Van Grondwetherziening en hervorming van het erfelijk Huis van Adel was
geen sprake meer. De drie kwart constitutioneele meerderheid, door de
Grondwet vereischt in het Huis der Standen om zulk een voorstel in
overweging te kunnen nemen,—in den aanvang aanwezig,—bestond niet meer
na de nieuwe verkiezingen. Oscar, aanstonds na zijne terugkomst uit
Altara, had hun zijn durvende kracht getoond. De troepen verzameld om
Lipara; nu goed, voor de manoeuvres, om den koning van Syrië, die komen
zoû. De forten versterkt. Het eskader in de haven. Toen het keizerlijk
besluit, dat het Huis der Standen eenvoudig... zoû worden ontbonden.
Hoe ze geschreeuwd hadden, na de afkondiging van dat besluit, in
couranten en op straat! Een oogenblik ’s avonds iets van een oproer.
Maar de keizer, woedend, over het niet onmiddellijk krachtdadig
optreden van den markies van Dazzara, had dezen den volgenden morgen
zijne hooge ontevredenheid betuigd. De markies voelde, dat er met de
ongenade van den keizer op zekere oogenblikken niet te spotten viel; de
keizer deelde hem zelve op staanden voet zijn ontslag mede, en zeide,
dat hij gaan kon. Verpletterd, de wanhoop in de oogen, verliet de
markies het Imperiaal; op het voorplein kruiste zijn rijtuig dat van
den hertog van Mena-Doni, luitenant-generaal der huzaren; hij zag den
sensueelen Nerokop van den hertog, begeerlijk van ambitie, opgluren
naar de façade van het paleis. De markies had zich in den hoek van zijn
rijtuig teruggegooid en handen gewrongen, geweend als een kind...
Dien zelfden morgen werd Lipara in staat van beleg verklaard; de hertog
van Mena-Doni tot gouverneur der rezidentie benoemd. Met groot militair
vertoon en drie woorden toespraak ontbond de keizer het Huis der
Standen. Het volk trilde, afgezweept, neêrgeranseld, tot kruipen
gebracht aan de keizerlijke voeten. De nieuwe verkiezingen werden
uitgeschreven. Moest het volk getuchtigd worden om zijn keizer lief te
krijgen? Was het om de tallooze artikels in de couranten der
Noordelijke gouvernementen, Altara, Vaza en Lycilië, die geheel hare
sympathie schonken aan hun allerinnemendsten, weldoenden kroonprins,
onvermoeid overal zijnde en lenigend wat hij kon? Was het om de
kolossale fabelachtige giften van millioenen uit de keizerlijke kas
zelve geschonken voor de slachtoffers van de ramp? De uitslag der
verkiezingen werd bekend; het Nieuwe Huis der Standen telde eene
machtelooze luttele meerderheid van constitutioneelen. Wat hielp het of
de liberale bladen schreeuwden van geknoei en pressie! Buiten en binnen
de stad lag het leger; iederen dag vertoonde zich de keizer, en aan
zijne zijde, de hertog van Mena-Doni...
De keizer verzocht het oude Ministerie te blijven, maar ontsloeg de,
niet volstrekt autoritaire, ministers.
De crizis was ten einde. Op het Marsveld zouden de groote
voorjaarsmanoeuvres plaats hebben, zoodra de koning en de koningin van
Syrië te Lipara waren.
In Othomar rees eene hooge bewondering voor zijn vader. Hij had hem
niet lief, met de teederheid, de vertrouwelijkheid, bijna nog
kinderlijke aanhankelijkheid, waarmeê hij de keizerin liefhad; hij had
altijd tegen hem opgezien, was als kind bang voor hem geweest. Nu, na
den persoonlijken moed, dien hij den keizer had zien betoonen, de
heerscherskracht, die hij had uitgeoefend, rees zijne Majesteit voor
Othomars oogen hooger als met de gestalte van een halfgod. Zichzelven
voelde hij daar klein mensch bij, als hij dacht: wat zoû ik gedaan
hebben, als ik hierin had moeten doen? Had ik dadelijk het besluit
durven nemen van eene ontbinding der Standen, en zoû ik niet gevreesd
hebben voor een onmiddellijke revolutie in alle deelen des lands? Zoû
ik, na de ongeregeldheden, dadelijk den markies van Dazzara hebben
kunnen ontslaan, als een lakei hebben durven wegzenden, verknocht als
hij was aan ons Huis, en stammende uit onzen roemrijksten adel! Zoû ik
dien hertog, dien condottiere, met zijn wreeden kop, nog vóor ik den
markies had ontslagen, reeds tot mij hebben durven roepen, zoodat de
een kwam, toen de ander wegging!
