IV.

Het was den volgenden morgen nog heel vroeg, half zes, toen de

aartshertogin Valérie de terrassen van Altseeborgen afging. Zij had de

kamenier alleen gezegd, dat zij vóor het eerste ontbijt, dat

gezamenlijk gebruikt werd, terug zoû zijn. Beslist als met eene

impulzie, ging zij het eene terras na het andere af. Zij ontmoette

niemand dan een paar bedienden en schildwachten. Het onderste terras

liep zij naar zee om; daar was een kleine vierkante haven in het

graniet uitgehouwen, waar, in een bootenhuis, de roei- en zeilbooten

gemeerd lagen. Zij koos zich een lange, smalle giek, en haakte die van

de ijzeren ketting los. Met handigheid zette zij zich en greep zij de

riemen: enkele korte slagen brachten haar het haventje uit, en in zee.

Over de zee woei een Zuidwestenwind. De zee was vreemd grijs, als

spiegelde ze in haar ovaal de onzekere lucht boven zich af: een

dofblanke lucht, waarin vuile rafels hingen van, uit elkaâr gewaaide,

wolken. De horizont was niet zichtbaar; er dreven lichte nevels, die er

de afscheiding tusschen zee en lucht uitdoezelden met smoezelige tint.

Sterk woei de wind aan.

Valérie had den kleinen matrozenhoed afgezet en heure haren warrelden

om haar gezicht. Zij had naar het visschersdorp heen willen roeien,

maar ze voelde aanstonds, dat het boven hare krachten ging op te werken

tegen den wind. Zij liet zich dus gaan met den wind meê. Een oogenblik

dacht zij aan het weêr, de lucht, den wind; toen wierp zij die gedachte

van zich. Stevig bewoog zij de riemen.

Hoewel de zee betrekkelijk kalm was, wipte het bootje telkens over den

gladden rug van een golf heen en daalde dan weêr. Schuimspatten vlogen

op. Toen Valérie na korten tijd omzag, verschrikte zij een weinig,

omdat Altseeborgen zich zoo ver van haar terugtrok. Zij aarzelde nog

eens, maar liet zich weêr gaan...

Toen zij het kasteel verlaten had, was geene gedachte in haar geweest;

alleen eene impulzie om te handelen. Nu, onder de handeling zelve, rees

de gedachte bij haar op, als werd die door den wind uit eene lethargie

gewekt. Valérie’s oogen staarden brandend groot, zonder tranen, voor

zich uit.

Het was waar, reëel. Dit was het wiel, dat telkens terugdraaide in hare

gedachte. Het was waar, reëel. In de couranten—de zelfde, die Herman

urenlang doorbladerd had—stond het: Sofie had het haar gezegd; zijn

eigen brief meldde het haar.

Zij had dien brief niet meer, hij was verscheurd. Maar ieder woord

brandmerkte nog haar verbeelden.

Het was zijn brief geweest; zijn eigene woorden waren het geweest, zijn

stijl. Hoe had ze met woorden van hem gedweept, eens. Maar deze, waren

het wel de zijne? Schreef hij zoo? Kon zij zich voorstellen, dat hij

ooit zóó tot haar spreken zoû:

Hij zoû haar niet ongelukkig willen maken door haar lief te hebben

tegen den wil harer ouders, harer keizerlijke familie. Het was immers

waar, dat hij niet haar evenboortige was. Zijn huis was van ouden adel,

maar meer niet. Zij was van keizerlijken en koninklijken bloede. Hij

was haar dankbaar, dat zij tot hem neêr had gebogen en hem tot haar had

willen heffen. Maar het was niet goed dit te doen. De tradities der

menschen moesten onschendbaar zijn: het was, vooral voor hen, grooten

der aarde, niet goed tegen traditie te doen. Zij moesten dankbaar zijn

voor de liefde, die hunne zielen had gelukkig gemaakt, maar meer

mochten zij niet verlangen. Te Weenen wilde men niet, dat zij elkander

lief hadden. Zoû hij haar ooit geheel gelukkig kunnen maken—zoû zij,

zoo ze huwden en zich met hunne liefde terugtrokken in het buitenland,

nooit terug verlangen en heimwee voelen naar den splendeur, waaruit hij

haar tot zich had neêrgehaald? Want, zóo zij huwden, zoû hij nog minder

hare gelijke zijn, dan hij nu reeds was, door de ongenade van zijn

keizer. Neen, neen, het mocht niet. Zij moesten scheiden. Zij waren

niet voor elkaâr geboren. Een kort oogenblik hadden zij de heerlijke

illuzie gebeeld, dat zij wél voor elkaâr geboren waren; dat was alles.

