De jonge aartshertogin verscheen niet aan het lunch; zij sliep. Even
voor het diner,—het regende en de koningin dronk in den hall thee, met
de prinsessen, de tantes, de kinderen,—verscheen zij. Zij zag wat
bleek; haar gezicht was een weinig uitgetrokken; hare oogen vreemd
groot, brandend. Zij droeg een eenvoudig zomertoilet van zacht lila
soupele stof, met een paar witte linten om den leest gestrikt; de kleur
stond haar goed bij het vreemde haar, dat nu eens bruin was en dan weêr
rossiger scheen. De koningin strekte de hand naar Valérie uit; ze
schudde het hoofd en zei:
—Ondeugend kind! Wat heb je ons bang gemaakt.
Valérie kuste het voorhoofd der koningin.
—Vergeef me, tante. De wind was zoo sterk, ik kon er bijna niet tegen
op. Ik had niet moeten gaan. Maar ik had, ik had behoefte... aan
beweging.
De koningin zag haar angstig aan.
—Hoe voel je je?
—O, goed tante. Wat stijf; een beetje hoofdpijn ook. Het is niets. Mijn
handen alleen hebben een paar groote blâren, ziet u eens...
En ze lachte.
De oude dames vroegen uitvoerig naar het gebeurde: het was heel
moeielijk ze het aan haar verstand te brengen. Wanda zette zich
tusschen haarbeiden, deed haar het verhaal; de fijne kakatoe-profielen
bogen telkens ontzet op en neêr naar Wanda toe. De tantes legden de
hand op het hart en zagen Valérie in verschrikking aan; vriendelijk
glimlachte zij ze toe. Toen de gravin Von Altenburg verscheen, namen de
tantes de oude grootmeesteres tusschen haar in en deden, op hare beurt,
het verhaal, krijschende aan de arme ooren der gravin. Koning Siegfried
kwam binnen; hij ging naar Valérie toe, die opstond, nam haar het hoofd
tusschen de handen, zag haar aan en schudde zijn grijzen kop; toch
glimlachte hij. Toen zag hij naar zijne zusters; hij amuzeerde zich
altijd om ze; ze waren nog midden in haar verhaal tegen de gravin,
namen elkaâr telkens het woord uit den mond:
—Nu, zoo verschrikkelijk was het niet! viel de koning ze in de rede;
zoo te roeien is wel eens prettig en een goed middel tegen migraine. Je
moest het ook eens doen, Elsa, als je migraine hebt.
De oude prinses zag hem zoetsappig glimlachend aan: ze wist nooit of
haar broêr zoo iets meende of niet. Ze schudde haar deftig hoofd
langzaam heen en weêr:
—Neen, lieber Siegfried, dat kunnen wij niet meer doen. Unsere liebe
Erzherzogin is nog een jong ding...!
Othomar, Gunther en Herman kwamen binnen; ze hadden gebiljart; de
jongere prinsen volgden hen. Valérie sidderde even, stond op en ging
naar Othomar.
—Ik dank je, Xara, sprak ze. Duizend-, duizendmaal!
—Maar waarom, Valérie! antwoordde Othomar eenvoudig. Ik heb niets
gedaan dan je een eind teruggeroeid. Er was geen gevaar. Want, als je
zoo moê was geweest, dat je niet meer hadt gekund, hadt je immers in
zee kunnen springen en kunnen zwemmen naar land. Je bent een goede
zwemster. Je hadt alleen de boot er aan geofferd.
Zij zag hem aan.
—Het is zoo, zei ze. Maar ik dacht daar niet aan. Ik was misschien...
verbijsterd. Ik zoû het niet gedaan hebben; ik had een idee-fixe om
terug te roeien. Als ik niet meer had kunnen roeien, was ik zeker...
Weiger mijn dank niet, ik verzoek het je: neem hem aan.
Zij stak hare hand uit, hij drukte ze. Met verwondering zag hij stil
tot haar op, en begreep haar niet. Hij dacht niet anders dan dat zij
dien morgen het kasteel verlaten had met een plan van zelfmoord. Had
zij op het water berouw gevoeld of niet gedurfd; had zij willen
doorleven en was zij teruggekeerd? Was zij zoo oppervlakkig, dat zij
het groote leed, dat haar gisteren avond verpletterd had, nu reeds te
boven was? Voelde zij, dat het leven over alles wat van ons is, geluk
of smart, heenradert met zijn onverschillige jubelkarren en dat het
maar het beste is om niets te geven en te voelen, ook niets? Wat van
dit alles was er in haar? Hij kon het niet doorgronden. En opnieuw zag
hij zich weer vreemd staan voor de vraag van de liefde. Wat was dit
gevoel waard, zoo het zóó weinig maar woog in een vrouweziel? Wat woog
het bij hemzelven voor Alexa? Wat was het dan... of was het dan nog
iets... anders?
