V.

De jonge aartshertogin verscheen niet aan het lunch; zij sliep. Even

voor het diner,—het regende en de koningin dronk in den hall thee, met

de prinsessen, de tantes, de kinderen,—verscheen zij. Zij zag wat

bleek; haar gezicht was een weinig uitgetrokken; hare oogen vreemd

groot, brandend. Zij droeg een eenvoudig zomertoilet van zacht lila

soupele stof, met een paar witte linten om den leest gestrikt; de kleur

stond haar goed bij het vreemde haar, dat nu eens bruin was en dan weêr

rossiger scheen. De koningin strekte de hand naar Valérie uit; ze

schudde het hoofd en zei:

—Ondeugend kind! Wat heb je ons bang gemaakt.

Valérie kuste het voorhoofd der koningin.

—Vergeef me, tante. De wind was zoo sterk, ik kon er bijna niet tegen

op. Ik had niet moeten gaan. Maar ik had, ik had behoefte... aan

beweging.

De koningin zag haar angstig aan.

—Hoe voel je je?

—O, goed tante. Wat stijf; een beetje hoofdpijn ook. Het is niets. Mijn

handen alleen hebben een paar groote blâren, ziet u eens...

En ze lachte.

De oude dames vroegen uitvoerig naar het gebeurde: het was heel

moeielijk ze het aan haar verstand te brengen. Wanda zette zich

tusschen haarbeiden, deed haar het verhaal; de fijne kakatoe-profielen

bogen telkens ontzet op en neêr naar Wanda toe. De tantes legden de

hand op het hart en zagen Valérie in verschrikking aan; vriendelijk

glimlachte zij ze toe. Toen de gravin Von Altenburg verscheen, namen de

tantes de oude grootmeesteres tusschen haar in en deden, op hare beurt,

het verhaal, krijschende aan de arme ooren der gravin. Koning Siegfried

kwam binnen; hij ging naar Valérie toe, die opstond, nam haar het hoofd

tusschen de handen, zag haar aan en schudde zijn grijzen kop; toch

glimlachte hij. Toen zag hij naar zijne zusters; hij amuzeerde zich

altijd om ze; ze waren nog midden in haar verhaal tegen de gravin,

namen elkaâr telkens het woord uit den mond:

—Nu, zoo verschrikkelijk was het niet! viel de koning ze in de rede;

zoo te roeien is wel eens prettig en een goed middel tegen migraine. Je

moest het ook eens doen, Elsa, als je migraine hebt.

De oude prinses zag hem zoetsappig glimlachend aan: ze wist nooit of

haar broêr zoo iets meende of niet. Ze schudde haar deftig hoofd

langzaam heen en weêr:

—Neen, lieber Siegfried, dat kunnen wij niet meer doen. Unsere liebe

Erzherzogin is nog een jong ding...!

Othomar, Gunther en Herman kwamen binnen; ze hadden gebiljart; de

jongere prinsen volgden hen. Valérie sidderde even, stond op en ging

naar Othomar.

—Ik dank je, Xara, sprak ze. Duizend-, duizendmaal!

—Maar waarom, Valérie! antwoordde Othomar eenvoudig. Ik heb niets

gedaan dan je een eind teruggeroeid. Er was geen gevaar. Want, als je

zoo moê was geweest, dat je niet meer hadt gekund, hadt je immers in

zee kunnen springen en kunnen zwemmen naar land. Je bent een goede

zwemster. Je hadt alleen de boot er aan geofferd.

Zij zag hem aan.

—Het is zoo, zei ze. Maar ik dacht daar niet aan. Ik was misschien...

verbijsterd. Ik zoû het niet gedaan hebben; ik had een idee-fixe om

terug te roeien. Als ik niet meer had kunnen roeien, was ik zeker...

Weiger mijn dank niet, ik verzoek het je: neem hem aan.

Zij stak hare hand uit, hij drukte ze. Met verwondering zag hij stil

tot haar op, en begreep haar niet. Hij dacht niet anders dan dat zij

dien morgen het kasteel verlaten had met een plan van zelfmoord. Had

zij op het water berouw gevoeld of niet gedurfd; had zij willen

doorleven en was zij teruggekeerd? Was zij zoo oppervlakkig, dat zij

het groote leed, dat haar gisteren avond verpletterd had, nu reeds te

boven was? Voelde zij, dat het leven over alles wat van ons is, geluk

of smart, heenradert met zijn onverschillige jubelkarren en dat het

maar het beste is om niets te geven en te voelen, ook niets? Wat van

dit alles was er in haar? Hij kon het niet doorgronden. En opnieuw zag

hij zich weer vreemd staan voor de vraag van de liefde. Wat was dit

gevoel waard, zoo het zóó weinig maar woog in een vrouweziel? Wat woog

het bij hemzelven voor Alexa? Wat was het dan... of was het dan nog

iets... anders?

