III.

De zon was in den namiddag doorgebroken en deed het grijs van de lucht

en het water opblauwen met de wazige blauwte van Noordelijken zomer. De

zee gloeide en schubde zich goud; het verweerde kasteel stond zijn

breeden granietstapel, als een oude man zijn rug, te blakeren in de

warmte. Op het hoogste terras, dat met drie glazen deuren tot den

grooten hall toegang had, was het gestreepte linnen zeil neêrgelaten.

Er lagen matten over den grond. In groote rieten stoelen zaten prinses

Sofie en aartshertogin Valérie; beiden schilderden met waterverf. Uit

den hall klonken, eentonig, de zachte gamma’s van prinses Elizabeth,

het oudste dochtertje der kroonprinses, dat studeerde. Prinses Wanda

zat op den grond en stoeide nog al wild met hare twee jongste neefjes,

Erik en Karel. Op een langen rieten stoel lag prins Herman, met beide

beenen uitgestrekt; naast hem een tafeltje vol couranten en

tijdschriften, waarvan er eenige op den grond gevallen waren; een

groote bel sherry-cobbler in den rieten glashouder van zijn stoel, een

blauwtjes wolkende cigarette tusschen zijne vingers.

Sofie en Valérie vergeleken hare studiën en lachten. Ze keken naar de

lucht, die het neêrgelaten zeil recht afsneed; de wolken, wollig wit,

schuimden er op elkaâr; de zee was verblindend van gouden schubben, als

een reuzenpantser.

—Wat teekenen jullie toch? vroeg Herman, die in een geïllustreerd

tijdschrift bladerde.

—Wolken, antwoordde Valérie; niets dan wolken. Ik heb Sofie overgehaald

samen wolkstudies te maken. Je moet straks, als je niet te lui bent,

mijn album eens komen zien—ze lachte even—het zijn niets dan wolken!

—Hé! zei Herman, lang uitgerekt. Hoe vreemd...

—Ja, zei Sofie droomerig; wolken zijn wel aardig, maar je weet nooit ze

te treffen: ze veranderen ieder oogenblik.

—Erik, vraag eens aan tante Valérie haar album voor me, vroeg Herman.

—Wel neen, riep Wanda; ga het zelf halen, hoor luilak...

Maar Erik wilde toch gaan; er ontstond een schermutseling. Wanda hield

den kleinen jongen in beide armen vast, Karel deed meê, zij stoeiden,

en Wanda viel lachend, schuin over den grond.

—Maar Wanda! berispte Sofie.

Valérie stond op en ging naar Herman toe.

—Met dat al zie je mijn wolken niet, luie jongen. Ik zal maar genadig

zijn. Kijk eens...

Herman richtte zich nu, in eens, op, nam het album aan.

—Hoe grappig, zei hij. Geel, en wit en violet en roze! Allemaal

zonsondergangen!

—En zonsopgangen. Ik zie er misschien meer dan jij!

—Wat jij toch al niet in wolken ziet, Valérie! Het is verbazend. Wat

verschilt de eene mensch toch van den anderen. Ik zoû het nooit in mijn

hoofd krijgen wolken te gaan uitteekenen. Je moet eens met me meêgaan

op reis; dan zoû je heele verzamelingen van wolken kunnen maken.

—Had me die propozitie maar eerder gedaan! schertste Valérie. Dan had

ik met Xara meê kunnen gaan.

—Maar waar is Othomar! zei Herman.

Valérie zei, dat ze het niet wist...

Herman dronk aan zijn sherry-cobbler, Wanda wilde ook proeven, maar

Herman zei, dat ze zelve maar om een glas moest bellen en weigerde.

Wanda wilde toch; hij greep haar de polsen.

—Maar Wanda! berispte Sofie weêr, loom; zij streek de hand over het

voorhoofd en legde haar penseel neer.

Wanda lachte vroolijk.

—Maar Wanda! deed ze Sofie na, en ze lachten allen Sofie uit; Sofie

lachte meê.

—Sprak ik zoo? vroeg ze, met hare loome stem. Ik weet het ook niet, ik

word hier zoo slaperig, zoo lui...

