II.

De koninklijke familie van Gothland was gewoon den geheelen zomer te

Altseeborgen te blijven. Het strand leende zich bizonder tot badplaats

om het visschersdorp heen, maar koning Siegfried had hier nooit van

willen hooren: het strand en het dorp waren koninklijk domein; slechts

een paar nederige optrekjes hadden mogen verrijzen. Meestal kwamen daar

des zomers enkele burgerfamilies met kinderen. Een moderne badplaats

zoû Altseeborgen nooit worden, al vond de elegante wereld de

gelegenheid ook uitstekend om te zomerschitteren, zoo vlak in de

nabijheid van het koninklijk kasteel.

Maar de Gothlandsche familie bewaakte ook zorgvuldig de vrijheid van

haar zomerleven. Vier maanden leefden zij daar, zonder de etiquette der

paleizen, in den grootsten eenvoud. Zij vormden een talrijke familie en

er waren altijd vele logé’s. De koning deed de staatszaken

huishoudelijk op het kasteel af. Zijne kleinkinderen liepen soms zijn

kabinet in, als hij met den minister-prezident, die sommige dagen naar

Altseeborgen kwam, in gewichtige bespreking was. Hij klopte ze even op

de blonde krullebollen en zond ze met een liefkoozing weêr weg, om te

spelen. Er waren daar de kroonprins Gunther, en de kroonprinses Sofie,

Duitsche vorstin, hertog en hertogin van Wendeholm; zij hadden vier

kinderen, een meisje en drie jongens. Op den hertog volgde prins

Herman, na hem de prinses Wanda, twintig jaar; na haar de jongere

prinsen Olaf en Christofel. Verder waren er ook altijd twee oude

prinsessen, zusters van den koning, douairières van Duitsche vorsten.

Van alle hoven van Europa, die als éene groote familie zijn, kwamen nu

en dan verschillende leden logeeren en brachten er hunne nuance van

verschillende nationaliteit mede, iets exotisch in klank van stem en in

zijn van zede, voor zoover dit niet in hun cosmopolitisme weggesmolten

was.

Othomar was met Herman drie maanden op zee geweest; zij hadden

Voor-Indië, China, Japan en Amerika aangedaan. De reis was incognito

geweest om alle officieele ontvangst te ontloopen, en Othomar had geen

anderen titel gedragen dan dien van prins Czyrkiski. De reis had

Othomar veel goed gedaan; hij voelde zich zelfs zoo wel, dat hij

keizerin Elizabeth geschreven had nog eenigen tijd in den familiekring

te Altseeborgen te willen blijven, maar daarna zijne, reeds vroeger

voorgenomen, reis aan de Europeesche hoven te ondernemen.

Het gemakkelijke samenzijn had de neven zeer tot elkaâr gebracht.

Herman had Othomar onder zijn strakheid en gemis aan gemakkelijkheid

leeren kennen als een jongen kroonprins, die zeer tegen zijne toekomst

opzag, maar veel redelijkheid in zich had, wilde leeren berusten in het

leven en zich reeds sterk maken voor zijn aanstaand zwaar juk van

keizergrootheid. Hij begreep Othomar en had medelijden met hem.

Hijzelve zag in het leven een vitaal genot; te ademen alleen reeds was

genieten; zijn bestaan van tweeden zoon, met alleen zijne

marineplichten, die hij liefhad, zooals een afstammeling van oude

zeekoningen ze erfelijk lief kon hebben, hoorde een perspectief voor

hem heen van niets dan éene verre onbewolkte zorgeloosheid; dat hij

koningszoon was, gaf hem niets dan gemak, dan genot en hij waardeerde

zijne hoogheid van omstandigheden met jolig pleizier, hij schepte zich

den room af van een kelk, waaruit Othomar later alsem zoû drinken.

Vergeleek hij ook eerst Othomar met zijn broêr, den hertog van

Weldeholm, en kroonprins ook, hij van Gothland, Herman vergeleek nu

niet meer; zijn oordeel was redelijker geworden; hij begreep, dat geene

vergelijking mogelijk was. Liparië was een ontzachlijk bijna

autocratisch keizerrijk; het volk, vooral in het Zuiden, zeer

wisselvallig, altijd met kracht in toom gehouden om zijn kinderlijk

nooit zelf weten wat het doen zoû van grilligheid; de Gothlanders, van

temperament kalm liberaal, zonder schreeuwerigheid, hielden zich met

hunne, reeds lang verkregen, uitgebreide constitutie, rustig om koning

Siegfried, dien zij den vader van het land noemden. Dat Gunther er niet

tegen opzag eenmaal de kroon te moeten dragen, was dat reden, dat

Othomar zonder die vreeze hoefde te zijn? Bezat Othomar niet eerder de

teedere eigenschappen, die in den nauwen cirkel van een intiemen kring

gewaardeerd worden en beminnelijk maken bij enkele sympathieken, dan

dien felleren glans van hoedanigheid, die op een hoog standpunt hel

doet uitkomen en relief, en opzien wekt bij de menigte? Was die jongen

met zijne ziel vol scrupule, zijn heimwee naar rechtvaardigheid, zijn

in-verlangen naar liefde, zijn dadelijk gekwetste teêrgevoeligheid, was

hij de zoon zijner vaderen, afstammeling van Berengar den Sterke,

Wenceslas den Wreede, zoon der strijdbare Xaveria, of was hij niet

eerder het kind maar zijner zachte moeder alleen?

