De koninklijke familie van Gothland was gewoon den geheelen zomer te
Altseeborgen te blijven. Het strand leende zich bizonder tot badplaats
om het visschersdorp heen, maar koning Siegfried had hier nooit van
willen hooren: het strand en het dorp waren koninklijk domein; slechts
een paar nederige optrekjes hadden mogen verrijzen. Meestal kwamen daar
des zomers enkele burgerfamilies met kinderen. Een moderne badplaats
zoû Altseeborgen nooit worden, al vond de elegante wereld de
gelegenheid ook uitstekend om te zomerschitteren, zoo vlak in de
nabijheid van het koninklijk kasteel.
Maar de Gothlandsche familie bewaakte ook zorgvuldig de vrijheid van
haar zomerleven. Vier maanden leefden zij daar, zonder de etiquette der
paleizen, in den grootsten eenvoud. Zij vormden een talrijke familie en
er waren altijd vele logé’s. De koning deed de staatszaken
huishoudelijk op het kasteel af. Zijne kleinkinderen liepen soms zijn
kabinet in, als hij met den minister-prezident, die sommige dagen naar
Altseeborgen kwam, in gewichtige bespreking was. Hij klopte ze even op
de blonde krullebollen en zond ze met een liefkoozing weêr weg, om te
spelen. Er waren daar de kroonprins Gunther, en de kroonprinses Sofie,
Duitsche vorstin, hertog en hertogin van Wendeholm; zij hadden vier
kinderen, een meisje en drie jongens. Op den hertog volgde prins
Herman, na hem de prinses Wanda, twintig jaar; na haar de jongere
prinsen Olaf en Christofel. Verder waren er ook altijd twee oude
prinsessen, zusters van den koning, douairières van Duitsche vorsten.
Van alle hoven van Europa, die als éene groote familie zijn, kwamen nu
en dan verschillende leden logeeren en brachten er hunne nuance van
verschillende nationaliteit mede, iets exotisch in klank van stem en in
zijn van zede, voor zoover dit niet in hun cosmopolitisme weggesmolten
was.
Othomar was met Herman drie maanden op zee geweest; zij hadden
Voor-Indië, China, Japan en Amerika aangedaan. De reis was incognito
geweest om alle officieele ontvangst te ontloopen, en Othomar had geen
anderen titel gedragen dan dien van prins Czyrkiski. De reis had
Othomar veel goed gedaan; hij voelde zich zelfs zoo wel, dat hij
keizerin Elizabeth geschreven had nog eenigen tijd in den familiekring
te Altseeborgen te willen blijven, maar daarna zijne, reeds vroeger
voorgenomen, reis aan de Europeesche hoven te ondernemen.
Het gemakkelijke samenzijn had de neven zeer tot elkaâr gebracht.
Herman had Othomar onder zijn strakheid en gemis aan gemakkelijkheid
leeren kennen als een jongen kroonprins, die zeer tegen zijne toekomst
opzag, maar veel redelijkheid in zich had, wilde leeren berusten in het
leven en zich reeds sterk maken voor zijn aanstaand zwaar juk van
keizergrootheid. Hij begreep Othomar en had medelijden met hem.
Hijzelve zag in het leven een vitaal genot; te ademen alleen reeds was
genieten; zijn bestaan van tweeden zoon, met alleen zijne
marineplichten, die hij liefhad, zooals een afstammeling van oude
zeekoningen ze erfelijk lief kon hebben, hoorde een perspectief voor
hem heen van niets dan éene verre onbewolkte zorgeloosheid; dat hij
koningszoon was, gaf hem niets dan gemak, dan genot en hij waardeerde
zijne hoogheid van omstandigheden met jolig pleizier, hij schepte zich
den room af van een kelk, waaruit Othomar later alsem zoû drinken.
Vergeleek hij ook eerst Othomar met zijn broêr, den hertog van
Weldeholm, en kroonprins ook, hij van Gothland, Herman vergeleek nu
niet meer; zijn oordeel was redelijker geworden; hij begreep, dat geene
vergelijking mogelijk was. Liparië was een ontzachlijk bijna
autocratisch keizerrijk; het volk, vooral in het Zuiden, zeer
wisselvallig, altijd met kracht in toom gehouden om zijn kinderlijk
nooit zelf weten wat het doen zoû van grilligheid; de Gothlanders, van
temperament kalm liberaal, zonder schreeuwerigheid, hielden zich met
hunne, reeds lang verkregen, uitgebreide constitutie, rustig om koning
Siegfried, dien zij den vader van het land noemden. Dat Gunther er niet
tegen opzag eenmaal de kroon te moeten dragen, was dat reden, dat
Othomar zonder die vreeze hoefde te zijn? Bezat Othomar niet eerder de
teedere eigenschappen, die in den nauwen cirkel van een intiemen kring
gewaardeerd worden en beminnelijk maken bij enkele sympathieken, dan
dien felleren glans van hoedanigheid, die op een hoog standpunt hel
doet uitkomen en relief, en opzien wekt bij de menigte? Was die jongen
met zijne ziel vol scrupule, zijn heimwee naar rechtvaardigheid, zijn
in-verlangen naar liefde, zijn dadelijk gekwetste teêrgevoeligheid, was
hij de zoon zijner vaderen, afstammeling van Berengar den Sterke,
Wenceslas den Wreede, zoon der strijdbare Xaveria, of was hij niet
eerder het kind maar zijner zachte moeder alleen?