Zij waren nog allen vroolijk om Sofie, toen stemmen klonken uit den

hall, schelle oude stemmen. Het waren de twee douairières met Othomar;

de oude dames minaudeerden hoffelijk tegen den jongen prins, die heur

stoelen aanbood. De tantes hadden na het lunch een slaapje gemaakt; ze

kwamen nu weêr te voorschijn, met tapisseriewerken in groote réticules.

Iedereen begroette haar met veel eerbied, waarin een schalksch tintje

school.

—Pardon, lieber Herzog, murmelde de oude prinses Elza, de oudste; ik

heb liever dat kleine stoeltje...

Ook prinses Marianne wilde een klein recht stoeltje; de oude dames

bedankten Othomar met eene révérence voor zijne galanterie, zetten zich

stijf recht, begonnen te handwerken: groote blazoenen voor

stoelbekleedsels. Zij waren zeer deftig, met fijne maar uitgerimpelde

gezichten, grijze tours en een zwart kanten kapsel; ze droegen krakende

moiré japonnen, van ouderwetschen snit. Nu en dan wisselden ze een

snel, vinnig, woord, met eene, plotselinge kakelende, beweging van hare

fijne kakatoeprofielen, ze keken even aandachtig naar de zee, als kon

het niet anders of ze zouden iets belangrijks zien aankomen uit het

onbestemde; dan werkten ze weêr door... Hare ouderwetsche, deftige,

stijf in keurs geregen, schrale figuren deden vreemd samen met de

losheid der jonge lieden in hunne eenvoudige serge zomerpakken: de

verwarde haren en de opgesjorde blouse van prinses Wanda werden er zeer

ongegeneerd om.

Een derde oude dame kwam statieus aan, zij had eenige overeenkomst met

de douairières; zij was echter gravin Von Altenburg, vroegere

grootmeesteres der prinses Elsa; achter haar brachten twee lakeien

bladen, waarop koffie en gebak, het goûter der oude prinsessen. De

gravin maakte eene ceremonieele nijging voor de jonge vorsten.

—Het terrein is ingenomen! fluisterde Herman tot Valérie. Zij waren

weêr gaan zitten en onder hen plaagden zij, zonder dat de tantes, of de

gravin, die eenigszins doof was, het hooren konden. Othomar met zijne

drie Nornen, zooals zij schertsten. Een drukke taalwarrel ging om: de

tantes spraken Duitsch en schreeuwden, om zich te doen verstaan, iets

over de kalmte van de zee in de arme ooren der koffieschenkende gravin,

die knikte, dat ze begreep. De jongere vorsten spraken meestal

Engelsch; Herman soms met Othomar een paar woorden Liparisch, en de

kinderen, die op een lager terras waren gaan spelen, joedelden

Gothlands en Fransch luidruchtig door elkaâr.

De lakeien hadden de afternoon-tea gebracht en voor prinses Sofie

geplaatst, toen eene hofdame verscheen. Zij boog voor de jonge

kroonprinses, en, in het Gothlandsch:

—Hare Majesteit verzoekt Uwe Hoogheid in den kleinen salon te komen.

—Mama vraagt me bij haar te komen, zei prinses Sofie in het Engelsch,

terwijl ze opstond. Wanda, schenk jij thee? Kinderen, zullen jullie

naar boven gaan om je te kleeden? Wanda, zeg het hun nog eens, niet

waar?

De kroonprinses ging door den hall, een groote, ronde koepelvormige

zaal, vol hertengeweien, elandkoppen, jachttrofeeën; daarna een trap

op. In de antichambre der Koningin, deed de lakei de deur voor haar

open. Koningin Olga zat alleen; zij was eenige jaren ouder dan hare

zuster, de keizerin van Liparië, grooter en zwaarder van bouw; hare

trekken hadden echter veel overeenkomst met die van Elizabeth, maar

waren meer aangedikt.

—Sofie, sprak ze dadelijk, in het Duitsch; ik heb een brief uit

Sigismundingen...

De hertogin van Wendeholm was gaan zitten.