En, in zijne verbeelding, zag hij zich reeds weifelen; niet weten, wat
het beste, vooral niet wat het rechtvaardigst zoû zijn; stelde hij
zichzelven voor: geraden door den ouden graaf Myxila, ten laatste dan
besluiten de Standen te ontbinden, maar den markies niet ontslaan.
Lipara niet in staat van beleg verklaren, en de troepen te laat
verzamelen, en de revolutie tegelijkertijd overal zien ontknallen als
met bom op bom...
Het rechtvaardigste, dit scheen hem het allermoeilijkst te doen voor
een vorst.
Maar de monarchale zege van den keizer maakte dat, hoe waar hij ook in
zichzelven zijne zwakte zag, een weêrschijn van kracht en beslistheid
op hem afstraalde van zijn vader zelven, aan wiens zijde hij stond.
Daarbij had hij niet veel tijd tot peinzen. Iedere dag bracht zijne
eigenaardige plichten meê. Nauwelijks éen enkel uur eenzame rust kon
hij zich maken. Hij was gewend aan dit leven van zich altijd bewegen,
zich altijd voordoen, nu hier, dan daar, er zoo aan gewend dat hij niet
voelde de vermoeienis, die hem reeds vóór de tournée in het Noorden
afmatte, en zich als ingekankerd had in zijn merg en zijne zenuwen. Hij
dacht over die vermoeienis niet na, beschouwde ze misschien als eene
organische loomte, iets tijdelijks, dat wel zoû overgaan. En iedere dag
bracht het zijne. Zoo was hij gewend vroeg op te staan, altijd om zeven
uur; Lipara lag dan nog in haren rozen sluimer van morgenlicht, stil
wit; hij reed dan op zijn volbloed Arabier, zwarten Emiro,—even achter
zich zijn lievelings-Schotschen-herdershond, meê galoppeerend, den
spitsen snuit gestrekt, den kraag van haren hoog opgezet—; zonder
adjudanten ging hij het park van het Imperiaal door, naar de
Elizabethparken—des middags het rendez-vous der elegante equipages en
cavaliers,—des morgens stil en wijd verlaten, met nauwelijks éen
enkelen vroegen ruiter, die eerbiedig voor den prins front maakte en
den hoed diep afnam. Dan reed hij langs de witte kaden met hare villa’s
en palmen, hare terrassen en aloë’s en de onvergelijkbare haven lag
voor hem, steeds intenser opblauwend onder het roze licht van den
morgen, dat straffer werd. Verder op, de dokken, de schepen; daar
gonsde er al de werkzaamheid. Langzaam stapte hij de haven langs; in de
portieken der villa’s zag hij soms iets van de figuur eener vrouw, en
hare oogen hem nakijken door rozen en clematis heen. Die rit was hem
lief, om de zachte frissche lucht, om zijn paard, zijn hond, om de
eenzaamheid met hen beiden, om de lange stille kaden, den wijden
stillen hemel, den verren horizont, die nog even nevelde in laatsten
morgenmist. De morgenbries aanwaaide zijn voorhoofd onder zijn
uniformpet; de gedachten dwaalden doelloos door zijn brein. Dan schudde
hij zich los uit dien wellust, reed terug naar de stad en ging naar de
Xaveriuskazerne, die der lanciers, naar de Wenceslaskazerne, der
grenadiers of naar de Berengarkazerne, die der huzaren. Hier vroeg hij,
onderzocht hij, inspecteerde hij, en vond er zijne adjudanten, Dutri en
Leoni; met hen reed hij terug naar het paleis, en begaf zich naar het
kabinet van zijn vader; het was het uur, dat graaf Myxila bij den
keizer kwam, en de staatszaken met den Rijkskanselier behandeld werden;
de kroonprins was daarbij den laatsten tijd tegenwoordig. Dan zocht hij
de keizerin op, die hem wachtte; het was meestal een allerliefst
moment, dat zij samen vertrouwelijk waren vóór het lunch; vol charme
van intimiteit. Dicht zat hij naast haar op een lagen stoel, nam hij
hare hand, stortte de bezwaren van zijn hart bij haar uit, deelde haar
mede zijn onrust over de toekomst, over zichzelven als hij later zoû