Het was niet in Herman hier veel en lang over na te denken, maar het
kwam plotseling tot hem, bruskweg, als een nieuw uitzicht, dat geopend
wordt in een klaarder licht. En wat antipathie in hem geweest was, werd
medelijden, vriendschap en verwondering over het willen van de
wereldorde, omdat ze met een ziel als die van Othomar niets anders wist
te doen dan ze neêr te drukken onder een kroon.
Het eenvoudige familieleven te Altseeborgen was voor Othomar als een
kuur. Hij voelde er zich in natuurlijkheid opleven, zijne
menschelijkheid zich er zonder boei wijder ontplooien. Gewend aan het
ceremonieele hofleven van het Imperiaal, aan welks etiquette keizer
Oscar streng de hand hield, verwonderde de, bijna burgerlijke, eenvoud
zijner Gothlandsche familie hem eerst, maar verheugde hem later. Vorige
jaren was hij wel nu en dan korten tijd te Altseeborgen geweest, maar
nooit zóo lang gebleven, om zich, zooals nu, geheel en al tot de hunnen
te kunnen rekenen.
Behalve Othomar waren er op dit oogenblik geene andere logés dan de
aartshertogin Valérie, nicht van den Oostenrijkschen keizer. Vermoedden
de jongelieden iets of niet? Werden hunne namen samen genoemd door de
jongere prinsen en prinsessen? Uiterlijk scheen het niet; een enkelen
keer maar hadden de prinses Sofie of Wanda noodig de jongere broêrs met
een blik te doen zwijgen. En toch was het met gewichtige bedoeling, dat
de koningin van Gothland, in samenstemming met den keizer van Liparië
en de ouders van Valérie—aartshertog Albrecht en aartshertogin Eudoxie,
die het slot te Sigismundingen bewoonden—de jonge lieden samen had
gebracht. Keizer Oscar zoû zeker liever eene der jeugdige Russische
grootvorstinnen, nicht van den Czaar, tot schoondochter hebben willen
kiezen, maar het verschil van godsdienst was altijd een onoverkomelijke
hinderpaal; bezwaren had de keizer, trots zijn voorkeur, tegen de
Oostenrijksche verbintenis intusschen niet.
Misschien rieden Othomar en Valérie iets van deze bedoeling, maar het
geheim ervan wekte geene gedwongenheid tusschen hen; zij waren, van
beider kant, zoozeer gewend telkens bekende vorsten of prinsessen met
hen samen genoemd te hooren, te zien zelfs vermeld in couranten:
verlovingsberichten, die kort daarop weêr tegengesproken werden; ze
hadden zelfs samen geschertst over de vele malen, die de publieke
opinie hen had uitgehuwelijkt, telkens weêr met anderen; soms waren het
zelfs voor henzelve verrassingen geweest, die zij vonden in de
nieuwsbladen, en waarover zij jolig pleizier hadden gemaakt. Zij
stoorden zich dus niet aan een heel enkel ondeugend woord van prins
Olaf of prins Christofel; flinke jongens van zeventien en vijftien
jaar, die het gezellig vonden te plagen. En daarbij oefende koningin
Olga, verstandig en redelijk, niet den minsten invloed op hen uit. Zij
had ze samen genoodigd, maar meer deed ze niet. Misschien lette zij
stil op hoe zij waren met elkaâr, en schreef ze hiervan een enkel woord
aan hare zuster, maar zij hield zich geheel buiten de mazen, die zich
tusschen hunne kroonlevens moesten samen weven. Toch was het haar
moeilijk zoo te doen. Zij hield van Valérie, en meende, dat dit
huwelijk in allen deele goed zoû zijn. Maar daarbij kwamen er dringende
brieven van Sigismundingen, en zelfs van Weenen, waar men niets liever
wenschte, dan de jonge aartshertogin, hertogin van Xara te zien. Er
waren hier, behalve dat men aan het Oostenrijksche hof een hernieuwde
verbintenis met Liparië op prijs stelde, nog andere redenen voor, van
intimer aard.