Dien avond, vóor Othomar met zijne adjudanten naar het diner bij den
Franschen gezant zoû gaan, hield hij Dutri staande:
—Ik zie, dat hare Excellentie, de hertogin, u zeer vertrouwt, prins,
sprak hij kort. Ik wil niet betwijfelen of haar vertrouwen misplaatst
is. Maar ik verzeker u dit: dat zóo het ooit mocht blijken, dàt het
misplaatst was, ik dit nooit—noch nu, noch later vergeten zal...
Dutri zag vreemd op: hij hoorde daar zijn aanstaanden keizer spreken.
Toen maakte hij een moue als een boudeerend kind en sprak:
—Ik kan niet zeggen, dat Uwe Hoogheid zeer dankbaar is voor de
gastvrijheid, die ik Haar heb aangeboden.
Othomar glimlachte pijnlijk, reikte hem nu de hand...
—Of dat het vriendelijk is van Uwe Hoogheid mij van dàag met Hare
ongenade te bedreigen, ging Dutri voort.
—Ik ken je, Dutri, sprak de prins aan zijn oor. Ik ken je tong. Daarom
alleen waarschuw ik je... En, nu in Gods naam, zwijg hier verder over,
want dit... dit alles doet me pijn...
Dutri zweeg en vond hem een kind en een vorst tegelijk. Hij haalde in
stilte zijne schouders op om Othomars weêrgâlooze naïviteit, maar hij
huiverde als hij dacht aan eene mogelijke ongenade. Hij had geen
fortuin; zijne pozitie bij den kroonprins was zijn leven, zijne
ambitie, zijn alles, voor nu en voor later: als de prins keizer zijn
zoû...! Hoe blij was hij eerst geweest, dat Alexa hem alles verteld
had, dat hij een geheim wist van zijn prins, die nooit geheimen scheen
te hebben! Eene vage vreugde, dat dit geheim hem macht zoû geven over
zijn toekomstigen keizer, was reeds door zijn hoofd vol luchthartige
berekening gefladderd. En nu, nu dreigde de prins hém, ontzenuwde dus
die macht al in den aanvang! Dutri had nu bijna spijt, dat hij in dit
geheim was opgenomen; hij vreesde zelfs, dat de keizer er iets van zoû
hooren, dat hem de ongenade van den vader al treffen zoû, voor die van
den zoon...
—Had Alexa me er dan ook maar nooit ingehaald! klaagde hij nu bij
zichzelven met zijne oppervlakkige wisselvalligheid van gedachte.
Maar hoewel Dutri zweeg, en zelfs tegensprak, werd er over de liaison
van den kroonprins gesproken, misschien alleen naar aanleiding van de
zegevierende blikken van Alexa, als Othomar, op een soirée, op een bal,
een oogenblik tot haar sprak. De tegenspraak van Dutri, die men kende
als een klap-uit, bracht echter verwarring, en men wist niet waaraan
men zich te houden had en wat de waarheid was.
Gelukkig om die liefde voelde Othomar zich echter niet; de woeste
passie van die vrouw met haar brandende blikken, die hem het eene
oogenblik overweldigde door hare zoenen, het andere voor hem neêrkroop
als een slavin en aan zijne voeten brak in nederigheid voor haar
aanstaanden heerscher, verbaasde hem eerst, sleepte hem in sommige
wanhoopsbuien meê, maar wekte in hem op den duur een gevoel van onwil
en tegenkanting. In het geparfumeerde appartement van den jongen
adjudant, waar zij elkander zagen, en dat coquet was, als het boudoir
van een jong meisje, gecapitonneerd als een bijouteriekist, kreeg hij
soms lust die vrouw, die hem toch met hare vreemde ziel liefhad en hare
liefde niet veinsde, van zich af te stooten, haar te trappen, te slaan.
Zijn temperament was niet voor zoo brutalen hartstocht. Het was of zij
schudde aan zijne zenuwen. Hij walgde soms van haar. En toch, een enkel
woord van hem, en ze bedwong hare woestheid, zonk nederig naast hem
neêr, streelde zacht zijne hand, zijn hoofd, en hij kon er niet aan
twijfelen, dat zij hem aanbad, misschien wel een weinig omdat hij de
kroonprins was, maar toch ook veel om hemzelven.
