VII.

Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke

Hoogheid Othomar, Hertog van Xara,

te

Osborne House Wight. Lipara, Imperiaal. Sept. 18..

Dierbare Zoon.

Wij ontvingen met veel genoegen Uw brief, die ons meldde de hartelijke

ontvangst, die U eerst te Kopenhagen ten deel viel en nu in Engeland.

Wij moeten U echter onze bevreemding doen opmerken omtrent hetgeen

Tante Olga ons schreef, en ons leed betuigen, dat Gij U niet naar ons

verlangen gedragen hebt; dit zelfde leed betuigen, door middel van

brieven aan ons, de Keizer van Oostenrijk en de Aartshertog Albrecht.

Wij hebben ons zeker in ons schrijven aan Tante Olga niet dringend

genoeg uitgelaten: in het andere geval zouden wij ons niet kunnen

voorstellen, dat zij er niet meer bij U op zoû hebben aangedrongen, aan

de Aartshertogin Valérie een onderhoud te verzoeken en haar te spreken

over de gewichtige zaak, die ons allen op dit oogenblik zoo zeer ter

harte gaat. Gij hadt dan reeds aan de hoven, die Gij nu bezoekt, Uwe

verloving sous-cachet kunnen mededeelen, en zij zoû aan het einde van

Uwe reis te Sigismundingen gevierd hebben kunnen worden. Terwijl Gij U

nu zeker bij onze Vrienden, Hunne Majesteiten van Denemarken en van

Engeland, in een scheeve positie plaatst, daar er immers in alle

nieuwsbladen over eene mogelijke verloving met de Aartshertogin Valérie

gesproken wordt en de pers zoo goedgunstig is het voor en tegen van

deze verbintenis reeds met luider stemme te bespreken. Uwe reis had

echter toch in alle geval plaats moeten hebben, daar ze al zoo lang

geleden was aangekondigd—Uwe ziekte kwam daar tusschen beiden,—en daar

ze dus niet meer is dan eene beleefdheid jegens onze Vrienden.

Nog eens, dat Gij U hierin niet naar ons verlangen gedragen hebt, doet

ons veel verdriet. Wij zien er in zekere neiging tot een burgerlijke

overgevoeligheid, Othomar, die wij hopen, dat Gij zult leeren

beheerschen met al de kracht, die in U is. Een verdriet, als prins Von

Lohe-Obkowitz Uwe aanstaande bruid heeft aangedaan, heeft ons allen wel

eens in ons leven getroffen, en kan zeker een korten tijd groote smart

veroorzaken, maar het blijft geheel en al een personeel en

ondergeschikt gevoelen, en het mag zich in het minst niet dringen vóor

zaken van zulk groot staatsbelang als het huwelijk van een aanstaanden

Keizer van Liparië. De Aartshertogin Valérie zal dit zeker ook zoo

leeren beschouwen, als zij ouder is, en wij hopen, dat zij reeds

spoedig zal inzien, dat hare genegenheid voor de prins Lohe nooit haar

geluk had kunnen zijn, daar ze haar in disharmonie had gebracht met

Zijne Majesteit, haar Oom, en met alle hare verwanten.

Beheersch U, Othomar; wij vragen U dit dringend. Gij hebt somtijds

ideeën en maakt U voorstellingen, die niet van een vorst zijn. Wij

hebben dit reeds meermalen opgemerkt onder anderen, toen Gij, in Vaza,

Zanti bezocht hebt. Wij hebben U dit niet willen verwijten, omdat wij

overigens zeer tevreden over U geweest zijn. Uw liefste wensch zal

zeker zijn, dat wij dit altijd zullen blijven.

Wij hopen U dus over drie weken terug te zien te Sigismundingen, waar

de Aartshertogin Valérie dan van Altseeborgen teruggekeerd zal zijn, om

met U samen te treffen, en waar wij ook den Keizer van Oostenrijk

ontmoeten zullen.

Wij hopen van harte, dat de lange reis met Herman U veel goed zal

gedaan hebben, en dat Uw huwelijk zoo spoedig mogelijk te Altara zal

kunnen plaats grijpen. Dit blijde vooruitzicht is ons eene aangename

afleiding voor de beslommeringen omtrent de Legerwet, die in het Huis

der Standen zoo halsstarrige tegenkanting vindt, maar die wij toch

hopen te zullen doordrijven, daar ons Leger noodzakelijke vermeerdering

vereischt.

Wij omhelzen U van harte.

Oscar.

Majesteit · 第 35 / 52 题