Den volgenden morgen, toen Othomar alleen paard reed, dacht hij den
geheelen tijd aan Dutri. De moeilijkheid van een gesprek met zijn
adjudant, scheen hem iets onoverkomelijks. Zijn hart klopte nu hij
Dutri ontmoette, die hem wachtte in de Xaverius-kazerne. Maar de jonge
officier wist hem in te fluisteren, zóo kalm hoffelijk, alsof dit alles
de eenvoudigste zaak ter wereld was:
—Ik sprak de hertogin van Yemena, Hoogheid... Hare Excellentie zei me,
dat Uwe Hoogheid haar in het geheim wilde spreken, en mij de eer
aandeed... Neemt Uwe Hoogheid dezen sleutel...
Othomar nam werktuigelijk den sleutel aan. Zijn gelaat bleef strak,
ernstig, maar inwendig voelde hij zich zeer verstoord op de hertogin,
en begreep hij niet, hoe en waarom zij Dutri in hun geheim haalde. De
eenvoud en gemakkelijkheid, waarmeê zij dit blijkbaar gedaan had,
bliksemde hem als iets ontzettends toe. Eene wanorde scheen door zijn
hoofd te dwarrelen, alsof de hertogin en Dutri er allerlei vastgezette
denkbeelden van zijn jeugdig nadenken, met éen adem, hadden door elkaâr
geblazen. Hij dacht aan den ouden hertog. Hij vond dit alles slecht.
Hij wist, dat Dutri een jonge losbol was; hij hoorde door hem de
geheele chronique-scandaleuze van het hof, maar hij had nooit de helft
geloofd van wat Dutri vertelde, en den adjudant dikwijls stroef gezegd,
dat hij er niet van hield zoo te hooren kwaad spreken van menschen, die
zij iederen dag zagen en die verknocht waren aan zijn Huis. Nu scheen
het hem toe, dat alles wat Dutri verteld had, waar kon zijn, en dat er
nòg erger dingen konden gebeuren. Deze sleutel, met zulken hoffelijken
eenvoud, met dit gemak van libertijn aangeboden, scheen hem een
voorwerp van schroeiende schande. Hij schaamde zich het ding reeds in
zijn zak te hebben gestoken...
Hij ging echter verder. De sleutel brandde hem, terwijl hij sprak met
generaal Ducardi, en, terug, in het Imperiaal, met zijn vader en
Myxila. Vóor hij de keizerin op zoû zoeken, die hem reeds wachtte,
sloot hij den sleutel weg in zijne schrijftafel; langzaam, een schaduw
over zijn voorhoofd, ging hij daarna pas voor pas, de lange galerijen
door, naar de appartementen der keizerin. In de antichambre rees de
hofdame op, boog, klopte aan de deur en ontsloot die:
—Zijne Hoogheid, de Hertog van Xara...
Stil sloeg Othomar een kruis, als kwam hij een kerk binnen.
—Moge God en Zijne Moeder mij vergeven! mompelde hij tusschen zijne
lippen; toen trad hij binnen bij de keizerin.
In het groote vertrek zat zij alleen, bij een der open ramen, die op
het park zagen; zij droeg een zeer eenvoudigen, gladden donkeren japon.
Het trof hem hoe jong zij er uitzag, en hij dacht er aan, dat zij
jonger was dan de hertogin. Een aureool van delicate reinheid scheen om
hare tengerlange gestalte te trillen als een atmosfeer van licht, en
gaf haar eene hoogheid, die niet om andere vrouwen scheen. Zij
glimlachte hem toe en hij kwam langzaam nader en kuste haar de hand.
Zij had hem dien dag nog niet gezien, nam zijn hoofd tusschen hare
slanke, koele handen en kuste hem.
Hij zette zich naast haar op een lagen stoel.
Toen streek zij met de hand over zijn voorhoofd.
—Wat is er? vroeg ze.
Hij zag haar aan en zeide, dat er niets bizonders was. Verder zag ze
niet: hij bracht haar wel meer een bewolkt voorhoofd mede. Nog eens
streek ze er over heen.
—Ik heb papa beloofd ernstig met je te praten, Othomar, sprak ze.
Hij keek tot haar op.