Zoo was het April geworden, en bijna reeds zomer; de Syrische vorsten
zouden komen. Ze waren eerst bij den Sultan geweest en daarna aan het
hof te Althene. Door Liparië zouden zij naar de Noordelijke rijken van
Europa gaan. Op den dag hunner aankomst fladderde Lipara van vlaggen;
de, al zoo straffe, zuidezon regende goud over de witte stad; de haven
azuurde in lichte rimpeling. Eene gonzende menigte: gebruinde
gezichten—vele nog bont nationaal gekleede landlieden uit
Thracyna—wemelde en drong over de kaden. Op het azuur van het water,
als op liquide metaal, dreven de pantserschepen, welke de vorsten,
verwelkomende, zouden binnen halen, naar den mond van de haven uit.
Daar, op de Xaveria, waren met hun gevolg van admiralen en
schouten-bij-nacht, de beide prinsen Othomar en Berengar, en hun
schoonbroêr, de aartshertog van Karinthië. Tallooze kleine bootjes
gleden snel over de zee heen, als waterspinnen.
Een schot van Wenceslas-fort, den straffen ether verscheurend, meldde
het oogenblik, dat de kleine vloot het Syrische yacht ontmoette, en de
Oostersche vorsten dit verlieten voor de Xaveria. Uit de villa’s aan de
kaden, uit de bootjes met toeschouwers, richtten zich de binocles naar
het verschiet van in licht zwijmelende blauwte, waarop de schepen nog
zichtbaar trilden. Een half uur daarna golfde, als van het Imperiaal
af, het gejuich der menigte aan en golfde luider op en luider naar de
haven toe. Door de haie der grenadiers, die stonden van het paleis tot
het paviljoen, waar de hooge gasten zouden aan wal komen, reden de,
door jockey’s bereden, landauers, aan, waarin Hunne Majesteiten zaten.
Hen volgden de equipages der beide zusters, de aartshertogin van
Karinthië en Thera, en van het gevolg.
De vloot, het Syrische yacht omringend, was de haven weêr binnen
gedreven. Door de eerewacht der Troongarde heen, tusschen de draperieën
van purper en vlaggen, zag de menigte iets van begroeting der vorsten
in het paviljoen. Men galmde leve’s!; daarna reed de stoet naar het
Imperiaal, de keizer met den koning van Syrië in het eerste, de
keizerin met de koningin in het volgende rijtuig; daarachter de
landauers met de prinsen en prinsessen en het gevolg.
Een roes van feesten en vertoon volgde. Na de tragedies der
overstroomingen en der Parlementscrizis woei eene vroolijkheid van
humor over de, in de zon glinsterende, rezidentie heen en duurde laat
tot in de verlichte zalen en parken van het Imperiaal toe. Die humor
was om de Oostersche vorstin. Den koning van Syrië vloeide misschien
nog een paar druppelen van het bloed van Salomo door de aderen. Maar de
koningin was niet van vorstelijke afkomst. Zij was de dochter van een
der Syrische grooten en de naam van hare moeder werd niet genoemd in
den Almanach de Gotha. Die moeder was zeker een favorite van
twijfelachtig adellijke herkomst, maar wat zij precies geweest was,
wist niemand. Een demi-mondaine uit Parijs of Weenen, die in het Oosten
was gestrand en er fortuin had gemaakt in den harem van een grooten
Syriër? Eene half Europeesche, half Egyptische danseuze uit een
danshuis van Caïro of Alexandrië? Wat ook, hare gelukkige dochter, de
koningin van Syrië, vertoonde onloochenbaar eene mengeling van bloed,
iets Oostersch’ en Europeesch’ samen. Naast den echt Semitischen type
van den koning, die iets nerveus deftigs had in zijne half Europeesche,
half Orientalische uniform, waarop de diamanten schitterden, had de
vorstin, dik, klein, mollig, zachtbruin, het exuberant glimlachende, en
bewegelijk wiegende van ledematen, het draaiende van hoofd en werkende
van oogen eener kleurlinge. Hare eerste verschijning al, in het
rijtuig, naast de delicate figuur van keizerin Elizabeth, in kleurig
reistoilet en hoed met groote pluimen, overvloeiend vriendelijk buigend
en lachend naar alle zijden, had de Lipariërs, gewend aan de koele
hoogheid hunner vorsten, met eene vroolijkheid doortinteld, die
onuitbluschbaar scheen. De Syrische vorstin werd het topic van alle
gesprekken en om haar tintten alle gesprekken zich met een glimlach van
ondeugd. Daarbij scheen zij zoo in-goed, dat men onmogelijk kwaad van
haar wist te vertellen en zich alleen maar om haar amuzeerde. Men
herinnerde zich, dat de Syrische potentaten fabelachtig groote giften
om de overstroomingen hadden geschonken. En de humor, die over Lipara
woei, was een zuidelijke humor, zonder kwaadmeenen en alleen maar
goedlachs of schaterend van pleizier, omdat de Lipariërs nog nooit zoo
een grappige koningin gezien hadden.
