Ducardi, Dutri, Leonie en Thesbia waren te Altseeborgen aangekomen; zij
zouden Othomar vergezellen op zijn officieele reis door Europa. Het was
een der laatste dagen, dat Othomar met Herman samen wandelde, des
morgens, naar het bosch.
De zon scheen, het bosch was geurig, de voet gleed uit over de gladde
naalden. De prinsen lieten zich op den grond neêr, bij een groote plas
water; om hen heen verrezen de rechte dennestammen met hunne knoestige
pieken van zijtakken; de lucht week, met blauwe plekken, tusschen het
uitstekende naaldenloover, weg naar de ruimte.
Herman leunde tegen een stam aan; Othomar strekte zich uit op den rug,
de handen onder het hoofd.
—Het is nu gauw uit, zeide hij zacht.
Herman antwoordde niet, maar streek met zijne hand de naalden
werktuigelijk bij elkaâr. En ook Othomar sprak niet meer; hij dronk
zijn laatste oogenblik van ontspannen rust als met voorzichtige teugen
in: iedere teug was een wellust, die nooit terug zoû komen.
In het bosch was het doodstil, als was de aarde onbewoond; de weemoed
van wat eindigt hing tusschen de boomen.
In eens nam Othomar Hermans hand en drukte die.
—Ik dank je, zei hij.
—Waarvoor? vroeg Herman.
—Voor het genot, dat wij samen hebben gehad. Mama had gelijk: ik kende
je niet, Herman...
—Maar ik jou ook niet, beste jongen.
—Het zijn mooie dagen geweest. Hoe heerlijk hebben we samen gereisd,
als twee touristen. Hoe heerlijk grootsch was Voor-Indië, niet waar, en
Japan, hoe curieus. Ik hoû anders niet van jagen, maar met jou begreep
ik het en voelde ik de emotie er van: ik zal onze tijgerjacht nooit
vergeten! Die oogen van dat beest, het gevaar in het gezicht: dat
sterkt. In zoo een oogenblik voel je je primitief worden als de eerste
mensch. Zoo een tijger kijkt een boel geweifel uit je weg. Dat is een
ander gevaar, dan waar mama altijd bang voor is; o dat enerveert zoo,
dat eet al je energie op... En de nachten op den Indischen Oceaan, op
onzen Viking. Die kolossale ruime cirkel om je heen, al die sterren
boven je! Wat hebben we dikwijls zitten kijken, met onze beenen op de
verschansing... Het is misschien niet goed lang zoo te droomen, maar
het rust zoo uit, het rust zoo uit. Ik zal het nooit vergeten, nooit...
—Nu maar, kerel, we zullen het nog wel eens over doen.
—Neen, je doet iets nooit over. Wat gedaan is, is gedaan. Niets komt
terug, geen oogenblik. Het is later altijd wat anders...
Hij zag even om zich heen, alsof er iets beluisteren kon, fluisterde
toen:
—Herman, ik moet je iets zeggen.
—Wat dan?
—Iets toevertrouwen. Maar zeg eerst: toen met dien tijger, toen vond je
me niet laf, niet waar?
—Neen, zeker niet!
—Nu, ik ben het toch, laf. Ik ben bang, altijd bang. Ze weten het niet,
de dokters, omdat ik het hun nooit zeg. Maar ik ben het altijd...
—Maar waarvoor dan toch, kerel?
—Voor iets in mezelven. Zie je, Herman, ik ben zoo bang... dat ik het
niet vol zal kunnen houden. Dat ik op een oogenblik te zwak zal zijn.
Dat ik het in éens niet meer zal kunnen doen, en dan, dan...
Hij huiverde; zij zagen elkaâr aan.
—Het is niet goed, vervolgde hij werktuigelijk, als gesterkt door
Hermans blik. Ik zal er tegen strijden, tegen dien angst... Geloof je
aan voorgevoelens?
—Ja, aan het omgekeerde van ze: de mijne komen altijd omgekeerd uit!
—Ik hoop dan, dat het mijne ook niet zal uitkomen.
—Maar wat is het?
—Dat er binnen het jaar... iemand van ons... dood zal zijn... te
Lipara.
Herman bleef hem star aanzien. Trotsch zijne flinkheid en zijne fyzieke
kracht van spieren, school er in hem eene lichte overerving van het
bijgeloof, dat in de zee aanruischt als met stemmen van verre profetie;
bijgeloof, gewiegeld door de mooie legenden van hunne Gothlandsche zee,
die als eene sirene vreemde sprookjes zingt van mystiek. Hij wist het
misschien zelve niet, dat er hem iets van vloeide door zijn rijk bloed,
vóor hij het voelde op dit oogenblik, en hij wilde het weg uit zich
schudden, als nonsens.
