Augustus, aan de Oostzee. De grijze golven krullen tegen de klippen op
met hooge, ronde kammen dik schuim. De lucht is daarboven éen wijde
koepel, waardoor groote gebergten van wolken drijven, grijs-wit. Zij
komen langzaam aan, vullen den hemeldom met hunne wisselende
schijnmassa’s, als van rots- en alpenketen, die zouden zweven op
atmosfeer, en drijven langzaam weêr voort, weg. De zee heeft er een
smal strand, met veel verbrokkeld klip; zeer nabij donkert zwart-groen
dennenbosch. Half als tegen de klippen aan, op de duisternis van het
bosch als achtergrond, rijst het oude Altseeborgen. Het is een verweerd
kasteel, waaraan de opkrullende golven schijnen te knagen; zijne drie
hooge, ongelijke torens bouwen zich zwaar rond de lucht in. De weg naar
het kasteel loopt van uit het bosch terrasachtig op, opglooiend, breed,
leidt naar het achterplein, waar de hoofdingang is. Om het kasteel,
breed heen, traptreden zich de granieten terrassen, met hunne ruwe
balustrades, waarvan de hardsteen opgegeten is door de zoute lucht. Die
terrassen zien, naarmate ze stijgen, wijder uit over de zee; van af het
hoogste terras ligt de zee als éen groot segment van vreemde
bewegelijkheid, levend element, aan tegen het strand links, en rechts.
Over de zee zwaaien de Zuidewinden op het kasteel aan; het dennenbosch
beschermt het veel voor de Noordelijke vlagen.
Van den hoogsten toren flappert een ontzachlijk zeil van dundoek uit,
en doet er vroolijk in de lucht: twee banen geel en er tusschen een
witte baan, waarop de donkere vlak van den gekanteelden burcht, die het
wapen van Gothland is. Het is er op den zonloozen morgen een glimlach
aan den hemel; het zwelt en valt weêr slap en laat zich hoog op weêr
blazen door den wind, die frisch aanwappert over het water.
Een jonge man en een jong meisje loopen aan het strand; ze praten,
glimlachen, zien elkander aan. Zij is grooter dan hij, zeer blank;
onder den kleinen matrozenhoed waaien enkele harer, even rosgoudbruine,
haren, verward door den wind, om haar gezicht; onophoudelijk strijkt
zij ze weg. Zij draagt een eenvoudigen blauwen serge rok en witte
blouse, een breeden leêren ceintuur om het middel. Hare elegante
voetjes zijn telkens door den wind geheel zichtbaar, in de zwart zijden
kousen en gele leêren schoenen. Een paar handschoenen zwaait ze
luchtigjes in de hand.
De jonge man draagt een licht, geruit zomerpak, en een strooien hoed.
Hij is klein, tenger; zijne oogen hebben een zwarten blik van zachte
melancholie. Hij schijnt aan het meisje naast hem een verhaal te doen
van reizen; zij luistert met haren glimlach toe.
Om hen heen, trots den wind, is de atmosfeer die eener wijde rust.
Langs het strand loopende, komen zij voorbij het kasteel, gaan het
achterom en zien naar boven. Uit een der vensters wuift iemand vroolijk
met de hand, en roept iets. Zij pogen te hooren, de hand aan het oor,
maar halen de schouders op: de wind waaide de woorden weg. Nog eens
wuiven zij, en gaan door.
Zij gaan echter niet ver, altijd langs het strand. Ginds ligt het
visschersdorp, liggen een paar kleine villa’s, optrekjes. Een ervan
schijnt juist, voor een vacantie-maand zeker, bewoond door eene groote
familie; drukte van stemmen gonst naar buiten, kinderen rennen elkaâr
aan het strand na; een klein meisje bonst in haar vaart tegen den
jongen man aan.
—Hola, zegt hij vriendelijk, en lacht; lachende gaan zij door.
De kinderen rennen verder. Een visscher komt met zijn netten aan,
grinnikt goedig en mompelt een groet. Een dikke dame in de verandah
heeft de jongelieden nieuwsgierig nagekeken; ze ziet den visscher
groeten, houdt hem staande.
—Wie is die dame met dien heer?
De visscher wijst goedig naar Altseeborgen.
—Van het kasteel.
—Maar wie dan? zegt de dame verschrikt.
—Wel, die meneer is de prins van Liparië en de juffrouw is een
Oostenrijksche prinses, zegt de visscher, alsof iets anders onmogelijk
ware.
De dame ziet het vorstelijke paar ontzet na en kijkt dan in wanhoop
naar hare rennende kinderen. De jongelieden keeren juist terug op hunne
heen-en-weêr-wandeling; ze lachen nog vroolijker nu en haasten zich een
beetje vlugger naar het kasteel, alsof ze zich verlaat hebben. De dame,
bleek nog, durft geene excuzes maken, maar maakt eene diepe buiging;
zij krijgt een vriendelijken groet terug.