De groote manoeuvres hadden plaats op het Marsveld. De koning
vergezelde den keizer en de prinsen te paard met hun zwerm van
Europeesche en Oostersche adjudanten. De vorstinnen en haar gevolg
wachtten de défilé’s in landauers af. Berengar marcheerde dapper in
zijne compagnie grenadiers, waarin hij luitenant was, meê, wat zijne
korte beentjes marcheeren konden, en hield zijn gezichtje strak, om de
moeite niet te verraden, die hij had de lange stapbeenen bij te houden.
De huzaren verbaasden den Syrischen vorst om hun één-zijn met hunne
paarden, als zij in woesten rit zich half afwierpen naar den grond toe,
en raapten in stormender vaart een vlag van den grond, zich weêr
zwaaiden met éen kreet op en wuifden het doek. De Afrikanen voerden hun
zwierige fantazia’s uit, drilden de speren, die bliksemden als
losrakende bundels stralen, en wapperden aan in wolken van witte
burnousen en stof, waarin hunne negerkoppen met tallooze zwarte vlekken
wemeldonkerden en vonkten van oogen.
Verder een tornooi, garden-party’s, races, regatta’s, volksspelen en
vuurwerk. Lipara was éene stad van pleizier. Iederen dag gingen door
haar heen gangen van vorstelijkheid, flikkerde de stoet van uniformen
als levend goud, ratelden de keizerlijke landauers in de zon als met
wielen van schitterende spaken door de lichte stof, die van het
vierkant plaveisel der stad opstuivelde. Als druppelen wit vuur
flonkerden het meest de diamanten, die de Syrische monarchen zelfs
droegen op straat. Des avonds, als de zon niet meer schitterde,
schitterden over de vaag witte avondstad aan hare violette haven,
salamander-festoenen en kleurige vuurbrugketens factice hel onder de
stille zilverblikken der sterren; bouquetten vuur vielen sissend in het
water, waarop de bootjes zwart werden; ze lieten een lichte benauwdheid
van kruitdamp na, in den nacht.
In de groote Zuilenzaal volgden de ceremonieele gastmalen elkander op,
met een vertoon van fabelachtig kostbaar gouden vaatwerk. De koningin
van Syrië sleepte er hare curieuze theaterkostuums heen, den breeden
boezem steeds overdwarst door een blauw ordelint vol plaques; hooge
pluimen, waaraan diamantjes hingen, in het haar. Ze praatte druk,
dankbaar voor de liefheid harer Liparische Vrienden, voor het genot en
het gejuich. Hare overvloeiende gebaren maakten ieder vroolijk,
brachten humor in de Liparische statie, vol etiquette. Elizabeth zelve
moest er om glimlachen. De koningin speelde hare vorstelijke rol met
het aplomb eener slechte actrice, die goedig is. Zij sprak ieder aan,
strooide de minzaamheid harer klein-mollige, bruine majesteit over
ieder in kleine atoompjes heen. Naast haar bleef de koning deftig, wijs
kijkend als Salomo. De keizer prees hem als een verstandig vorst, met
ruimen blik; de koning was reeds meermalen in Europa geweest. De
Syrische adjudanten waren ook deftig, kalm, een beetje stijf, zich
vormend naar westelijke zeden; de hofdames der koningin droegen wat
vreemd hare Parijsche of Londensche sleeptoiletten, maar bleven er
tenger in, bevallig bruin, met kroeskopjes en lange gespleten oogen: ze
zouden toch mooier geweest zijn in wat gedrapeerd goudgaas.
Twaalf dagen bleven de Syriërs, vóor ze naar Italië zouden gaan. Het
was de voorlaatste avond: in het Imperiaal was een suite van veertien
zalen om de groote danszaal verlicht voor een bal. Er waren drieduizend
invitaties gedaan. Op het voorplein en in de aangrenzende hoofdstraten
stonden de grenadiers.
De danszaal was aan de achterzijde van het paleis; de hooge
balkonvensters waren open en zagen over de balustraden heen in de
donkerten van het platanenpark. Uit de palmengroepen der galerij
schalmde het orkest. De quadrille d’honneur had zich gevormd, in het
midden der zaal; de keizer en de koningin, de koning en de keizerin, de
aartshertog van Karinthië met Thera, en Othomar met de aartshertogin.