Het was niet in Herman hier veel en lang over na te denken, maar het

kwam plotseling tot hem, bruskweg, als een nieuw uitzicht, dat geopend

wordt in een klaarder licht. En wat antipathie in hem geweest was, werd

medelijden, vriendschap en verwondering over het willen van de

wereldorde, omdat ze met een ziel als die van Othomar niets anders wist

te doen dan ze neêr te drukken onder een kroon.

Het eenvoudige familieleven te Altseeborgen was voor Othomar als een

kuur. Hij voelde er zich in natuurlijkheid opleven, zijne

menschelijkheid zich er zonder boei wijder ontplooien. Gewend aan het

ceremonieele hofleven van het Imperiaal, aan welks etiquette keizer

Oscar streng de hand hield, verwonderde de, bijna burgerlijke, eenvoud

zijner Gothlandsche familie hem eerst, maar verheugde hem later. Vorige

jaren was hij wel nu en dan korten tijd te Altseeborgen geweest, maar

nooit zóo lang gebleven, om zich, zooals nu, geheel en al tot de hunnen

te kunnen rekenen.

Behalve Othomar waren er op dit oogenblik geene andere logés dan de

aartshertogin Valérie, nicht van den Oostenrijkschen keizer. Vermoedden

de jongelieden iets of niet? Werden hunne namen samen genoemd door de

jongere prinsen en prinsessen? Uiterlijk scheen het niet; een enkelen

keer maar hadden de prinses Sofie of Wanda noodig de jongere broêrs met

een blik te doen zwijgen. En toch was het met gewichtige bedoeling, dat

de koningin van Gothland, in samenstemming met den keizer van Liparië

en de ouders van Valérie—aartshertog Albrecht en aartshertogin Eudoxie,

die het slot te Sigismundingen bewoonden—de jonge lieden samen had

gebracht. Keizer Oscar zoû zeker liever eene der jeugdige Russische

grootvorstinnen, nicht van den Czaar, tot schoondochter hebben willen

kiezen, maar het verschil van godsdienst was altijd een onoverkomelijke

hinderpaal; bezwaren had de keizer, trots zijn voorkeur, tegen de

Oostenrijksche verbintenis intusschen niet.

Misschien rieden Othomar en Valérie iets van deze bedoeling, maar het

geheim ervan wekte geene gedwongenheid tusschen hen; zij waren, van

beider kant, zoozeer gewend telkens bekende vorsten of prinsessen met

hen samen genoemd te hooren, te zien zelfs vermeld in couranten:

verlovingsberichten, die kort daarop weêr tegengesproken werden; ze

hadden zelfs samen geschertst over de vele malen, die de publieke

opinie hen had uitgehuwelijkt, telkens weêr met anderen; soms waren het

zelfs voor henzelve verrassingen geweest, die zij vonden in de

nieuwsbladen, en waarover zij jolig pleizier hadden gemaakt. Zij

stoorden zich dus niet aan een heel enkel ondeugend woord van prins

Olaf of prins Christofel; flinke jongens van zeventien en vijftien

jaar, die het gezellig vonden te plagen. En daarbij oefende koningin

Olga, verstandig en redelijk, niet den minsten invloed op hen uit. Zij

had ze samen genoodigd, maar meer deed ze niet. Misschien lette zij

stil op hoe zij waren met elkaâr, en schreef ze hiervan een enkel woord

aan hare zuster, maar zij hield zich geheel buiten de mazen, die zich

tusschen hunne kroonlevens moesten samen weven. Toch was het haar

moeilijk zoo te doen. Zij hield van Valérie, en meende, dat dit

huwelijk in allen deele goed zoû zijn. Maar daarbij kwamen er dringende

brieven van Sigismundingen, en zelfs van Weenen, waar men niets liever

wenschte, dan de jonge aartshertogin, hertogin van Xara te zien. Er

waren hier, behalve dat men aan het Oostenrijksche hof een hernieuwde

verbintenis met Liparië op prijs stelde, nog andere redenen voor, van

intimer aard.

Majesteit · 第 30 / 52 题