III.

Den volgenden morgen, toen Othomar alleen paard reed, dacht hij den

geheelen tijd aan Dutri. De moeilijkheid van een gesprek met zijn

adjudant, scheen hem iets onoverkomelijks. Zijn hart klopte nu hij

Dutri ontmoette, die hem wachtte in de Xaverius-kazerne. Maar de jonge

officier wist hem in te fluisteren, zóo kalm hoffelijk, alsof dit alles

de eenvoudigste zaak ter wereld was:

—Ik sprak de hertogin van Yemena, Hoogheid... Hare Excellentie zei me,

dat Uwe Hoogheid haar in het geheim wilde spreken, en mij de eer

aandeed... Neemt Uwe Hoogheid dezen sleutel...

Othomar nam werktuigelijk den sleutel aan. Zijn gelaat bleef strak,

ernstig, maar inwendig voelde hij zich zeer verstoord op de hertogin,

en begreep hij niet, hoe en waarom zij Dutri in hun geheim haalde. De

eenvoud en gemakkelijkheid, waarmeê zij dit blijkbaar gedaan had,

bliksemde hem als iets ontzettends toe. Eene wanorde scheen door zijn

hoofd te dwarrelen, alsof de hertogin en Dutri er allerlei vastgezette

denkbeelden van zijn jeugdig nadenken, met éen adem, hadden door elkaâr

geblazen. Hij dacht aan den ouden hertog. Hij vond dit alles slecht.

Hij wist, dat Dutri een jonge losbol was; hij hoorde door hem de

geheele chronique-scandaleuze van het hof, maar hij had nooit de helft

geloofd van wat Dutri vertelde, en den adjudant dikwijls stroef gezegd,

dat hij er niet van hield zoo te hooren kwaad spreken van menschen, die

zij iederen dag zagen en die verknocht waren aan zijn Huis. Nu scheen

het hem toe, dat alles wat Dutri verteld had, waar kon zijn, en dat er

nòg erger dingen konden gebeuren. Deze sleutel, met zulken hoffelijken

eenvoud, met dit gemak van libertijn aangeboden, scheen hem een

voorwerp van schroeiende schande. Hij schaamde zich het ding reeds in

zijn zak te hebben gestoken...

Hij ging echter verder. De sleutel brandde hem, terwijl hij sprak met

generaal Ducardi, en, terug, in het Imperiaal, met zijn vader en

Myxila. Vóor hij de keizerin op zoû zoeken, die hem reeds wachtte,

sloot hij den sleutel weg in zijne schrijftafel; langzaam, een schaduw

over zijn voorhoofd, ging hij daarna pas voor pas, de lange galerijen

door, naar de appartementen der keizerin. In de antichambre rees de

hofdame op, boog, klopte aan de deur en ontsloot die:

—Zijne Hoogheid, de Hertog van Xara...

Stil sloeg Othomar een kruis, als kwam hij een kerk binnen.

—Moge God en Zijne Moeder mij vergeven! mompelde hij tusschen zijne

lippen; toen trad hij binnen bij de keizerin.

In het groote vertrek zat zij alleen, bij een der open ramen, die op

het park zagen; zij droeg een zeer eenvoudigen, gladden donkeren japon.

Het trof hem hoe jong zij er uitzag, en hij dacht er aan, dat zij

jonger was dan de hertogin. Een aureool van delicate reinheid scheen om

hare tengerlange gestalte te trillen als een atmosfeer van licht, en

gaf haar eene hoogheid, die niet om andere vrouwen scheen. Zij

glimlachte hem toe en hij kwam langzaam nader en kuste haar de hand.

Zij had hem dien dag nog niet gezien, nam zijn hoofd tusschen hare

slanke, koele handen en kuste hem.

Hij zette zich naast haar op een lagen stoel.

Toen streek zij met de hand over zijn voorhoofd.

—Wat is er? vroeg ze.

Hij zag haar aan en zeide, dat er niets bizonders was. Verder zag ze

niet: hij bracht haar wel meer een bewolkt voorhoofd mede. Nog eens

streek ze er over heen.

—Ik heb papa beloofd ernstig met je te praten, Othomar, sprak ze.

Hij keek tot haar op.