Aan het diner praatte Valérie als gewoonlijk en hij bleef haar niet

begrijpen. Het ergerde hem, zijn gebrek aan doorzicht in menschehart:

hoe kon hij het ontwikkelen? Een aanstaande vorst moest toch met éen

enkelen blik kunnen zien... En in eens, misschien alleen òm zijn wensch

naar menschekennis, kwam het in hem op, dat ze zich verborg, dat ze

misschien nog zeer leed, maar zich voordeed, zich ophield; ze was

immers een vorstenkind: zij leerden dat allen, vorstenkinderen, zich

ophouden, zich voordoen! Het zat hun in het bloed. Schuin zag hij haar

aan, waar hij naast haar zat; kalm praatte zij over hem heen met de

koningin. Hij wist niet of hij goed geraden had en hij weifelde nog

tusschen die twee: houdt ze zich op, of is ze oppervlakkig? Maar toch

was hij gelukkig omtrent haar te kunnen weifelen en dat eerste

vermoeden van oppervlakkigheid te ontzenuwen door zijne tweede

gedachte. Hij was hier gelukkig om, niet geheel en al om Valérie

alleen, dat zij beter zoû zijn, dan hij eerst meende; hij was er vooral

gelukkig om, om den algemeenen regel, waartoe hij er om besloot: dat

een mensch meestal beter is, dieper denkt, edeler voelt dan hij

schijnen laat in de iederen-daagsche banaliteit van het leven, die hem

dwingt zich te bemoeien met nietsjes en woorden, ieder oogenblik. Een

teêr gevoel van vreugde kwam over hem, dat hij dit zoo had bedacht. Een

rust, dat hij iets mooi in het leven geraden had: een mooi geheim.

Iedereen wist het misschien, maar niemand liet het blijken. O ja, de

menschen waren goed; de wereld was goed, in hare essence. Een vreemd

mysterie alleen dwong anders te schijnen, een vreemde dwang der

wereldorde. Hij zag om zich heen over de lange tafel. Alle gezichten

hadden vriendelijkheid en sympathie over zich. Hij hield van zijn oom,

den koning; zoo kalm, zacht, flink, met het schijnbaar stug

stilzwijgende van zijn Noordsch karakter, met zijn rustigen glimlach en

nu en dan een kleine vonk van scherts, tegen de oude tantes vooral,

maar ook tegen de kinderen en zelfs tegen de adjudanten, de hofdames.

Hij wist, dat zijn oom een denker was, een wijsgeer; hij zoû gaarne

eens lang met hem hebben willen spreken over punten van filozofie. Ook

van zijne tante hield hij: een flinke vorstin; hoeveel deed zij niet

voor haar land, hoeveel liefdadige instellingen riep ze niet op; een

flinke moeder, hoe verstandig kwijtte zij zich niet van hare moeilijke

taak; vorstenkinderen op te voeden. Zij was in haar land meer bemind

dan zijne moeder, die hij toch aanbad, in het hare; zij had meer tact,

minder angst, minder hoogheid ook tegen de menigte. Het had misschien

omgekeerd moeten zijn: zij koningin hier, hare zuster keizerin

daarginds...

En de kroonprins met zijne eenvoudige mannelijkheid; Herman met zijne

joligheid; de jongere broêrs met hunne stevige jongensblague; hoeveel

hield hij niet van ze! Sofie, Wanda, de kinderen, hoeveel hield hij

niet van ze! De tantes, de oude, zich wijdende grootmeesteres, hij vond

ze zelfs sympathiek. O de wereld was goed, de menschen waren goed! En

Valérie was niet onverschillig, maar leed in stille stilte, zooals een

vorstenkind lijden moet, met kalme oogen en een glimlach!

Toen het diner gedaan was, nam koningin Olga Othomars arm.

—Kom even meê, sprak ze.

De regen had opgehouden, een lakei opende de boogdeuren. Er was daar

het lange achterterras, achter de eetzaal; het zag uit op het bosch. De

koningin had haren arm onder dien van Othomar gestoken, en begon met

hem op en neêr te wandelen.

—En je gaat ons dus verlaten? vroeg ze.

Hij zag haar glimlachend aan.

—U weet het, tante: met veel spijt. Ik zal nog dikwijls heimwee naar

Altseeborgen hebben, naar u allen. Ik voel mij zoo geheel thuis in uw

kring. Maar ik verlang toch ook Mama terug te zien; het is nu bijna

vier maanden geleden, dat ik haar zag.

—En voel je je beter?

—Hoe zoû het anders kunnen, tante. De reis met Herman had me al

opgesterkt, en het leven hier bij u is een heerlijke nakuur geweest.