—Hij vond het beter, dat ik met je sprak, omdat hij zelve oordeelde,
dat ik gemakkelijker met je kon spreken. Hij is anders heel tevreden
over je, mijn jongen, en verheugt er zich in, dat je zoo een klaar
oordeel hebt, soms, over sommige staatszaken.
Dit oordeel zijns vaders verbaasde hem.
—En waarover beloofde u met me te spreken?
—Over iets heel, heel gewichtigs, sprak ze met een zachten glimlach.
Over je huwelijk, Othomar.
—Mijn huwelijk...?
—Ja, mijn jongen... Je wordt twee-en-twintig. Papa is wel veel later
getrouwd, maar hij had veel broêrs. Ze zijn gestorven. Oom Xaverius is
in zijn klooster. En wij... papa en ik, we zullen wel geen kinderen
meer krijgen, Othomar.
Ze had hare armen om zijn hals gelegd en trok hem naar zich toe: ze
fluisterde:
—We hebben niemand dan jou, mijn jongen en onzen kleinen Berengar.
En... papa vindt, dat je daarom trouwen moet. We moeten een erfprins
hebben, een Graaf van Lycilië...
Zijne oogen werden vochtig; hij legde zijn hoofd tegen haar aan.
—Twee om keizer te worden; Berengar, als ik er niet meer zijn mocht; is
dat niet genoeg, mama?
Ze schudde glimlachend het hoofd van neen. Neen, dat was niet genoeg
zekerheid voor het Huis van Czyrkiski-Xanantria.
—Mama, zeide hij zacht; als sociologen spreken over de sociale
quaestie, betreuren zij het, dat er onder het proletariaat zooveel
kinderen worden geboren en noemen zij de arme ouders, die niets hebben
dan hunne liefde, zelf verantwoordelijk voor de meerdere ellende, die
zij met die kinderen in de maatschappij veroorzaken. Treft dit verwijt
eigenlijk ook ons niet? Of vindt u een keizer zoo gelukkig?
Haar voorhoofd betrok.
—Je bent in een van je sombere buien, Othomar. In Godsnaam, mijn
jongen, geef je daar toch niet aan toe. Filozofeer zoo niet, neem het
leven op, zooals het je gegeven is. Dit is de eenige manier, om het te
dragen. Denk er niet over na of je later gelukkig zal zijn als keizer,
maar neem aan, dat je keizer worden moet.
—Goed, ik, maar waarom kinderen, mama?
—Welke vorst laat zijn huis uitsterven, Othomar! Wees niet dwaas. Hecht
aan traditie, dat is voor ons alles. Heb over die quaestie niet zulke
vreemde denkbeelden. Ze zijn niet die van een aanstaanden—ik had bijna
gezegd—alleenheerscher; ze zijn niet die van een vorst. Niet waar,
Othomar, je begrijpt, je móet, je móet trouwen...
Hare stem klonk beslister dan gewoonlijk, bijna hard.
—En, beste jongen, ging zij door; zegen de omstandigheden en trouw nu,
zoo gauw mogelijk. De politiek met het buitenland staat op het
oogenblik zóo, dat er geen bizondere aanwijzingen voor je huwelijk
zijn. Je kan zoo iets als kiezen. Want je bent de kroonprins van een
groot rijk, mijn jongen, van een van de grootste rijken van Europa...
Hij wilde spreken, ze ging haastig voort:
—Ik herhaal je: je kan—bijna—kiezen. Je weet niet, hoeveel dit is.
Apprecieer dat, apprecieer de omstandigheden. Reis naar de hoven van
Europa, die in aanmerking komen. Zie uit je oogen, doe je keuze. Er
zijn lieve prinsessen van Engeland, van Oostenrijk...
Othomar sloot zijne oogen even, of eene vermoeidheid hem afmatte.
—Later, mama... fluisterde hij.
—Neen, mijn jongen, zei de keizerin: niet spreken van later, niet
uitstellen. Denk er nu over na. Denk hoe je je reis nemen wilt en wie
je meê wilt nemen en praat er over met papa en Myxila. Beloof je me
dat?
Hij drukte zijn hoofd even tegen haar aan en beloofde het, met een
glimlach vol moêheid.
—Wat is er toch, mijn jongen? vroeg ze. Zeg dan, wat is er toch?
Zijne oogen werden vochtig.
—Ik weet het niet, mama. Ik ben soms zoo moê...
—Ben je niet wel?