—Hij vond het beter, dat ik met je sprak, omdat hij zelve oordeelde,

dat ik gemakkelijker met je kon spreken. Hij is anders heel tevreden

over je, mijn jongen, en verheugt er zich in, dat je zoo een klaar

oordeel hebt, soms, over sommige staatszaken.

Dit oordeel zijns vaders verbaasde hem.

—En waarover beloofde u met me te spreken?

—Over iets heel, heel gewichtigs, sprak ze met een zachten glimlach.

Over je huwelijk, Othomar.

—Mijn huwelijk...?

—Ja, mijn jongen... Je wordt twee-en-twintig. Papa is wel veel later

getrouwd, maar hij had veel broêrs. Ze zijn gestorven. Oom Xaverius is

in zijn klooster. En wij... papa en ik, we zullen wel geen kinderen

meer krijgen, Othomar.

Ze had hare armen om zijn hals gelegd en trok hem naar zich toe: ze

fluisterde:

—We hebben niemand dan jou, mijn jongen en onzen kleinen Berengar.

En... papa vindt, dat je daarom trouwen moet. We moeten een erfprins

hebben, een Graaf van Lycilië...

Zijne oogen werden vochtig; hij legde zijn hoofd tegen haar aan.

—Twee om keizer te worden; Berengar, als ik er niet meer zijn mocht; is

dat niet genoeg, mama?

Ze schudde glimlachend het hoofd van neen. Neen, dat was niet genoeg

zekerheid voor het Huis van Czyrkiski-Xanantria.

—Mama, zeide hij zacht; als sociologen spreken over de sociale

quaestie, betreuren zij het, dat er onder het proletariaat zooveel

kinderen worden geboren en noemen zij de arme ouders, die niets hebben

dan hunne liefde, zelf verantwoordelijk voor de meerdere ellende, die

zij met die kinderen in de maatschappij veroorzaken. Treft dit verwijt

eigenlijk ook ons niet? Of vindt u een keizer zoo gelukkig?

Haar voorhoofd betrok.

—Je bent in een van je sombere buien, Othomar. In Godsnaam, mijn

jongen, geef je daar toch niet aan toe. Filozofeer zoo niet, neem het

leven op, zooals het je gegeven is. Dit is de eenige manier, om het te

dragen. Denk er niet over na of je later gelukkig zal zijn als keizer,

maar neem aan, dat je keizer worden moet.

—Goed, ik, maar waarom kinderen, mama?

—Welke vorst laat zijn huis uitsterven, Othomar! Wees niet dwaas. Hecht

aan traditie, dat is voor ons alles. Heb over die quaestie niet zulke

vreemde denkbeelden. Ze zijn niet die van een aanstaanden—ik had bijna

gezegd—alleenheerscher; ze zijn niet die van een vorst. Niet waar,

Othomar, je begrijpt, je móet, je móet trouwen...

Hare stem klonk beslister dan gewoonlijk, bijna hard.

—En, beste jongen, ging zij door; zegen de omstandigheden en trouw nu,

zoo gauw mogelijk. De politiek met het buitenland staat op het

oogenblik zóo, dat er geen bizondere aanwijzingen voor je huwelijk

zijn. Je kan zoo iets als kiezen. Want je bent de kroonprins van een

groot rijk, mijn jongen, van een van de grootste rijken van Europa...

Hij wilde spreken, ze ging haastig voort:

—Ik herhaal je: je kan—bijna—kiezen. Je weet niet, hoeveel dit is.

Apprecieer dat, apprecieer de omstandigheden. Reis naar de hoven van

Europa, die in aanmerking komen. Zie uit je oogen, doe je keuze. Er

zijn lieve prinsessen van Engeland, van Oostenrijk...

Othomar sloot zijne oogen even, of eene vermoeidheid hem afmatte.

—Later, mama... fluisterde hij.

—Neen, mijn jongen, zei de keizerin: niet spreken van later, niet

uitstellen. Denk er nu over na. Denk hoe je je reis nemen wilt en wie

je meê wilt nemen en praat er over met papa en Myxila. Beloof je me

dat?

Hij drukte zijn hoofd even tegen haar aan en beloofde het, met een

glimlach vol moêheid.

—Wat is er toch, mijn jongen? vroeg ze. Zeg dan, wat is er toch?

Zijne oogen werden vochtig.

—Ik weet het niet, mama. Ik ben soms zoo moê...

—Ben je niet wel?