Een heerlijke vacantie.

—Maar nu zal het uit zijn met die vacantie: zal je nu weêr kunnen

handelen?

Hij glimlachte met een kalme berusting in zijne melancholieke oogen.

—Zeker tante, het mag niet altijd vacantie blijven. Me dunkt, ik heb

het er van genomen; zes weken niets gedaan dan liggen in het zand, of

in het bosch, of op die heel gemakkelijke rieten bank van Herman.

—Heb je niets meer gedaan? vroeg zij schalk.

—Wat meent u?

—Niet het leven gered... van Valérie?

Hij maakte een kleine beweging van zacht ongeduld.

—Maar tante, heusch niet. De couranten zullen dat nu wel gaan

vertellen, maar het is heusch geen redding geweest. Valérie kan immers

zwemmen en ze was vlak bij het land.

—Ik heb een brief van papa, Othomar.

—Van papa?

—Ja... Heb je nooit gedacht aan... Valérie?

Hij bedacht zich even.

—Misschien, lachte hij.

—Voel je geen genegenheid voor haar?

—Zeker tante... Ik dacht, dat papa liever de grootvorstin Xenia wilde?

De koningin haalde hare schouders op.

—De godsdienstkwestie, niet waar? Papa heeft toch ook gaarne een

Oostenrijksche verbintenis. Hoe denk je de reis te nemen? En wanneer ga

je?

—Ducardi en de anderen komen nog deze week hier. Aan het einde van de

week. Eerst Kopenhagen, Londen, Brussel, Berlijn en dan naar Weenen.

—En naar Sigismundingen.

—Ja, naar Sigismundingen, als papa wil.

—Maar wat wil jij, Othomar?

Hij zag haar zacht aan, glimlachend, haalde de schouders op.

—Maar tante, wat heb ik te willen?

—Zoû je van Valérie kunnen houden?

—Ik geloof het wel, tante: ik geloof, dat ze heel lief is en heel

flink.

—Ja, dat is ze zeker, Othomar. Zoû je niet, voor je wegging, dan met

haar praten?

—Tante...

—Waarom niet?

—Tante, dàt kan ik niet doen. Ik blijf nog maar enkele dagen hier,

en...

—En?

—Valérie heeft een groot verdriet gehad. Het kan niet anders of zij

moet er nu nog zeer onder lijden. Bedenk, tante, het was gisteren. Mijn

God, gisteren...! En vandaag was ze zoo kalm, zoo eenvoudig... Maar het

kan niet anders, niet waar, of ze lijdt nog heel erg. Zij is van morgen

met dat weêr op zee gegaan... we weten niets, niet waar, tante, maar we

denken allen het zelfde! Misschien vergissen we ons, eenvoudig weg. De

dingen, die schijnen, zijn dikwijls anders. Maar hoe het ook zij,

verdriet heeft ze zeker. Ik kan haar dat dus niet vragen, nu...

—Het is jammer; jullie zijn nu samen. Dikwijls wordt zoo iets beslist

uit de verte. Je zoû, als het hier in orde kwam, de reis misschien niet

hoeven te maken.

—Tante, papa stond toch op die reis...

—Dat is zoo; omdat nog niets beslist was.

—Neen, tante, laat mij die reis doen. Want in orde komen, hier, dat kan

het toch niet. Als papa het me zelve vroeg zoû ik zeggen... dat het

niet kan.

—Papa vraagt het je, Othomar, in dien brief aan mij.

Hij greep hare handen.

—Tante, schrijf u het dan terug, aan papa, dat het niet kan, nu. O,

onmogelijk, onmogelijk. Laat ons haar sparen, tante. Als ze mijn vrouw

wordt, wordt ze het toch, terwijl ze een ander liefheeft. Is dat al

niet vreeslijk genoeg voor haar, als het later beslist wordt, na

maanden? Laat ons haar daarom nu dus sparen. U voelt dat toch ook als

vrouw, niet waar? Er zijn geen staatszaken, waarom mijn huwelijk zoo

dringend zoû moeten worden gesloten.

—Toch wil papa, dat je zoo gauw mogelijk trouwt, Othomar. Hij wenscht

een kleinzoon...

Hij antwoordde niet: een lijden trok over zijn gelaat. De koningin zag

het.

—Maar je hebt gelijk, antwoordde zij, hem toegevend. Het zoû te wreed

zijn. Valérie houdt zich anders goed. Zoo moet een aanstaande keizerin

van Liparië zijn...

Hij antwoordde nog niet, liep stil naast haar; nog steeds lag hare hand

op zijn arm; zij voelde dien trillen.

—Kom, zij ze zacht; laat ons naar binnen gaan; zoo een wandeling op en

neêr maakt nog moê ook...

Majesteit · 第 33 / 52 题