dragen de kroon. Zijne oogen tuurden dan onder op door hunne wimpers,
met hunne zwarte melancholie; zijne stem klaagde en vroeg om troost. En
zij bemoedigde hem; zij zeide, dat niets gebeurde, dan wat gebeuren
moest, dat alles noodzakelijk was in de groote, schalm aan schalm
aaneengeschakelde, wereldorde; dat hij af moest wachten, maar
tegelijkertijd naar zijn eigen gevoel zijn plicht moest doen, en dat
hij zich niet ontzenuwen moest, door zulk eindeloos, niets oplossend
gepeins. Hij zeide haar, dat hij zoo bang was voor zijne eigen
weifelingen, en hoe hij vermoedde, dat zijne besluitnemingen altijd te
laat zouden komen en zij antwoordde hem zacht lachend, dat zoo hij zóo
goed zijne eigen gebreken kende, hij zich moest trainen in beslissen;
hij vroeg haar naar de rechtvaardigheid—de onmogelijkheid voor hem op
aarde—zij wees hem op zijn eigen gevoel van menschelijke ziel. Maar
toch, hoe innig zoet deze uren waren, hij voelde, dat hij de zelfde
bleef onder hun gewissel van woorden, en dat, zoo de woorden gewisseld
waren, er niets in hem veranderd was. Hierom vond hij zich slecht en
meende hij, dat hij zijne moeder niet genoeg liefhad, met niet genoeg
overtuiging. Dan zag hij haar aan, zag haar glimlachen, ried onder
haren glimlach dien nerveuzen angst, die haar nooit meer los zoû laten,
en voelde, dat zij zoo alleen sprak om hèm, om hem op te beuren en niet
uit overtuiging. En de gedachten dwaalden niet meer losjes door hem
heen, als op zijn morgenrit aan de kaden: ze vielen als fijne nevels op
elkaâr in zijn verbeelden en vormden zijn weemoed.
Het lunch was intiem. Na het lunch pozeerde hij een uur voor Thera, die
schilderde en zijn portret maakte. In den namiddag waren er altijd
verschillende bezigheden; tentoonstellingen, liefdadige instellingen,
inrichtingen van allerlei aard te bezoeken, den steen te leggen van een
gebouw, een oorlogschip te laten loopen van stapel. Iedere minuut was
gevuld, en iederen dag vulde zijne minuten anders dan de vorigen. Het
diner werd altijd met groote etiquette en splendeur gebruikt; iederen
dag waren er talrijke genoodigden, diplomaten, hooge ambtenaren,
officieren. Het duurde lang, was iederen dag het ceremonieel gastmaal
van een keizer. Dan des avonds de feesten aan het hof, of ten huize der
ambassadeurs of dignitarissen; de comedies en concerten. De prins bleef
echter nooit laat. In zijn eigen kabinet zat hij dan nog een paar uur
te lezen, te werken; hij ging om twaalf uur naar bed.
Aan dit leven van eentonige afwisseling was hij gewend, er in gegroeid.
Zoodra hij van Lycilië terug was te Lipara—de stad toen nog in staat
van beleg—wachtte het hem drukker dan ooit; de opening van het
Parlement was gauw op zijne terugkomst gevolgd. De keizer was tevreden
geweest over de houding van den kroonprins in het Noorden, misschien om
den lof, die de Noordelijke couranten den hertog van Xara, vol
sympathie, schonken; om zijn oogenblik van populariteit. Hij wilde zijn
zoon meer en meer laten deelen in de staatszaken en sprak meer met hem
over ze, alleen of met den Rijkskanselier. De strenge maatregelen
echter van ruw geweld, die de hertog van Mena-Doni genomen
had,—hijzelve te Lipara, en zijne officieren te Thracyna: hevige
charges der huzaren op de dringende menigte—waren Othomar tegen
geweest: hij had ze met wanhoop en smart vernomen, en toch geweten, dat
met zachtheid niets ware verkregen. En in zijn opzien tegen den keizer,
als tegen een halfgod van wil en van kracht, mengde zich iets van
antipathie en onwil, dat hem van zijn vader stiet, en moeilijk maakte
gedachtewisseling tusschen hen beiden.
