...

—Heb je het aan den prins gevraagd?

—Neen, nog niet; ten eerste het is de vraag of hij mij wel zien wil.

Maar dan: hoe breng ik je bij hem; op de portalen loopen altijd lakeien

rond, en staan de gardes en de hellebaardiers; in de antichambres kan

je telkens een kamerheer tegenkomen. Heusch, het is onmogelijk.

Zij werd boos.

—Vraag het hem nu maar eerst. We zullen later wel zien, hoe we bij hem

komen.

Dutri maakte gracieuze bewegingen van wanhoop.

—Maar Alexa, je wilt heusch niet begrijpen, dat... het onmógelijk is...

Zij antwoordde niet, niet willende nadenken, met haar star idee-fixe in

het hoofd om den prins te zien, te willen zien. En in eens, zich

wendende tot hem:

—Goed, als je dan niets voor me over hebt, hoef je niet te denken, dat

ik je in iéts helpen zal.

Luider dan hun eerst gefluisterde woorden, klonk hare nerveus booze

stem, de beide meisjes hoorden haar.

—Alexa, smeekte hij zacht.

—Neen, neen, weerde zij af, kort.

Hij dacht aan zijne schulden en aan Eleonore.

—Ik zal het probeeren, fluisterde hij radeloos.

Zij beloonde hem dadelijk met een glimlach; hij ging, repte zich weêr

heen, als in eeuwige drukte van gewichtigheid, om zijn jongen,

keizerlijken meester, die zoo treurig ziek was. In de antichambre vond

hij den kamerheer van dienst.

—Zoû de prins me willen zien?

De kamerheer haalde de schouders op.

—Ik zal het vragen, sprak hij.

Spoedig kwam hij terug; de prins vergunde Dutri te komen.

Dutri trad binnen. Othomar lag op een divan van tijgervellen voor zijne

schrijftafel. Hij was vermagerd; hol stonden zijne oogen, zijn tint was

mat: tenger slank stak zijn hals uit den lossen omgeslagen kraag van

het zijden hemd, waarover hij een fluweelen buis droeg. Hij had een

boek in de hand, opengeslagen. Djalo, de colley, lag op den grond.

Dutri, als goed prater, begon met vlugge zinnen, die elkaâr op de

hielen zaten, zijn verzoek voor te dragen...

—De hertogin? herhaalde Othomar mat. Neen, neen...

Dutri praatte door, werd weemoedig, gebruikte woorden van zachte,

insinueerende treurigheid. Over Othomars gelaat trok eene uitdrukking

op, die daar vreemd was en nieuw, den laatsten tijd: het was of de

weemoed van zijn gelaat zich verhardde in eene strakke koppigheid; eene

stilzwijgende onverzettelijkheid.

—Neen, sprak hij nogmaals, en onverzettelijk koppig ook klonk zijne

stem; excuzeer me bij hare Excellentie, Dutri. En waar... waar zoû ze

me willen zien?

—Ik bracht die moeilijkheid ook onder de oogen van hare Excellentie,

maar misschien als Uwe Hoogheid zoo genadig was... zoû men toch...

Othomar sloot de oogen en wierp het hoofd achterover; zijne hand viel

slap op den kop van den colley. Hij antwoordde niet meer, en zijne

lippen waren vast op elkaâr geklemd.

Dutri aarzelde nog: wat kon hij doen, wat zoû hij Alexa zeggen...

Maar de deur ging open; de keizerin kwam binnen. De Handkus was

geëindigd; den mantel en de kroon had zij afgelegd, maar zij droeg nog

het stijfzware toilet van zilverbroché. Koud zag ze Dutri aan en boog

even het hoofd, dat hij gaan zoû; de adjudant maakte zich verward uit

de voeten, zonder zijn gewonen tact.

Othomar was half opgerezen.

—Mama!...

Zij zette zich bij hem, streek met de hand over zijn hoofd.

—Hoe gaat het?

Hij glimlachte, knipte met de oogen zònder te antwoorden.

—Wat deed Dutri hier?

—Hij vroeg me... och mama, laat dat, vraag er niet naar...

—Wat is u mooi! Mag ik u ook mijn Handkus geven?

Aanhalig, schertsend nam hij hare hand en kuste ze. Zij nam hem het

boek uit de vingers, las den majesteitschennenden titel.

—Lees je weêr, Othomar... Je weet, je mag zooveel niet lezen. En waarom

al die vreemde boeken...?

Op tafel lagen Lasalle, Marx, werken van Russische nihillisten, een

brochure van Bakounine, brochures van Zanti... Het werkje, dat hij las,

was van een bekenden Liparischen anarchist, getiteld: “Het onrecht bij

de gratie Gods”; het wierp alles omver: het geloof en den staat; het

richtte zich rechtstreeks tot de gekroonde machthebbende dwingelanden;

rechtstreeks sprak het Oscar aan.

—Is het om beter te worden, dat je zulke dingen leest, Othomar? vroeg

ze met een smartelijk verwijt.

—Mama, ik moet toch zien wat ze willen...