—Maar Othomar, wees toch verstandig!
—Ik kan er niets tegen doen, Herman; ik denk er niet over, maar het
zijn heele kleine prikjes, als gedachten, die plotseling opkomen. En
verleden... o verleden, toen was het meer; toen werd het een droom, een
nachtmerrie. Ik liep door de winkelstraten van Lipara en uit alle
winkels kwamen zwarte menschen, en die maten hoopen zwart krip uit, met
meters, en zóoveel, dat de straten zich er mee vulden en dat het krip
als met wolken in de stad lag, en als een hoop van floers boven de stad
steeg. Het werd er donker om; de zon scheen er niet meer door heen, en
over alles lag de schaduw. De menschen schenen mij niet te herkennen,
en toen ik vroeg, waarvoor al dat krip was, fluisterden ze aan mijn
ooren: stil, stil, het is... voor het Imperiaal!... O, Herman, toen
werd ik wakker, en ik was nat van zweet en het was of ik het nog altijd
hoorde naklinken: voor het Imperiaal, het is voor het Imperiaal!
Herman was opgestaan, hij werd een beetje zenuwachtig.
—Kom, zei hij, willen we gaan?... Droomen, hecht toch niet aan droomen,
Othomar!
Othomar stond ook op.
—Neen, ik moest ook niet aan ze hechten, herhaalde hij vreemd; ik heb
het vroeger ook nooit gedaan.
—Othomar... begon Herman, beslist, als wilde hij spreken.
—Zeg even niets tegen me; laat me een oogenblik stil! viel hij in de
rede, snel, angstig.
Zij liepen door het bosch, zwijgend. Othomar zag vreemd om zich heen,
over den grond. Herman sloot de lippen dicht op elkaâr, en fronste zijn
voorhoofd: hij was boos. Maar hij sprak niet. Na enkele minuten werden
Othomars vreemde blikken kalmer; ze stilden zich tot hunne gewone,
zachte melancholie.
Toen zuchtte hij licht, als weêr komende op adem.
—Wees niet boos, sprak hij, zijn arm stekend onder dien van Herman.
Zijne stem had weêr den gewonen klank.
—Het zal misschien goed zijn, dat ik je dat gezegd heb: nu zal het
misschien uit me weggaan. Wees dus niet boos, Herman... Ik beloof het
je, voortaan zal ik niet meer zoo spreken en ook mijn best doen niet
meer zoo te denken. Maar wat me hindert, moet ik zeggen. En dat is toch
ook veel beter, dan het eeuwig te verzwijgen! Zie je, ik zal gauw ook
geen tijd meer hebben aan zulke dingen te denken—morgenavond zijn wij
te Kopenhagen, en dan neemt het leven weêr zijn gewonen loop. Hoe heb
ik toch zoo vreemd gesproken, hoe ben ik er op gekomen? Ik weet het
zelf niet meer... Het lijkt me nu zelf heel dwaas.
Hij lachte even en toen, ernstig:
—Ik ben toch blij, dat we alleen gesproken hebben, dat ik je heb kunnen
danken. Niet waar, we zijn nu vrienden?
—Ja, we zijn vrienden, antwoordde Herman lachend, úit zijne boosheid;
maar ik zal jou toch nooit heelemaal kennen!
—Zeg dat nu niet alleen om een enkel voorgevoelen, dat ik zelf dwaas
vind. Wat is er anders voor raadselachtigs in me...!
Herman zag hem aan.
—Neen, anders ook niet! gaf hij toe. Je bent een goede jongen. Ik weet
niet, hoe het gekomen is, maar ik hoû veel van je...
Zij gingen het bosch uit; de zee lag voor hen. Als het leven zelve, lag
ze voor hen, met het mysterie harer diepte, waarin eene veelvuldige
ziel scheen te bewegen en golf te ronden na golf. Onnoembaar en
ontelbaar waren hare wisselingen van kleur: hare stemmingen van
onophoudelijke beweging, en hoog spuwde zij op de kammen harer
woestheid een schuim van passie uit. Maar die passie was hare
oppervlakkigste openbaring: al het overvloedige van hare eindelooze
vitaliteit: uit hare diepte ruischte, in de onnazingbare melodieën
harer millioenen stemmen, de mystiek op van hare ziel, als het geheim,
dat de hemel alleen wist, bóven haar.