V.

Aan Hare Koninklijke Majesteit Olga,

Koningin van Gothland.

Lipara, Imperiaal, Mei 18..

Mijn liefste zuster.

Eindelijk kan ik u den brief schrijven, dien ik al sedert lang in

gedachten aan u schreef. De drukte van onze goede Syriërs is voorbij en

Lipara weêr kalm. Ik kan tot nadenken komen. Maar mijn nadenken is

niets dan treurigheid. Ziehier waarom, Olga.

Ik geloof, dat Othomar zieker is, dan de doktoren het inzien. Hij is

magerder geworden en ziet er zeer slecht uit. Hij klaagt nooit veel,

maar verleden zei hij me toch, dat hij zich dikwijls moê voelde. De

doktoren meenen, dat hij eenigen tijd rust noodig heeft en raden een

lange zeereis aan. Zijne reis door Europa, waarover ik u verleden

schreef, zal dus uitgesteld moeten worden. En nu kom ik met het

volgende verzoek tot u.

Ik weet, dat Herman spoedig een groote vaart op den Viking gaat doen

naar Oost-Indië, Japan en Amerika, en het zoû op dit oogenblik mijn

liefste verlangen zijn als Othomar hem zoû mogen vergezellen. Toen de

doktoren een zeereis aanrieden, sprak ik er met Oscar over, maar wij

kwamen tot geen besluit. Mijn kind namelijk heeft geene vrienden van

zijne jaren, Olga, en dat maakte me zoo treurig, en we wisten, niet

hoe, en met wie, we hem de reis zouden laten doen op eene wijze, die

genoegen voor hem zoû zijn en geene eenzame verbanning uit ons midden.

Hij is heel wel met zijne adjudanten, maar dat is toch niet wat ik zoû

wenschen: een hartelijke, gemeenzame, vertrouwelijke vriendschap met

iemand van zijne jaren, met wien hij eenigen tijd samen zoû zijn,

geheel voor genoegen en ontspanning.

Ik weet wel, dat het een beetje aan mijn kind zelve ligt, aan dat zeker

gemis van gemakkelijkheid om open te zijn en tot zich te trekken. Maar

hij heeft toch eigenschappen, waarom men hem zeer zoû kunnen beminnen,

zoo men ze wist, zoo hij ze liet uit komen. Niet waar, u houdt toch ook

van hem, Olga, en het is niet alleen mijn eigen blinde moederliefde,

die mijn kind beminnelijk en sympathiek ziet? En daarom zoû ik zoo

ingaarne hebben, dat Herman hem wilde meênemen en hem beter leerde

kennen; wie weet of zij dan elkaâr niet zouden leeren liefhebben.

Othomar vertelde mij al, dat ze op hunnen tocht in het Noorden van ons

land, elkaâr meer genaderd waren dan zij ooit dachten te zullen doen,

maar het was een drukke tijd; ieder oogenblik was met plichten en

bezigheid gevuld en zij hadden geen tijd om met elkaâr te spreken en

elkaâr te leeren kennen. Maar toch, in zulk een moeilijken tijd van

samendoen kan men elkaâr ook leeren kennen zónder spreken; hoe het ook

zij, zij zijn elkander reeds vriendschappelijker geworden; vroeger was

het, tot mijn innig verdriet, Olga, antipathie; ze wilden elkaâr zelfs

niet ontmoeten, zelfs uiterlijk was er niets dan koelheid tusschen hen;

o, wat heeft mij dit alles leed gedaan, als ik onze jongens zoo tegen

elkaâr zag doen en mij herinnerde hoe wij waren, Olga, toen wij jonge

meisjes waren op ons mooi oud slot bij Boekarest. Hoe leefden wij niet

geheel met elkaâr! Olga, Olga, wat is dat alles treurig lang geleden!

Onze ouders zijn nu dood, onze broêrs verspreid, het slot is verlaten,

en wij zijn gescheiden: wanneer zien we elkaâr? Nauwlijks een paar

dagen nu en dan, als wij ergens samentreffen voor een huwelijk van

bloedverwanten: rustelooze dagen altijd, waarin we toch niets aan

elkaâr hebben. Dan, soms, niet eens ieder jaar, een paar weken, of in

Gothland, of hier. U verwijt mij wel eens, dat ik, die zooveel van

Gothland hoû, zoo weinig bij u kom, maar het is altijd de zelfde reden.

Oscar verlaat niet gaarne Liparië, en ik kan mijn man niet verlaten. Ik

kan sterk zijn naast hem, maar alleen ben ik zoo zwak, Olga. Dat hèm

iets zoû kunnen overkomen, waarin ik niet deelen zoû, vermeerdert mijn

angst ondragelijk. Ik heb het nog onlangs zoo gevoeld, toen ik met

Thera te Altara was; ons bezoek was aangezegd en verplichtend, niet

waar, en hoe ongaarne ik Oscar verliet, het moest. Het was juist in

dien moeilijken tijd; Lipara in staat van beleg! Maar Oscar wilde het

en ik ben gegaan. O, wat ik toen geleden heb!