—En wat willen ze?

Hij zag peinzend voor zich.

—Ik weet niet wat ze willen, ik begrijp ze niet. Ze zeggen heele lange

zinnen, en altijd weêr de zelfde, met altijd weêr de zelfde woorden. Ik

begrijp alleen dat ze, alles wat bestaat afkeuren en iets anders

willen. Maar soms toch...!

—Wat soms?

—Soms zeggen ze vreeselijke dingen, vreeslijk omdat ze wáarheid

schijnen, mama. Als ze over God spreken, mama, en bewijzen, dat hij

niet bestaat, als ze onze geheele staatsinrichting een onding vinden,

alle gezag verwerpen, het onze ook... Ze spreken soms als kinderen, die

in éens zouden kunnen praten en oordeelen, en dan spreken ze soms in

eens klaar en dan komen er heele primitieve gedachten bij me op: als

God bestaat, waarom onrecht en ellende en ons gezag, om welk recht? O

God, mama, welk recht hebben wij te heerschen over anderen, over

millioenen?! Zeg het me, maar redeneer van het begin, redeneer niet van

achteren af; begin niet bij ons, begin bij onze éerste heerschers, onze

geweldenaren; welk recht hadden zij, en vloeit het onze alleen voort

uit het hunne? O, die raadsels, die eenvoudige raadsels, wie lost ze

op, mijn God, wie lost ze op...

Elizabeth was bleek geworden: ze zag hem aan of hij krankzinnig ware

geworden.

—Wie geeft je die boeken? vroeg ze hard, heesch, angstig.

—Dutri, Leonie; Andro heeft er mij ook gehaald.

—Ze zijn gek! riep de keizerin uit, opstaande. Waarom vraag je ze?

—Ik wil weten, mama...

—Othomar, riep ze. Wil je doen wat ik vraag?

—Ja mama, antwoordde hij zacht; maar ga weêr zitten, en... en wees niet

boos. En... en zeg niet Othomar. En... en ga u verkleeden, o, ik kan u

niet zien in dit toilet: u is zoo ver van me af; uw stem klinkt niet

tot me toe, en ik durf u niet omhelzen, u is mijn moeder niet; u is de

keizerin. Mama, o mama...

Zijne stem riep om haar. Eene machtige aandoening werd in haar wakker.

—O mijn jongen! riep ze uit; een halve snik brak in hare keel.

—Ja, ja, noem me zoo... Mama, laat ons elkaâr weêr gauw terugvinden,

laten wij elkaâr niet verliezen. Wat is uw verzoek?

—Geef mij al die boeken.

—Ik zal ze u geven; ze maken me toch niet gelukkiger!

—Maar waarom ben je ongelukkig, mijn jongen, mijn jongen!

—Mama, kijk de wereld, kijk ons land, zie ze lijden, zie ze verdrukt

worden! Wat zal ik ooit voor ze kunnen doen! Machteloos zal ik altijd

zijn, niettegenstaande àl onze macht. O, het wordt zoo donker voor me,

ik zie niets meer, ik heb geen hoop, alleen utopisten hopen nog, maar

ik... ik hoop niet meer, want ik kan niets, ik kan niets...! O God,

mama, het heele land valt op me neêr en het verplettert me: en ik kan

niets, ik kan niets, ik kan niets... Ik zal moeten regeeren; ik zal het

niet kunnen, mama. Wat ben ik? Een arme zieke jongen: hoe kan ik keizer

worden? Ik weet niet waarom het is, mama en hoe het komt, maar ik voel

me niet als een aanstaande keizer, ik voel me als een zwak kind! Ik

voel me als uw kind, als uw jongen, en niets meer...

Hij scheen zich te willen werpen in hare armen, maar wierp zich

integendeel achteruit, alsof hij schrikte van haar schitterend toilet;

mat knakte zijn hoofd hem op de borst, vielen zijne armen slap. Zij zag

zijne beweging; haar eerste gevoel was spijt in haar hoftoilet bij hem

te zijn gekomen, verlangend als zij was geweest hem te zien en zich

niet gunnende den tijd zich te verkleeden. Maar deze spijt ging als

eene vluchtige emotie door haar heen, want het duizelde haar hevig na,

alsof een afgrond aan hare voeten gapend openging, of de aarde week, en

het zwarte niets zich uitbreidde. Een wanhoop van volslagen

machteloosheid verdronk hare ziel. Vaag strekte zij de armen uit en

sloeg ze als tastende om zijn hals, met dwalende oogen.

—Mijn jongen, spreek zoo niet meer, want... als je zoo spreekt, ontneem

je mij ook mijn kracht! fluisterde zij bang. Want wat is er aan te

doen: je moet, wij moeten allemaal...

—Vergeef me, mama, maar ik, ik zal niet kunnen. O, ik zie het nu helder

in. Ik ben niet opgewonden, ik ben kalm. Ik zie het: ik voorspel u, dat

het nooit gaan zal...

—Maar papa is nog zoo jong en zoo sterk, mijn jongen; en als je ouder

wordt...