—Jawel, dat wel, maar ik ben zoo moê...

—Maar waarvan dan toch, mijn kind?

Hij begon zacht te snikken.

—Van... van alles... mama.

Zij zag hem lang aan, schudde langzaam, afkeurend haar hoofd.

—Vergeef me, mama, stamelde hij en hij veegde zijne oogen af; ik zal er

niet meer aan toegeven...

—Dat heb je me al eens meer beloofd, Othomar.

Als een kind drukte hij weêr zijn hoofd tegen haar aan.

—Neen, heusch, betuigde hij, vleiend; ik zal er me heusch tegen

verzetten. Het is niet goed van me, mama. Ik zal me meer ophouden: ik

zal sterker worden, ik zweer het u, voor ú zal ik sterker worden...

Ze zag hem weêr lang in de oogen, met haren reinen glimlach. Innige

teederheid ging van haar uit op hem; hij voelde, dat hij nooit iemand

zóo zoû liefhebben als die moeder. Toen nam zij hem in beide hare armen

en drukte hem tegen zich aan.

—Ik neem je belofte aan, en ik dank je... mijn arme jongen! fluisterde

zij in haren zoen.

Op dit oogenblik klonk er een jong gegons van stemmen, als van

losgelaten vogels, uit het park, door de open ramen heen. Getrippel van

vele kleine voeten knarste op het grint. Een hooge schelle kinderstem

klonk op eens met woedende woorden uit de anderen op; de anderen

zwegen...

De keizerin was met een electrischen schok opgeschrikt. Zij richtte

zich haastig omhoog, doodsbleek.

—Berengar! riep ze, en hare stem bestierf.

—En ik zal het zeggen aan Zijne Majesteit, wat voor een vlegel je bent,

en dan zullen we eens zien! Dan zullen we wel eens zien, dan zullen we

wel eens zien...

De keizerin had zich bevende uit het venster gebogen, ze zag een

tiental kleine jongens; ze keken beteuterd.

—Waar is Zijne Hoogheid? vroeg ze.

—Zijne Hoogheid is daar, Mevrouw! antwoordde een klein graafje verlegen

en wees met een vingertje naar het achterplein, dat de keizerin niet

zien kon.

—Maar wat gebeurt er toch? Is dat een leven maken! Laat Zijne Hoogheid

dadelijk hier komen! Berengar! Berengar!

Zijne Hoogheid, Berengar, geroepen, kwam aan. Hij ging tusschen de

kleine hertogjes en graafjes door, en zag naar het venster op, waaruit

zijne moeder zich boog. Hij was een klein, flink gebouwd, pittig

ventje; zijn gezicht was rood van verontwaardiging, met twee kleine

woedende oogjes er in, als zwarte vonkjes.

—Berengar, kom hier! riep de keizerin. Wat is er toch? Waarom kan je

niet spelen, zonder te vechten?

—Ik vecht niet, mama, maar... maar, ik zal het aan papa zeggen... en en

dan zullen we wel eens zien...! Dàn zullen...

—Berengar, kom dadelijk door het paleis hier binnen, dadelijk! beval de

keizerin.

Othomar, achter de keizerin, zag naar de groep jongens. Hij zag, hoe

Berengar met een enkel woord zich verontschuldigde bij het grootste

hertogje en langs het achterplein verdween.

Na een oogenblik kwam het kind de kamer in.

—Berengar, sprak de keizerin; het is heel ongemanierd zoo een leven te

maken in het park, en dat wel vlak achter het paleis.

Het kind zag haar aan, met ernstig rood gezichtje.

—Ja mama, beaamde het zacht.

—Wat is er gebeurd?

Berengars lippen beginnen te trillen.

—Het is die lamme schildwacht... begon hij.

—Wat is er met dien schildwacht?

Hij... hij prezenteerde niet voor me!

—Prezenteerde de schildwacht niet voor je? Waarom niet?

—Ik weet het niet! riep Berengar verontwaardigd.

—Maar hij prezenteert toch altijd?

—Ja maar, nu deed hij het niet. Wel den eersten keer, toen wij voorbij

kwamen, maar niet den tweeden keer... We speelden krijgertje, en toen

we voor de tweede maal voorbij hem liepen, prezenteerde hij niet!!

Othomar begon te schateren.

—Je hoeft er niet om te lachen! riep Berengar boos; en ik zal het aan

papa zeggen, en dan zal je wel zien.

