I.

Augustus, aan de Oostzee. De grijze golven krullen tegen de klippen op

met hooge, ronde kammen dik schuim. De lucht is daarboven éen wijde

koepel, waardoor groote gebergten van wolken drijven, grijs-wit. Zij

komen langzaam aan, vullen den hemeldom met hunne wisselende

schijnmassa’s, als van rots- en alpenketen, die zouden zweven op

atmosfeer, en drijven langzaam weêr voort, weg. De zee heeft er een

smal strand, met veel verbrokkeld klip; zeer nabij donkert zwart-groen

dennenbosch. Half als tegen de klippen aan, op de duisternis van het

bosch als achtergrond, rijst het oude Altseeborgen. Het is een verweerd

kasteel, waaraan de opkrullende golven schijnen te knagen; zijne drie

hooge, ongelijke torens bouwen zich zwaar rond de lucht in. De weg naar

het kasteel loopt van uit het bosch terrasachtig op, opglooiend, breed,

leidt naar het achterplein, waar de hoofdingang is. Om het kasteel,

breed heen, traptreden zich de granieten terrassen, met hunne ruwe

balustrades, waarvan de hardsteen opgegeten is door de zoute lucht. Die

terrassen zien, naarmate ze stijgen, wijder uit over de zee; van af het

hoogste terras ligt de zee als éen groot segment van vreemde

bewegelijkheid, levend element, aan tegen het strand links, en rechts.

Over de zee zwaaien de Zuidewinden op het kasteel aan; het dennenbosch

beschermt het veel voor de Noordelijke vlagen.

Van den hoogsten toren flappert een ontzachlijk zeil van dundoek uit,

en doet er vroolijk in de lucht: twee banen geel en er tusschen een

witte baan, waarop de donkere vlak van den gekanteelden burcht, die het

wapen van Gothland is. Het is er op den zonloozen morgen een glimlach

aan den hemel; het zwelt en valt weêr slap en laat zich hoog op weêr

blazen door den wind, die frisch aanwappert over het water.

Een jonge man en een jong meisje loopen aan het strand; ze praten,

glimlachen, zien elkander aan. Zij is grooter dan hij, zeer blank;

onder den kleinen matrozenhoed waaien enkele harer, even rosgoudbruine,

haren, verward door den wind, om haar gezicht; onophoudelijk strijkt

zij ze weg. Zij draagt een eenvoudigen blauwen serge rok en witte

blouse, een breeden leêren ceintuur om het middel. Hare elegante

voetjes zijn telkens door den wind geheel zichtbaar, in de zwart zijden

kousen en gele leêren schoenen. Een paar handschoenen zwaait ze

luchtigjes in de hand.

De jonge man draagt een licht, geruit zomerpak, en een strooien hoed.

Hij is klein, tenger; zijne oogen hebben een zwarten blik van zachte

melancholie. Hij schijnt aan het meisje naast hem een verhaal te doen

van reizen; zij luistert met haren glimlach toe.

Om hen heen, trots den wind, is de atmosfeer die eener wijde rust.

Langs het strand loopende, komen zij voorbij het kasteel, gaan het

achterom en zien naar boven. Uit een der vensters wuift iemand vroolijk

met de hand, en roept iets. Zij pogen te hooren, de hand aan het oor,

maar halen de schouders op: de wind waaide de woorden weg. Nog eens

wuiven zij, en gaan door.

Zij gaan echter niet ver, altijd langs het strand. Ginds ligt het

visschersdorp, liggen een paar kleine villa’s, optrekjes. Een ervan

schijnt juist, voor een vacantie-maand zeker, bewoond door eene groote

familie; drukte van stemmen gonst naar buiten, kinderen rennen elkaâr

aan het strand na; een klein meisje bonst in haar vaart tegen den

jongen man aan.

—Hola, zegt hij vriendelijk, en lacht; lachende gaan zij door.

De kinderen rennen verder. Een visscher komt met zijn netten aan,

grinnikt goedig en mompelt een groet. Een dikke dame in de verandah

heeft de jongelieden nieuwsgierig nagekeken; ze ziet den visscher

groeten, houdt hem staande.

—Wie is die dame met dien heer?

De visscher wijst goedig naar Altseeborgen.

—Van het kasteel.

—Maar wie dan? zegt de dame verschrikt.

—Wel, die meneer is de prins van Liparië en de juffrouw is een

Oostenrijksche prinses, zegt de visscher, alsof iets anders onmogelijk

ware.

De dame ziet het vorstelijke paar ontzet na en kijkt dan in wanhoop

naar hare rennende kinderen. De jongelieden keeren juist terug op hunne

heen-en-weêr-wandeling; ze lachen nog vroolijker nu en haasten zich een

beetje vlugger naar het kasteel, alsof ze zich verlaat hebben. De dame,

bleek nog, durft geene excuzes maken, maar maakt eene diepe buiging;

zij krijgt een vriendelijken groet terug.

Majesteit · 第 29 / 52 题