—Maar ik wen mij aan mijn angst, ik klaag niet en neem het leven op,

zooals het ons gegeven wordt; ik hoop alleen maar, dat mijn jongen het

ook zoo zal leeren opnemen. Misschien zal hij dit leeren. Het is wel

moeilijker voor hem, want hij zal meer moeten handelen dan zijne

moeder, die veel passiever zijn kan als vrouw, en het is gemakkelijker

passief te leeren berusten, dan handelend. Maar, de Heiligen zullen hem

zeker later kracht geven zijn lot te dragen en zijn kroon; hier

vertrouw ik op. En toch, o Olga, onmetelijk is de weemoed in mij, dat

wij vorsten zijn! Maar laat mij hier niet verder over doorgaan: het

maakt zwak, het is niet goed, het is niet goed...

Er is nog een geheime reden, dat ik Othomar gaarne weg zoû hebben van

Lipara, al kost het mij ook altijd zoo veel, te scheiden van mijn

lieveling. Er schijnt toch iets waar te zijn van die geruchten over de

hertogin van Yemena: Oscar heeft er Myxila naar gevraagd, en die kon

het niet loochenen, en zeide zelfs, dat het algemeen bekend was. Ik doe

mijn best er maar niet te veel verdriet over te hebben, Olga, maar ik

vind het een vreeselijke zaak. O God, laat mij er maar niet verder over

denken of schrijven; het gaat mij anders zoo warren in mijn arm hoofd.

Wat kan mijn kind zien in een vrouw, die ouder is dan zijne moeder! Wat

zijn die dingen toch vreeslijk in de wereld, Olga, en wat zijn er toch

vrouwen, die wij nooit zullen begrijpen, want temperament is toch niet

álles: iedere vrouw heeft toch haar hart, en daarin moesten wij toch

allen elkaâr weêrvinden, maar het schijnt zoo niet te zijn. Ik neem, in

mijn verdriet hierover, maar aan, dat die vrouw mijn jongen liefheeft

en daarom haar man bedriegt. O, het is ook zoo slecht van mijn kind;

waarom moet hij zoo zijn, hij is anders zoo goed! Ik neem dat nu maar

aan, dat ze hem liefheeft; verleden was het mijn laatste Handkus, de

cour, waarmeê, zooals je weet, alle winterfeesten eindigen, en toen ze

me naderde en voor me boog en op mijn hand hare lippen drukte, voelde

ze zeker mijn afkeer en mijn verdriet van mijne vingers afstralen, want

ze richtte zich uit hare buiging op, met een wanhopigen angst in hare

oogen en iets van een snik in hare keel! Ik bleef haar koel aanzien,

maar ik had toch medelijden met haar, Olga, want als een vrouw van onze

wereld zich zóo slecht kan beheerschen op een ceremonieel oogenblik

voor hare vorstin, moet hare ziel wel zeer geschokt geweest zijn:

gelooft u dit ook niet met mij?

Wij hebben nu rust. Over een week gaan we onze zomerkwartieren

betrekken in Xara, op Castel Xaveria; het wordt hier al zeer warm. Voor

dat wij gaan, zoû ik zoo gaarne een antwoord van u ontvangen hebben en

weten hoe Herman mijn verzoek opneemt. Ik weet, dat hij veel van mij

houdt, en het zeker gaarne zal inwilligen, niet waar, en dat hij om mij

zal probeeren Othomar lief te hebben; en laat me toch haasten er bij te

voegen, dat het ook de innigste wensch van Othomar is met Herman mede

te gaan. De zeereis lokte hem eerst in het geheel niet toe, omdat hij

niemand wist om meê te nemen en hij zeide, met ons maar naar Castel

Xaveria te willen gaan, maar toen ik van Herman sprak, vereenigde hij

zich geheel en al met mijn plan.

Olga, wat zal ons de zomer geven? Rust of niet? Ik durf het maar niet

hopen. De winter is gruwelijk geweest; onze Noordelijke gouvernementen

zijn nog niet de ramp te boven. De ellende is er niet te lenigen. Er

heerschen gevaarlijke tyfeuze koortsen, en vele gevallen van cholera

zijn voorgekomen. De grèves in het Oosten zijn nu gedaan, maar ik ben

zoo bang voor dat bedwingen met ruw geweld. O, als alles maar met

zachtheid kon gebeuren! Die aanslag op Othomar en de ontploffing

tijdens het laatste bal hebben mij ook zoo ziek gemaakt. Wat zoû ik u

gaarne eens zien en in mijn armen drukken: kunt gij niet te Castel

Xaveria komen van den zomer? U zoû er mij zoo innig, innig blij meê

maken!!

Kus Siegfried en alle de uwen van mij. Antwoord mij gauw, niet waar? Ik

omhels u in beide mijne armen.

Elizabeth.

Majesteit · 第 26 / 52 题