—Hoe ouder ik word, hoe minder het zal gaan, mama. Ik ben er altijd als

kind bang voor geweest, maar ik heb het nog nóoit zoo wanhopig ingezien

als nu. Neen, mama, het zal niet gaan. Ik heb, nu ik ziek ben, allen

tijd over om er over na te denken en ik zie nu het slot van al onze

moeite voor me...

Wanhopig tuurden zijne oogen op den grond; zij, radeloos, hing nog half

aan hem; eene dreigende huivering scheen door de kamer te ademen.

—Mama...

Zij antwoordde niet.

—Ik moet u mijn besluit meêdeelen...

—Welk besluit...

—Wil u het aan papa zeggen?

—Wat, wat, Othomar, mijn jongen?

—Dat ik niet trouwen kan... met Valérie, omdat...

—Later, later, je hòeft niet nu te trouwen...

—Neen, mama, het kan nóoit, omdat ik...

Zij zag hem smeekend aan, vragend.

—Omdat ik afstand wil doen... van mijn rechten... ten behoeve van

Berengar...

Zij antwoordde niet; slap zakte ze tegen hem aan, niet wetende hoe te

troosten en op te beuren en zacht klagend begon ze te snikken. Het was

of hare ziel, langzaam, maar aanhoudend, tot ze overvloeide, vol smart

gegoten werd. Zij verweet zichzelve alles. Hij was haar kind: zij had

den aanstaanden keizer van Liparië deze zwakte ingeboren. En de

openbaring van dit smartelijk mysterie der herediteit voor hare

radelooze oogen, ontnam haar al hare kracht, al haren moed, al hare

macht van berusting.

—Mama... herhaalde hij.

Zij snikte door.

—Wees niet zoo wanhopig... Berengar zal beter zijn dan ik... U zal het

aan papa zeggen, niet waar... Of neen, laat het, als het u zooveel

kost: ik zal het zelf doen...

Zij schrikte zenuwachtig uit hare radeloosheid op.

—O God, neen; Othomar, neen, spreek er hem niet over, hij is zoo

driftig; hij zoû je... hij zoû je vermoorden! Beloof me, dat je er hem

niet over spreken zal! Ik zal het doen, o mijn God, ik zal het doen...

Maar eene resurrectie trilde in haar op.

—Maar, Othomar, ik bid je, waarom moet het? Je bent nu ziek, maar je

zal beter worden en dan... dan zal je anders denken!?

Hij tuurde voor zich uit; zijn voorgevoel doorsidderde hem: hij zag

zijn droom weêr; de straten van Lipara, die zich vulden met krip, tot

aan den hemel, waar zij het zonlicht floersden. En over zijn gelaat

kwam weêr de nieuwe trek van verharding, van onverzettelijke

koppigheid, die haar hem niet herkennen deed; hij schudde het hoofd

langzaam heen en weêr, heen en weêr.

—Neen, mama, ik zal nooit anders denken. Geloof me, het zal zoo beter

zijn.

Toen zij hem zoo zag, stortte hare nieuwe hoop weêr in en zij snikte

weêr. Snikkend stond zij op; in haar verdriet groef zich eene leêgte;

zij verloor iets: haar zoon.

—Gaat u weg? vroeg hij.

Zij knikte van ja, snikkend.

—Vergeeft u me?

Zij knikte nog eens van ja. Toen lachte zij hem even toe, een lach vol

wanhoop, de kracht missende hem te kussen, en zij ging, steeds

snikkende.

Hij bleef alleen, en stond op. Midden in de kamer bleef Othomar staan;

strak zagen zijne oogen op den colley.

—Waarom moet ik haar verdriet doen! dacht hij.

Alles in zijne ziel deed hem pijn.

—Waarom ben ik met Herman op reis gegaan? vroeg hij zich weêr af. In

die eerste dagen van rust ben ik zoo gaan denken. En professor Barzia

zegt toch: rust... Wat weet hij van me af? Wat weet de eene mensch van

den andere af...

—Djalo! riep hij.

De colley kwam, schuddende, aan, blij.

—Djalo, wat is goed, hoe moet de wereld zijn? Moeten er koningen en

keizers zijn, Djalo,... of moeten we maar allemaal weggaan?

De hond zag hem aan, heftig kwispelstaartend; in eens sprong hij op,

likte hem in het gezicht.

—En waarom, Djalo, moet de eene mensch den andere altijd verdriet doen?

Waarom moeten vorsten hun volk verdriet doen? Blijft het leven dan

altijd het zelfde, eeuwen door...!

Othomar was op den divan in-een gezakt; zijne hand viel over den hond

neêr, die haar hartstochtelijk likte.

—O! snikte hij. Mijn volk, mijn volk...!

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Op het voorplein van het Imperiaal reden op dit oogenblik de laatste

rijtuigen weg; de kijkende menigte, achter de grenadiers, zag

nieuwsgierig naar het even schitterende der mooie dames door de glazen

der equipages heen. Die van de hertogin van Yemena was het allerlaatst.

Majesteit · 第 39 / 52 题