Voor die herinnering zoû hij dankbaar blijven, zijn leven lang.

Met een brekend hart nam hij afscheid van haar, vaarwel, vaarwel. Het

was gedaan, zijn hooge carrière, zijn leven, zijn alles. Hij vroeg haar

om vergeving. Hij wist, dat hij te zwak was, om haar lief te hebben

tegen den wil van zijn vorst in. En hij vroeg haar vergeving daarvoor.

Zij zoû den naam van eene vrouw hooren, samen met de zijnen; ook hier

vroeg hij vergeving voor. Hij had die vrouw niet lief, maar zij wilde

hem troosten in zijne smart...

De wind, strafweg, was feller opgestoken, met een zwaren gelijken

blaasadem. De lucht stond donker. Woester rolden de golven op het

bootje aan en wipten het op hunne ruggen als van gladde waterbeesten.

Het schuim had Valérie nat gemaakt. Zij zag om. Altseeborgen lag zeer

ver, nauwelijks zichtbaar; de vlag zag zij nog teekenen in de lucht,

als een lintje.

—Ik ben gek, dacht ze. Waar ga ik naar toe...? Ik moet terug...

Maar het was moeilijk de boot te keeren! Telkens sloeg de wind haar

weêr af en dreef haar verder. Een wanhoop kwam over Valérie’s lichaam

en ziel, moreele en fyzieke wanhoop.

—Nu, laat dan maar, dacht ze.

Ze liet de riemen los, dreef verder, weg, weg. Waarom ook niet? Waarom

zoû ze zich niet laten wegdrijven? Zonder hem, zonder hem... kon ze

niet leven! Haar geluk was gebroken; wat was het leven, zonder geluk?

Want zij wilde geluk, het was haar broodnoodig...

Ze was half ingezonken in de boot. De riemen klapperden tegen de wanden

aan. Een golf kletste over haar heen. Hare oogen staarden brandend voor

zich uit, in het verre.

Een tweede golf kletste, hare voeten waren doornat. Zij richtte zich

langzaam op, zag naar de booze zee, naar de donkere lucht. Toen greep

zij de riemen weêr, met een zucht van smart.

—Kom aan! dacht ze.

Hooger rees en lager daalde ze. Maar met een dolle poging deed zij de

boot wenden...

—Het moet! knarste zij tusschen de tanden.

Zij hield de smalle boot tegen den wind in en begon te roeien. Het

moest. Haar voorhoofd fronste zich, hare kakebeenen knarsten, hare

tanden schrijnden over elkaâr. Zij voelde hare spieren rekken. En ze

roeide door, tegen den wind op. Met haar heele lichaam schokte zij op

tegen den straffen adem. Het moest. Het zoû. En zij wende zich aan hare

krachtsinspanning; werktuigelijk roeide zij door. Zóó wende zij aan ze,

dat ze begon te snikken, terwijl ze roeide...

O God, hoe lief had ze hem gehad, met heel hare ziel! Waaròm, wist ze

het? O, zoo hij maar wat sterker ware geweest, zij zoû het wel geweest

zijn! Wat deed hun de ongenade van haar oom, den keizer, zoo ze elkaâr

liefhadden? Wat de woede van hare ouders, zoo ze elkaâr liefhadden? Wat

kon hun Europa schelen, zoo ze elkaâr liefhadden! Niets, alles niets...

Zoo hij hun geluk maar had durven grijpen, toen het voor hen fladderde,

zooals het maar ééns voor eene ziel uitfladdert! Maar hij had niet

gedurfd, hij voelde zich te zwak dien greep te wagen, hij bekende het

haar zelve... En nu... was het gedaan, gedaan, gedaan...