—Jawel, dat wel, maar ik ben zoo moê...
—Maar waarvan dan toch, mijn kind?
Hij begon zacht te snikken.
—Van... van alles... mama.
Zij zag hem lang aan, schudde langzaam, afkeurend haar hoofd.
—Vergeef me, mama, stamelde hij en hij veegde zijne oogen af; ik zal er
niet meer aan toegeven...
—Dat heb je me al eens meer beloofd, Othomar.
Als een kind drukte hij weêr zijn hoofd tegen haar aan.
—Neen, heusch, betuigde hij, vleiend; ik zal er me heusch tegen
verzetten. Het is niet goed van me, mama. Ik zal me meer ophouden: ik
zal sterker worden, ik zweer het u, voor ú zal ik sterker worden...
Ze zag hem weêr lang in de oogen, met haren reinen glimlach. Innige
teederheid ging van haar uit op hem; hij voelde, dat hij nooit iemand
zóo zoû liefhebben als die moeder. Toen nam zij hem in beide hare armen
en drukte hem tegen zich aan.
—Ik neem je belofte aan, en ik dank je... mijn arme jongen! fluisterde
zij in haren zoen.
Op dit oogenblik klonk er een jong gegons van stemmen, als van
losgelaten vogels, uit het park, door de open ramen heen. Getrippel van
vele kleine voeten knarste op het grint. Een hooge schelle kinderstem
klonk op eens met woedende woorden uit de anderen op; de anderen
zwegen...
De keizerin was met een electrischen schok opgeschrikt. Zij richtte
zich haastig omhoog, doodsbleek.
—Berengar! riep ze, en hare stem bestierf.
—En ik zal het zeggen aan Zijne Majesteit, wat voor een vlegel je bent,
en dan zullen we eens zien! Dan zullen we wel eens zien, dan zullen we
wel eens zien...
De keizerin had zich bevende uit het venster gebogen, ze zag een
tiental kleine jongens; ze keken beteuterd.
—Waar is Zijne Hoogheid? vroeg ze.
—Zijne Hoogheid is daar, Mevrouw! antwoordde een klein graafje verlegen
en wees met een vingertje naar het achterplein, dat de keizerin niet
zien kon.
—Maar wat gebeurt er toch? Is dat een leven maken! Laat Zijne Hoogheid
dadelijk hier komen! Berengar! Berengar!
Zijne Hoogheid, Berengar, geroepen, kwam aan. Hij ging tusschen de
kleine hertogjes en graafjes door, en zag naar het venster op, waaruit
zijne moeder zich boog. Hij was een klein, flink gebouwd, pittig
ventje; zijn gezicht was rood van verontwaardiging, met twee kleine
woedende oogjes er in, als zwarte vonkjes.
—Berengar, kom hier! riep de keizerin. Wat is er toch? Waarom kan je
niet spelen, zonder te vechten?
—Ik vecht niet, mama, maar... maar, ik zal het aan papa zeggen... en en
dan zullen we wel eens zien...! Dàn zullen...
—Berengar, kom dadelijk door het paleis hier binnen, dadelijk! beval de
keizerin.
Othomar, achter de keizerin, zag naar de groep jongens. Hij zag, hoe
Berengar met een enkel woord zich verontschuldigde bij het grootste
hertogje en langs het achterplein verdween.
Na een oogenblik kwam het kind de kamer in.
—Berengar, sprak de keizerin; het is heel ongemanierd zoo een leven te
maken in het park, en dat wel vlak achter het paleis.
Het kind zag haar aan, met ernstig rood gezichtje.
—Ja mama, beaamde het zacht.
—Wat is er gebeurd?
Berengars lippen beginnen te trillen.
—Het is die lamme schildwacht... begon hij.
—Wat is er met dien schildwacht?
Hij... hij prezenteerde niet voor me!
—Prezenteerde de schildwacht niet voor je? Waarom niet?
—Ik weet het niet! riep Berengar verontwaardigd.
—Maar hij prezenteert toch altijd?
—Ja maar, nu deed hij het niet. Wel den eersten keer, toen wij voorbij
kwamen, maar niet den tweeden keer... We speelden krijgertje, en toen
we voor de tweede maal voorbij hem liepen, prezenteerde hij niet!!
Othomar begon te schateren.