Aan het diner praatte Valérie als gewoonlijk en hij bleef haar niet
begrijpen. Het ergerde hem, zijn gebrek aan doorzicht in menschehart:
hoe kon hij het ontwikkelen? Een aanstaande vorst moest toch met éen
enkelen blik kunnen zien... En in eens, misschien alleen òm zijn wensch
naar menschekennis, kwam het in hem op, dat ze zich verborg, dat ze
misschien nog zeer leed, maar zich voordeed, zich ophield; ze was
immers een vorstenkind: zij leerden dat allen, vorstenkinderen, zich
ophouden, zich voordoen! Het zat hun in het bloed. Schuin zag hij haar
aan, waar hij naast haar zat; kalm praatte zij over hem heen met de
koningin. Hij wist niet of hij goed geraden had en hij weifelde nog
tusschen die twee: houdt ze zich op, of is ze oppervlakkig? Maar toch
was hij gelukkig omtrent haar te kunnen weifelen en dat eerste
vermoeden van oppervlakkigheid te ontzenuwen door zijne tweede
gedachte. Hij was hier gelukkig om, niet geheel en al om Valérie
alleen, dat zij beter zoû zijn, dan hij eerst meende; hij was er vooral
gelukkig om, om den algemeenen regel, waartoe hij er om besloot: dat
een mensch meestal beter is, dieper denkt, edeler voelt dan hij
schijnen laat in de iederen-daagsche banaliteit van het leven, die hem
dwingt zich te bemoeien met nietsjes en woorden, ieder oogenblik. Een
teêr gevoel van vreugde kwam over hem, dat hij dit zoo had bedacht. Een
rust, dat hij iets mooi in het leven geraden had: een mooi geheim.
Iedereen wist het misschien, maar niemand liet het blijken. O ja, de
menschen waren goed; de wereld was goed, in hare essence. Een vreemd
mysterie alleen dwong anders te schijnen, een vreemde dwang der
wereldorde. Hij zag om zich heen over de lange tafel. Alle gezichten
hadden vriendelijkheid en sympathie over zich. Hij hield van zijn oom,
den koning; zoo kalm, zacht, flink, met het schijnbaar stug
stilzwijgende van zijn Noordsch karakter, met zijn rustigen glimlach en
nu en dan een kleine vonk van scherts, tegen de oude tantes vooral,
maar ook tegen de kinderen en zelfs tegen de adjudanten, de hofdames.
Hij wist, dat zijn oom een denker was, een wijsgeer; hij zoû gaarne
eens lang met hem hebben willen spreken over punten van filozofie. Ook
van zijne tante hield hij: een flinke vorstin; hoeveel deed zij niet
voor haar land, hoeveel liefdadige instellingen riep ze niet op; een
flinke moeder, hoe verstandig kwijtte zij zich niet van hare moeilijke
taak; vorstenkinderen op te voeden. Zij was in haar land meer bemind
dan zijne moeder, die hij toch aanbad, in het hare; zij had meer tact,
minder angst, minder hoogheid ook tegen de menigte. Het had misschien
omgekeerd moeten zijn: zij koningin hier, hare zuster keizerin
daarginds...
En de kroonprins met zijne eenvoudige mannelijkheid; Herman met zijne
joligheid; de jongere broêrs met hunne stevige jongensblague; hoeveel
hield hij niet van ze! Sofie, Wanda, de kinderen, hoeveel hield hij
niet van ze! De tantes, de oude, zich wijdende grootmeesteres, hij vond
ze zelfs sympathiek. O de wereld was goed, de menschen waren goed! En
Valérie was niet onverschillig, maar leed in stille stilte, zooals een
vorstenkind lijden moet, met kalme oogen en een glimlach!
Toen het diner gedaan was, nam koningin Olga Othomars arm.
—Kom even meê, sprak ze.
De regen had opgehouden, een lakei opende de boogdeuren. Er was daar
het lange achterterras, achter de eetzaal; het zag uit op het bosch. De
koningin had haren arm onder dien van Othomar gestoken, en begon met
hem op en neêr te wandelen.
—En je gaat ons dus verlaten? vroeg ze.
Hij zag haar glimlachend aan.
—U weet het, tante: met veel spijt. Ik zal nog dikwijls heimwee naar
Altseeborgen hebben, naar u allen. Ik voel mij zoo geheel thuis in uw
kring. Maar ik verlang toch ook Mama terug te zien; het is nu bijna
vier maanden geleden, dat ik haar zag.
—En voel je je beter?
—Hoe zoû het anders kunnen, tante. De reis met Herman had me al
opgesterkt, en het leven hier bij u is een heerlijke nakuur geweest.