—Maar woû je hebben, Berengar, zei de keizerin; dat iederen keer, als

jij met krijgertje spelen voorbij liep, die man zijn geweer

prezenteerde?

Berengar bedacht zich.

—Hij kon het toch minstens wel de tweede maal gedaan hebben. Als het nu

drie, vier, vijf malen was geweest. Maar de twéede maal pas...! Wat

moeten al die jongens wel van me denken?!

—Hoor eens, Berengar, zei de keizerin; wat er ook gebeurt, het komt in

het geheel niet te pas, dat je, wien het ook zij, met leelijke namen

noemt en ook niet, dat je zoo een leven maakt in het park, vlak achter

het paleis. Uitschelden, dat doet een kind van een keizer niet, zelfs

niet een schildwacht. Ga daarom dus nu dadelijk naar dien schildwacht

toe en zeg, dat het je spijt, je zoo driftig gemaakt te hebben.

—Mama! riep het kind ontzet.

Het gezicht van de keizerin stond strak.

—Ik wil het, Berengar.

De jongen zag haar met de grootste verbazing aan.

—Moet ik dat zeggen... aan dien schildwacht, mama?!

-Ja.

Blijkbaar begreep Berengar op dit moment de wereldorde niet; hij

vermoedde een oogenblik, dat de revolutie was uitgebroken.

—Maar, mama, dat kan ik niet!!

—Het moet, Berengar, en dadelijk.

—Maar mama, zal papa dat goed vinden?!

—Zeker, Berengar, zei Othomar; wat mama je zegt te doen, vindt papa

natuurlijk goed.

In radeloosheid zag de jongen naar Othomar op; zijn gezichtje trok

lang, zijn stevige vuistjes trilden. Toen barstte hij in een wanhopig

snikken uit.

—Kom Berengar, ga, zei de keizerin weêr.

Het kind ontstelde nog meer om hare strakte; zoo zag hij altijd haar

staren op de menigte, maar niet op hare kinderen. En hij wierp zich met

de kleine wijdte zijner radelooze armpjes in hare rokken, omklemde haar

en snikte met groote klokken van snikken.

—Ik kàn dat niet doen, mama!!

—Het moet, Berengar...

—En... en... en ik wil het niet, ik wil niet!!! knarste de jongen in

eens woedend, stampvoetend.

De keizerin deed niets dan hem aanzien, heel lang, héel lang. Het

verwijt van haren blik brak het kind. Het snikte luid op, en scheen er

niet meer aan te denken, dat zijne vriendjes daarbuiten Zijne Hoogheid

zeker zouden hooren snikken. Hij zag, dat er niets aan te doen was, dat

het moest. Het moest!! Zijne Keizerlijke Hoogheid, Berengar, markies

van Thracyna, (Ridder van St. Ladislas), mòest zijn spijt betuigen aan

een schildwacht, die hèm, Zijne Hoogheid, nog wel te kort had gedaan.

Zijn middeneeuwsch kinderzieltje was er geheel door in omwenteling. Hij

begreep niets meer. Hij zag alleen maar, dat het moest, omdat zijne

moeder hem met zoo een treurigen blik aanzag.

—Othomar! snikte hij zijne wanhoop uit; Othomar! Wil... jij... dan met

me... meêgaan!!! Maar hoe zal ik het doen, hoe zal ik het doen!

Othomar glimlachte hem medelijdend toe, en stak zijne hand naar hem

uit. De keizerin knikte, dat de prinsen zouden gaan.

—Hoe zal ik het doen! O God, hoe zal ik het doen! hoorde zij Berengars

stem nog uit de antichambre in wanhoop opsnikken.

Elizabeth was doodsbleek geworden. Zoodra zij alleen was, zonk zij in

een stoel, het hoofd achterover. Hélène van Thesbia kwam juist binnen.

—Mevrouw! riep de jonge gravin. Wat heeft U?

De keizerin greep hare hand; Hélène voelde die ijskoud.

—Niets, Hélène, antwoordde zij; maar Berengar heeft me zoo

verschrikkelijk laten schrikken. Ik dacht... ik dacht, dat ze hem

vermoordden!!!

En in een zenuwbui van stootende snikken stortte zij zich in de armen

der gravin.

Majesteit · 第 24 / 52 题