—Iets over Valérie? vroeg ze verschrikt.

—Ja... begon de koningin, met een nadenken in haar blik. Arm kind...

—Maar wat dan, mama?

—Daar, lees zelf...

De koningin reikte den brief aan haar schoondochter over. Deze las

haastig. De brief was van de aartshertogin Eudoxie, de moeder van

Valérie, met een beverige opgewonden hand geschreven, en vermeldde in

termen, die onverschillig wilden zijn maar eene groote voldoening

verrieden, dat prins Leopold von Lohe-Obkowitz in Nice was met de

beroemde actrice Estelle Desvaux; dat hij afstand van zijne heerlijke

rechten zoû doen ten gunste van zijn jongeren broeder, en daarna

trouwen zoû met zijne maitresse. De brief verzocht aan de koningin of

aan de kroonprinses dit te willen meêdeelen aan Valérie, in de hoop,

dat zij er niet te zeer door geschokt zoû worden. Verder eindigde de

brief met hevige aanvallen tegen prins Leopold, die zich zoo te schande

maakte, maar tevens met onverholen blijdschap, dat Valérie er nu

misschien nooit weêr over denken zoû vrouwe te willen worden van een

gebied, dat zes meter in het vierkant mat! De aartshertog Albrecht

schreef er onder, dat dit nieuws geen vaag gerucht was maar zekerheid;

en dat prins Leopold het zelve aan hunne eigen verwanten te Nice

verteld had, die het geschreven hadden naar Sigismundingen.

—Heeft Valérie wel eens met je over prins Lohe gesproken? vroeg de

koningin.

—Een enkelen keer, mama, antwoordde de hertogin van Wendeholm, terwijl

zij het epistel terug gaf; maar wij weten allen genoeg, dat dit bericht

haar zeer zal schokken. Zoû zij er in het minst op zijn voorbereid?

—Waarschijnlijk niet; we hadden er toch geen van allen nog iets van

gehoord of gelezen. Zal ik het haar zeggen? Arm kind...

—Wil ik het doen, mama? Zooals ik u zeg, een enkelen keer heeft Valérie

met me gesproken...

—Goed, doe jij het dan...

De hertogin bedacht zich, zag naar de pendule.

—Het is al zoo laat, ik zal het doen na het diner; we waren nog geen

van allen gekleed... Wat vindt u?

—Goed dan, na het diner...

De kroonprinses ging, ze moest zich haasten met haar toilet. Toen het

zeven uur was, luidde een klinkende bel, lang door. Men kwam in den

hall te zamen; de eetzaal zag met groote bogen op het dennenbosch uit.

Het was een lange tafel: koning Siegfried, een krasse oude vorst met

vollen, grijzenden baard; koningin Olga; kroonprins Gunther, lang,

blond, twee-en-dertig jaren; prinses Sofie en hunne kinderen; Othomar

tusschen zijne tante en Valérie, Herman en Wanda, Olaf en Christofel,

de twee douairières met gravin Von Altenburg, adjudanten, hofdames,

kamerheeren, de gouvernante van prinses Elizabeth, de gouverneurs der

kleine prinsen...

De ongedwongenheid van vroolijke gesprekken ging om. Men droeg

eenvoudig toilette-de-ville; de koning gekleede jas, de jongere prinsen

en adjudanten smokings. De jonge prinsessen droegen lichte

zomer-toiletten van wit serge of roze mousseline de-laine; ze hadden

een paar bloemen uit de serres zich gestoken in de ceintuurs.

Valérie praatte vroolijk, Herman plaagde haar nog eens met hare

wolkstudies, maar Othomar zei, dat hij ze zeer bewonderde. Koningin

Olga en prinses Sofie wisselden een blik en waren stiller dan anders.

De koning zag ook zeer aandachtig naar de jonge lieden. Na het diner

verspreidde zich de familie; de kroonprins en Herman gingen met de

jongere prinsen en de kinderen roeien op zee, in twee booten. Wanda en

Valérie liepen, de armen om elkaârs middel, op en neêr, op het lange

voorterras, het zeil was voor den avond reeds omhoog getrokken. De zee

was nog blauw; de lucht parelkleurig en niet zoo hel meer: boven den

horizont brandde de zon nog blakende scheuren in de wijd uitstralende

wolken.