Al snikkende roeide zij door. Hare armen schenen te zwellen, te

springen uit elkaâr. Enkele dikke druppels van regen vielen neer.

Waarom eigenlijk roeide zij door? De zee was de dood, verlossing van

het leven, vergetelheid, blussching van schroeiende pijn. Waarom roeide

ze dan door?

—O God! ik weet het niet! antwoordde zij zichzelve hardop; maar het

moet! Het moet!...

En met de schokken van haar sterk vorstinnelijf werkte zij zich terug,

naar het leven...

Maar op Altseeborgen was men in groote onrust. Het was drie uur

geleden, dat Valérie gegaan was. De kamenier wist niet anders te

zeggen, dan dat Hare Hoogheid verzekerd had voor het ontbijt terug te

zullen zijn. De schildwachten hadden haar de terrassen zien afgaan,

maar verder geen acht geslagen welken kant Hare Hoogheid was uitgegaan.

Zij meenden naar het bosch, maar wisten niet zeker...

Iedere minuut steeg de angst; geen vermoeden werd uitgesproken, maar

men las het elkander in de oogen. Koning Siegfried beval zelve stil te

gaan zoeken, om geen opzien te baren bij de hofhouding en het volk van

het dorp. Van verdwalen kon geen sprake zijn: het dennenbosch was niet

groot en Valérie kende Altseeborgen goed. Trouwens, er was niets dan

het bosch en het strand en het dorp.

De koning en de kroonprins gingen zelve het bosch in met een adjudant.

Herman en zijn jongere broêr Olaf gingen het dorp in links; Othomar en

Christofel langs de zee, rechts. De koningin bleef met de prinsessen in

hartkloppende onzekerheid achter. Hoe men ook had pogen zich goed te

houden en te ontbijten, iets van een gerucht waarde reeds door het

kasteel heen.

Othomar was met Christofel langs het klippige strand gegaan; de regen

begon te druppelen, dik hard.

—Wat zoeken we hier eigenlijk! zei Othomar radeloos.

—Ze zal zich misschien in zee hebben gegooid! antwoordde de jonge prins

en, voor het eerst van zijn leven, was hij bang voor de diepte, die de

dood was. Zonder te weten gingen zij door, door...

—Laat ons terugkeeren, sprak Othomar.

Zij gingen echter nog eenigen tijd voort; ze konden niet opgeven...

Daar klonk een kreet over het water; zij schrikten op, maar zagen eerst

niets.

—Hoorde je? vroeg Christofel bleek, die aan spooklegenden van de zee

dacht.

—Een zeemeeuw zeker! zei Othomar, maar luisterde toch. De kreet klonk

weêr.

—Daar, zie je niets! wees Christofel.

Hij wees een lange vlak, die deinde over het water aan.

Othomar schudde van neen.

—Neen, dat kan niet! zei hij; dat is een visschersjongen.

—Wel neen, het is een giek! riep Christofel.

Zij zeiden niets meer, liepen op een draf door. De vlak werd

duidelijker: een giek, de kreet klonk, doordringend.

—Mijn God, Valérie! schreeuwde Othomar.

Zij schreeuwde eenige woorden terug; hij verstond maar ten deele. Zij

roeide niet ver van het strand af, naar het kasteel toe. Othomar deed

zijn jas, zijne schoenen uit, stroopte zijn broek op, de mouwen van

zijn hemd.

—Neem dat meê, riep hij tot Christofel; en ga terug naar het kasteel,

zeg het hun...

Hij liep met bloote voeten over de klippen heen, de zee in, wierp zich

in het water, zwom naar de boot. Het was zeer moeilijk voor hem in het

bootje te komen, zonder het te doen omslaan. Het kantelde dol links en

rechts; met éene beweging van lichte vlugheid slaagde Othomar echter er

in te springen.

—Ik kan niet meer... sprak Valérie mat.

Ze liet de riemen los; hij greep ze en roeierde op. Ze viel even tegen

hem aan, maar hield zich toen recht om hem niet te belemmeren.

Majesteit · 第 32 / 52 题