De andere officieele quadrille’s vormden hare figuren om ze heen. De
honderden gasten zagen toe.
Van het regenbogende rotskristal der kronen vloeide electrisch licht in
witte lichtvakken uit de koepelende hoogte, gleed langs de marmeren
mozaïek-wanden en porfieren zuilen der zaal en drupte in millioenen
flikkeringen op de gladde facetten der juweelen, op het goud der
uniformen en galarokken, op de waterende witte brokaten der slepen
neêr; want het wit was voorgeschreven; alle dames waren in het wit en
de sneeuw der fluweelen, de lelieglans der satijnen zilverden van het
licht. Eén verblindend gewemel van glans doorleefde de immense zaal met
zijne flonkerwisselingen. Want het licht bleef nooit, wisselde
onophoudelijk zijn helste punt, maakte het bal tot éen caleidoscoop van
schittering. Het licht guldde op iedere galon, liet zich vangen in
elken brillant, bleef aan iedere parel hangen. De muziek scheen met dat
licht éen te zijn; het koper weêrgalmde als goud.
De hertogin van Yemena stond in een groep van diplomaten en adjudanten;
hoog op rees ze in hare schoonheid, die in dit gewissel van
lichtvonkeling sculpturaal prachtig was. Zij scheen kolossaal groot
door den zwaren pli-Watteau, die van haren rug af sleepte, in wit
broché. Zij droeg hare tiara van smaragd en brillant, en dezelfde
groene steenen sparkelden in een groote juweelen bloemtak, die over
haar corsage heen bloeide.
De keizer naderde haar; ze knakte in hare beroemde nijging neêr, en
Oscar sprak een oogenblik schertsende met haar. Toen de keizer verder
was gegaan, zag zij den kroonprins naderen. Zij neeg weêr, hij boog
glimlachend en bood haar den arm. Langzaam gingen zij door de zaal
heen.
—Ik heb u iets belangrijks te zeggen, fluisterde hij in een stem van
conversatieklank.
Hij kon zich niet met haar verwijderen; men zoû hen missen. Ze bleven
dus door de zalen wandelen.
—Ik heb U in zoolang niet gezien... alleen! fluisterde zij verwijtend
terug, met die zelfde stem. En wat had... Uwe Hoogheid mij te zeggen?
Voorzichtig spraken ze, den glimlach van koele conversatie op de
lippen, het geluid van hunne stemmen dempende tusschen hen in,
schijnbaar onverschillige blikken werpende om hen heen, of men ze niet
hooren kon.
—Iets,... dat ik u al lang had willen zeggen... Een besluit, dat ik
nemen moet...
De woorden kwamen hem telkens afgebrokkeld over de lippen, en niet
klinkende met hun waar accent, uit voorzichtigheid. Zij merkte, dat hij
haar een groot nieuws mede zoû deelen. Zonder dat ze wist waarom,
beefde ze... Hijzelve wist niet of wat hij deed, wreed was of niet: zoo
kende hij deze vrouw niet. Maar hij wist wel, dat hij met opzet dit
moeielijke oogenblik gekozen had voor zijn onderhoud, omdat hij niet
wist, hoe zij het dragen zoû. Hoe zij het dragen zoû in een
tête-à-tête, als zij toe kon geven aan hartstochtelijkheid. Hier wist
hij het, hoe zij het dragen zoû: glimlachend, als vrouw van de wereld,
zelfs al werd het haar tot smart. Misschien was hij toch wèl wreed...
Maar het was nu te laat: hij moest doorgaan.
Zij zag tot hem op, de pluimen van den waaier bewegend. Hij vervolgde:
—Een besluit... Als onze Syrische gasten weg zijn... ga... ik op
reis...
—Waarheen, Hoogheid?
—Naar... verschillende hoven... van Europa...
Zij vroeg niet meer; haar glimlach bestierf; toen glimlachte ze weêr
als een automaat. Zij vroeg niet meer, omdat zij wel wist wat het
beteekende als een kroonprins een reis ging doen naar verschillende
hoven van Europa. Dat beteekende een bruidvaart. En ze zeide alleen, en
haar stem kon niet anders klinken dan als een klaagtoon:
—Zoo gauw al...