—Je hoeft er niet om te lachen! riep Berengar boos; en ik zal het aan
papa zeggen, en dan zal je wel zien.
—Maar woû je hebben, Berengar, zei de keizerin; dat iederen keer, als
jij met krijgertje spelen voorbij liep, die man zijn geweer
prezenteerde?
Berengar bedacht zich.
—Hij kon het toch minstens wel de tweede maal gedaan hebben. Als het nu
drie, vier, vijf malen was geweest. Maar de twéede maal pas...! Wat
moeten al die jongens wel van me denken?!
—Hoor eens, Berengar, zei de keizerin; wat er ook gebeurt, het komt in
het geheel niet te pas, dat je, wien het ook zij, met leelijke namen
noemt en ook niet, dat je zoo een leven maakt in het park, vlak achter
het paleis. Uitschelden, dat doet een kind van een keizer niet, zelfs
niet een schildwacht. Ga daarom dus nu dadelijk naar dien schildwacht
toe en zeg, dat het je spijt, je zoo driftig gemaakt te hebben.
—Mama! riep het kind ontzet.
Het gezicht van de keizerin stond strak.
—Ik wil het, Berengar.
De jongen zag haar met de grootste verbazing aan.
—Moet ik dat zeggen... aan dien schildwacht, mama?!
-Ja.
Blijkbaar begreep Berengar op dit moment de wereldorde niet; hij
vermoedde een oogenblik, dat de revolutie was uitgebroken.
—Maar, mama, dat kan ik niet!!
—Het moet, Berengar, en dadelijk.
—Maar mama, zal papa dat goed vinden?!
—Zeker, Berengar, zei Othomar; wat mama je zegt te doen, vindt papa
natuurlijk goed.
In radeloosheid zag de jongen naar Othomar op; zijn gezichtje trok
lang, zijn stevige vuistjes trilden. Toen barstte hij in een wanhopig
snikken uit.
—Kom Berengar, ga, zei de keizerin weêr.
Het kind ontstelde nog meer om hare strakte; zoo zag hij altijd haar
staren op de menigte, maar niet op hare kinderen. En hij wierp zich met
de kleine wijdte zijner radelooze armpjes in hare rokken, omklemde haar
en snikte met groote klokken van snikken.
—Ik kàn dat niet doen, mama!!
—Het moet, Berengar...
—En... en... en ik wil het niet, ik wil niet!!! knarste de jongen in
eens woedend, stampvoetend.
De keizerin deed niets dan hem aanzien, heel lang, héel lang. Het
verwijt van haren blik brak het kind. Het snikte luid op, en scheen er
niet meer aan te denken, dat zijne vriendjes daarbuiten Zijne Hoogheid
zeker zouden hooren snikken. Hij zag, dat er niets aan te doen was, dat
het moest. Het moest!! Zijne Keizerlijke Hoogheid, Berengar, markies
van Thracyna, (Ridder van St. Ladislas), mòest zijn spijt betuigen aan
een schildwacht, die hèm, Zijne Hoogheid, nog wel te kort had gedaan.
Zijn middeneeuwsch kinderzieltje was er geheel door in omwenteling. Hij
begreep niets meer. Hij zag alleen maar, dat het moest, omdat zijne
moeder hem met zoo een treurigen blik aanzag.
—Othomar! snikte hij zijne wanhoop uit; Othomar! Wil... jij... dan met
me... meêgaan!!! Maar hoe zal ik het doen, hoe zal ik het doen!
Othomar glimlachte hem medelijdend toe, en stak zijne hand naar hem
uit. De keizerin knikte, dat de prinsen zouden gaan.
—Hoe zal ik het doen! O God, hoe zal ik het doen! hoorde zij Berengars
stem nog uit de antichambre in wanhoop opsnikken.
Elizabeth was doodsbleek geworden. Zoodra zij alleen was, zonk zij in
een stoel, het hoofd achterover. Hélène van Thesbia kwam juist binnen.
—Mevrouw! riep de jonge gravin. Wat heeft U?
De keizerin greep hare hand; Hélène voelde die ijskoud.
—Niets, Hélène, antwoordde zij; maar Berengar heeft me zoo
verschrikkelijk laten schrikken. Ik dacht... ik dacht, dat ze hem
vermoordden!!!
En in een zenuwbui van stootende snikken stortte zij zich in de armen
der gravin.