De jonge meisjes liepen, lachten, zagen naar de twee bootjes op zee en

wuifden ze toe. Heel ver weg ging een steamer fijn gepenteekend, met

een vuil streepje rook. De jonge prinsen riepen: hoera! hoera! en

heeschen hunne kleine vlag op.

—Zie toch die couranten van Herman, zei Valérie. Tante Olga houdt niet

van dien rommel...

Ze wees naar al de tijdschriften en nieuwsbladen, die de lakeien zeker

vergeten hadden op te ruimen. Ze lagen over den langen, rieten

reisstoel, op het tafeltje, over den grond.

—Wil ik bellen, dat zij ze opruimen? vroeg Wanda.

—Och, laat maar, zei Valérie.

Ze raapte zelve een paar couranten op, vouwde ze, schikte ze te zamen,

Wanda wuifde weêr naar de bootjes, met een zakdoek.

—Mijn God! hoorde zij in eens Valérie dof mompelen.

Ze zag om; de jonge aartshertogin bleek, was op een stoel neêrgezonken.

Zij had de couranten weêr laten vallen; een ervan hield ze krampachtig,

kreukelend, vast, ze zag er op neêr, met oogen, wezenloos van schrik.

—Het is niet waar... stamelde zij. Ze liegen altijd... ze liegen!

—Wat is er, Valérie? riep Wanda verschrikt.

Op dit oogenblik kwam de hertogin van Wendeholm door den hall aan.

—Valérie! riep ze.

Het jonge meisje hoorde niet. De hertogin kwam nader.

—Valérie! herhaalde ze. Zoû ik je even kunnen spreken, alleen?

De aartshertogin hief haar bleek gezichtje op. Ze scheen niet te

hooren, niet te begrijpen.

—Mijn God! fluisterde de hertogin tot Wanda; weet ze het al?

—Wat toch? vroeg Wanda.

Maar een lakei kwam door den hall ook; hij droeg een zilveren blad met

brieven. Er waren een paar brieven voor de hertogin; hij bood ze haar

eerst; toen éen, aan Valérie. De aartshertogin scheen met hare

verblinde oogen dien brief toch wel te zien; gulzig greep zij er naar.

De lakei ging.

—O... God...! stamelde zij eindelijk.

Zij rukte den brief open uit de enveloppe, verscheurde hem half in hare

drift en las met krankzinnige oogen. Sofie en Wanda zagen haar ontzet

aan.

—O... God...! kreet de aartshertogin smartelijk. Het is waar... het is

waar... het is waar!!! Oh...

Zij stond trillende op, zag met dolle oogen om zich heen, stortte zich

als gek in de armen der hertogin. Een luide snik stiet uit hare keel,

als schoot een pistoolschot door haar hart heen.

—Hij schrijft het me zelf! kreet zij uit. Zelf! Het is waar, wat in de

courant staat... Oh!!!...

En zij knakte met haar hoofd op Sofie’s schouder neer. Sofie voerde

haar mee den hall in; Valérie liet zich meeslepen als een kind. Wanda

volgde, weenende, wringende haar handen zonder te weten waarom.

Uit de bootjes, die al heel ver waren, wuifden de jonge prinsen nog

eens; prinsesje Elizabeth poogde zelfs iets te roepen; zij begreep niet

waarom Wanda en Valérie zoo flauw waren niet meer terug te wuiven.

Aan den horizont ging de zon onder; de gloeiende wolken waren allen

verdommeld in schuimend goud-roze neveltjes met blinkende randen; maar

het werd avond; de lucht donkerde; een voor een smolten de roze wolkjes

weg; éen laatste wolk nog, als met twee stralenvleugels van laatste

zonneschichten, flikkerde nog even op, of ze wilde vliegen, en verzonk

toen, in eens, de vleugels geknakt, weg in de violette donkerte. De

eerste sterren twinkelden op, hel zichtbaar.

Majesteit · 第 31 / 52 题