Zoo gauw al... Zóó kort zoû haar keizerlijke roman duren! Zij had wel
geweten, dat zoo het einde zoû kunnen zijn, want zij wist hem te rein
om haar te laten naast eene jonge gemalin. Zij had zich ook al zoo een
einde voorgesteld over een jaar, twee jaar misschien, zij zich
terugtrekkende, en ze had zich voorgesteld, dat ze het doen zoû zonder
rancune voor hare jonge, aanstaande keizerin. Maar nu al! Zoo gauw!
Nauwelijks eenige weken! Zoo kort had nog géen roman in haar
liefdeleven geduurd! Zij voelde er een smartelijken weemoed om, vocht
waasde over hare oogen en de lichtwisselingen van het bal trilden voor
haar heen als door water. Telkens vergat zij te glimlachen, maar zoodra
zij er aan dacht, glimlachte zij weêr.
—Zoo gauw al...?
—Het moet...
Ja, het moest, het kon niet anders. Voor haar was het het einde van
haar leven. Wanhoop voelde ze er niet om, om dat einde; alleen maar
smartelijken weemoed. Het zoû gedaan zijn. Na dezen keizerlijken roman
geen andere. O, neen, nooit meer. Ze zoû hare jeugd er aan geven; hare
stiefdochters zoû ze in de wereld brengen. Ze zoû dankbaar zijn, dat ze
geleefd had, en nu oud worden. Maar oud... Ze was nog zoo jong, ze
voelde zich nog zoo jong. Ze merkte nu eerst hoe ze haren kroonprins
liefhad. En ze had gaarne weg willen zijn, uit de schittering van dat
feest, om, alleen, hem nog eens te omhelzen, voor het laatst... O, die
weemoed van alles, wat eindigen moet, alsof alles niets meer is dan
geur, die vervliegt...
—Ik vertrouw op u, mevrouw... sprak hij nu; ik hoop, dat u van die reis
niets zeggen zal. U begrijpt, het is alles nog een geheim; er is nog
geen keuze gedaan... er is alleen maar even over gesproken geworden met
Hunne Majesteiten en Myxila. Niet waar, ik vertrouw op u?
Zij knikte glimlachend van ja, ja...
—Maar ik wilde het u toch nu al zeggen, ging hij voort.
Zij glimlachte weêr. Op dit oogenblik scheen achter het paleis, onder
het paleis, waar...? een vreemd onweêr uit te barsten. Door het gegalm
der muziek en het getril van het licht heen, daverde een donderslag en
rommelde door. Het was of de bliksem was ingeslagen, want door de open
ramen, dadelijk na, hoorde men van een der achterzijvleugels van het
paleis een ratelenden warrelval van steenen, die in de lucht geslingerd
schenen, van groote balken, die onbehouwen neêrstommelden, van
glasscherven, die schel naar alle zijden schenen uit elkaâr te
springen...
De muziek was in eens verstomd. De uniformen, de sleeptoiletten storten
zich naar de open balkons, die op het park zagen, maar de nacht was
donker, het park was stil. Een paar laatste balken schenen nog na te
rollen, met een laatst afgruizelen van steen...
In de schelle tinteling van het electrische licht waren de gezichten
doods wit geworden als van cadavers. In verschrikking staarden de oogen
elkaâr aan. De hertogin was half tegen Othomar aangezonken, toen zij
Elizabeth met dolle, wezenlooze oogen voorbij hen zagen ijlen, een deur
uit; hare lange, witte fluweelen sleep slierde haar radeloos, den hoek
om, achterna. De grootmeesteres volgde haar, en Hélène van Thesbia. De
keizer scheen haastig den ceremoniemeesters bevelen te geven, verliet
toen ook het bal, met eenige officieren.
Kort daarop echter klaterde weêr de muziek van de loggia der galerij
af. Men zag vele adjudanten en ordonnans-officieren voor hunne dames
buigen; de dames bevende rijzen. Het bal werd vervolgd; in de wendingen
van den wals namen de uniformen en slepen weder de vorige schitteringen
aan. De glimlachen schenen echter als weggeveegd te zijn van de
gelaatstrekken, en de doodsbleeke gezichten der walsers maakten van het
bal een macabere ommegang.
Leonie, sidderend, boog voor Othomar.
—Een dynamiet-ontploffing, onder in de kelders van den westelijken
achterzijvleugel. De antichambres van het appartement van Zijne
Majesteit zijn vernield. Zijne Majesteit verzoekt Uwe Hoogheid alles in
het werk te stellen, om het bal te laten voortgaan. Alle officieren en
hofdames zijn bevolen te dansen.