Een heerlijke vacantie.
—Maar nu zal het uit zijn met die vacantie: zal je nu weêr kunnen
handelen?
Hij glimlachte met een kalme berusting in zijne melancholieke oogen.
—Zeker tante, het mag niet altijd vacantie blijven. Me dunkt, ik heb
het er van genomen; zes weken niets gedaan dan liggen in het zand, of
in het bosch, of op die heel gemakkelijke rieten bank van Herman.
—Heb je niets meer gedaan? vroeg zij schalk.
—Wat meent u?
—Niet het leven gered... van Valérie?
Hij maakte een kleine beweging van zacht ongeduld.
—Maar tante, heusch niet. De couranten zullen dat nu wel gaan
vertellen, maar het is heusch geen redding geweest. Valérie kan immers
zwemmen en ze was vlak bij het land.
—Ik heb een brief van papa, Othomar.
—Van papa?
—Ja... Heb je nooit gedacht aan... Valérie?
Hij bedacht zich even.
—Misschien, lachte hij.
—Voel je geen genegenheid voor haar?
—Zeker tante... Ik dacht, dat papa liever de grootvorstin Xenia wilde?
De koningin haalde hare schouders op.
—De godsdienstkwestie, niet waar? Papa heeft toch ook gaarne een
Oostenrijksche verbintenis. Hoe denk je de reis te nemen? En wanneer ga
je?
—Ducardi en de anderen komen nog deze week hier. Aan het einde van de
week. Eerst Kopenhagen, Londen, Brussel, Berlijn en dan naar Weenen.
—En naar Sigismundingen.
—Ja, naar Sigismundingen, als papa wil.
—Maar wat wil jij, Othomar?
Hij zag haar zacht aan, glimlachend, haalde de schouders op.
—Maar tante, wat heb ik te willen?
—Zoû je van Valérie kunnen houden?
—Ik geloof het wel, tante: ik geloof, dat ze heel lief is en heel
flink.
—Ja, dat is ze zeker, Othomar. Zoû je niet, voor je wegging, dan met
haar praten?
—Tante...
—Waarom niet?
—Tante, dàt kan ik niet doen. Ik blijf nog maar enkele dagen hier,
en...
—En?
—Valérie heeft een groot verdriet gehad. Het kan niet anders of zij
moet er nu nog zeer onder lijden. Bedenk, tante, het was gisteren. Mijn
God, gisteren...! En vandaag was ze zoo kalm, zoo eenvoudig... Maar het
kan niet anders, niet waar, of ze lijdt nog heel erg. Zij is van morgen
met dat weêr op zee gegaan... we weten niets, niet waar, tante, maar we
denken allen het zelfde! Misschien vergissen we ons, eenvoudig weg. De
dingen, die schijnen, zijn dikwijls anders. Maar hoe het ook zij,
verdriet heeft ze zeker. Ik kan haar dat dus niet vragen, nu...
—Het is jammer; jullie zijn nu samen. Dikwijls wordt zoo iets beslist
uit de verte. Je zoû, als het hier in orde kwam, de reis misschien niet
hoeven te maken.
—Tante, papa stond toch op die reis...
—Dat is zoo; omdat nog niets beslist was.
—Neen, tante, laat mij die reis doen. Want in orde komen, hier, dat kan
het toch niet. Als papa het me zelve vroeg zoû ik zeggen... dat het
niet kan.
—Papa vraagt het je, Othomar, in dien brief aan mij.
Hij greep hare handen.
—Tante, schrijf u het dan terug, aan papa, dat het niet kan, nu. O,
onmogelijk, onmogelijk. Laat ons haar sparen, tante. Als ze mijn vrouw
wordt, wordt ze het toch, terwijl ze een ander liefheeft. Is dat al
niet vreeslijk genoeg voor haar, als het later beslist wordt, na
maanden? Laat ons haar daarom nu dus sparen. U voelt dat toch ook als
vrouw, niet waar? Er zijn geen staatszaken, waarom mijn huwelijk zoo
dringend zoû moeten worden gesloten.
—Toch wil papa, dat je zoo gauw mogelijk trouwt, Othomar. Hij wenscht
een kleinzoon...
Hij antwoordde niet: een lijden trok over zijn gelaat. De koningin zag
het.
—Maar je hebt gelijk, antwoordde zij, hem toegevend. Het zoû te wreed
zijn. Valérie houdt zich anders goed. Zoo moet een aanstaande keizerin
van Liparië zijn...
Hij antwoordde nog niet, liep stil naast haar; nog steeds lag hare hand
op zijn arm; zij voelde dien trillen.
—Kom, zij ze zacht; laat ons naar binnen gaan; zoo een wandeling op en
neêr maakt nog moê ook...