De hertogin klemde Othomar’s arm, viel bijna flauw. Rondom hen heen
ging de mare. De adjudanten sleepten hunne dames meê als half
zwijmende. Men zag er een paar flauw weggebracht worden. De koningin
van Syrië stond wezenloos aan de zijde van den aartshertog van
Karinthië, die zijn arm om haar zwaar middel sloeg ten dans. Ze scheen
nog niet tot besluit te kunnen komen.
Othomar rondde zijn arm om de hertogin.
—God, ik kàn niet... stamelde zij. In Gods naam, Hoogheid, ik kan
niet...!
—Het moet, sprak hij. Zijne Majesteit wil het...
—Zijne Majesteit wil het... herhaalde zij.
Hare beenen trilden onder haar als met electrische sidderingen. Toen
liet zij hem haar nemen en zij dansten. Allen dansten.
De keizerin was de trappen en galerijen naar de slaapverdieping
opgehold. Zij zag niet, dat een paar dames haar volgden: zij rukte een
deur open.
—Berengar!! kreet zij uit.
De slaapkamer van den jongen prins was verlicht. Het kind had zich, in
zijn hemdje, al half van zijn veldbed gericht. Zijn kamerdienaar en een
kamenier stonden ontzet in het midden van de kamer.
—Berengar!! hokte de keizerin juichend, toen zij hem ongedeerd zag.
Zij sloeg hare armen om hem heen, drukte hem aan hare borst.
—O, mama, u doet me pijn! riep het kind geërgerd.
Hare juweelen hadden hem even bloed geschramd aan zijne kleine bloote
borst. Zij omhelsde hem nu zachter, met zenuwachtige snikken, die
stokten in hare keel. Een touffe van brillanten struisveêren viel op
den grond; de kamenier raapte ze op, met vingers, die niet grijpen
konden.
—Mama, laten ze het paleis in de lucht springen?!
—Neen, Berengar, neen, er is niets...
—Mama, ik wil er naar toe!! Ik moet zien, wat er van is.
—Berengar...
De deur was open gebleven; de keizer kwam binnen, rustig. De dames
stonden op den corridor, te wachten op de keizerin...
—Papa, mag ik meê, met u, kijken?
—Neen, Berengar, er is niets te zien. Ga slapen...
Toen boog hij zijn arm tot Elizabeth.
—Mevrouw... sprak hij koel.
Zij sloeg een smeekenden blik naar hem op. Hij bleef haar den arm
bieden. Toen kuste zij nog eens den jongen, vleide hem nu zacht aan tot
slapen.
—Wacht even... stamelde zij tot Oscar.
Zij ging naar den spiegel; de kamenier met hare onhandige vingers
bevestigde de juweelen touffe aan den rand van het open corsage,
plooide den vierkanten sleep uit.
—Ik ben klaar, sprak de keizerin tot Oscar met eene doode stem.
Zij nam zijn arm, de keizer drukte haar even de hand, en zij knikte
Berengar nog eens toe, en gingen.
Geärmd verschenen de vorsten ten tweeden male op het bal. De keizerin
was bleek maar glimlachte. Zij was prachtig, delicaat van teedere
majesteit in het uitslepende witte fluweel, waarop aan het corsage en
over den rok van voren, touffes van brillanten struisveêren, in den
vorm van fleurs-de-lys, flonkerden. Een kleine keizerinnekroon van
brillanten kroonde haar klein rond hoofd.
Het was twee uur. Meestal waren de vorsten gewoon tot één uur op de
hofbals te blijven. De koningin van Syrië echter in haren exuberanten
levenslust, had hen verzocht langer te blijven. Zij hadden toegegeven.
Waren zij om éen uur gegaan, dan had de ontploffing plaats gehad op het
oogenblik, dat Oscar waarschijnlijk zijn appartement juist binnen zoû
gegaan zijn. Men had eerst gesproken over de antichambres alleen: het
scheen nu toch, dat er ook groote schade veroorzaakt was aan het
kabinet zelve van den keizer.
Het souper begon. Men soupeerde in eene groote zaal; uit iedere tafel
rees een palmboom, en de zaal was er een woud van palmen door. De grond
was met een gouden zand bestrooid, dat, met het loopen, over de slepen
heen poeierde. Electrisch licht scheen door de lange bladeren heen als
maneschijn. In dien maneschijn bleven de gezichten doodwit, als vlakken
van krijt, boven het glinsterend kristal en al het gouden vaatwerk. De
muziek klaterde met zware cymbelslagen van koper.