Nu, na de opening van het Parlement, was de stad, het geheele land,
kalm geworden; de troepen echter bleven op het Marsveld, voor de
aanstaande manoeuvres. De komst der Syrische vorsten was bepaald.
Othomars dagen volgden zich weêr op als vroeger. Verschillende diners
werden hem aangeboden, door de officieren der Garde van den Troon, en
der andere corpsen, waarin hij zijn rang bekleedde. Ja, het was zijn
oogenblik van populariteit. Men citeerde reeds, dat zijn bijnaam later
zoû klinken als Othomar de Weldadige. In deze dagen legde hij den
eersten steen van een groot Huis der Armen, tot welker stichting de
erfenis van een schatrijken, kinderloozen hertog—een der oudste
geslachten van Liparië, dat uitstierf,— millioenen had bijgedragen.
Othomars zachtheid maakte een innemend contrast met de, juist
uitgeoefende, ruwe kracht van Oscar. Hijzelve was echter innerlijk zeer
verbaasd over zijn roep van weldadigheid; hij deed gaarne goed, maar
voelde zucht tot goed-doen niet als hoofdtrek van zijn karakter in
zich. Hij voelde integendeel géen hoofdtrek in zich.
Na het diner hem door de officieren van den Staf aangeboden, zoû
Othomar des avonds met Ducardi, Dutri en Leonie gaan naar den hertog
van Yemena, om den opperhofmaarschalk officieel dank te zeggen voor de
gastvrijheid hem op Castel Vaza betoond. De hertog bewoonde in Lipara
een groot nieuw hôtel; zijn oud familiehôtel was te Altara.
Het was negen uur. De kroonprins werd nog niet verwacht. De hertog en
de hertogin echter ontvingen reeds hunne invité’s; de hertogin had,
toen Othomar zijn bezoek had doen aankondigen, talrijke uitnoodigingen
gedaan. De ruime receptiesalons vulden zich. Bijna geheel het corps
diplomatique was tegenwoordig; enkele der ministers en groote charges
van het hof, met hunne dames; de oude gravin Myxila en hare dochters,
tal van officieren. Het was de intime kring van het Imperiaal; eene
brutale gemeenzaamheid ging onder hen om, met het sans-gêne, dat in de
mode was.
Bij de hertogin stonden Lady Danbury, de vrouw van den eersten
Engelschen secretaris en de markies van Xardi, de zoon van den hertog.
Zij praatten druk over de Dazzara’s.
—Ik heb ze gezien, zei Lady Danbury. Het is verschrikkelijk,
verschrikkelijk. Ze wonen nu op Castel Dazzara, die oude ruïne in
Thracyna, met hun vijf dochters, poor things! De plafonds vallen in.
Drie kromme oude bedienden in liverei, en de liverei ouder nog dan de
bedienden. En schulden, naar men zegt, schulden! Ik stond verbaasd, dat
de markiezin zóo oud was geworden: ze heeft het zich vreeselijk
aangetrokken, schijnt het.
—Oud geworden? vroeg de hertogin. Ik vond haar nog zeer jong, den
laatsten keer, dat ik haar zag...
Ze haatte Lady Danbury, die lang, mager en spits van trekken was, en
iets had van een gracieuze adder. En ze vervolgde:
—Ze zag er nog zoo goed uit; ze is tenger, maar ze heeft een prachtigen
hals... Ik begrijp heusch niet, dat ze zóo oud kan zijn geworden...
En als peinzende over dit raadsel, tuurt de hertogin naar de te magere
schouders van Lady Danbury.
De oogen van Xardi schitteren; hij vermoedt een schermutseling.
—Men zegt, dat de markies un de vos intimes was, vroeger, niet waar?
insinueert de Engelsche. Het hatelijke “vroeger” valt Xardi echter
tegen.
—Ik hoû veel van de Dazzara’s, zegt de hertogin; maar... en ze lacht
geheimzinnig met bedoeling; hij is altijd een ongeluksvogel geweest...
—Zijne Excellentie, den hertog van Mena-Doni! kondigt de hofmeester
aan.
—De opgaande zon! fluistert Xardi tot Lady Danbury.
Mena-Doni buigt zich reeds voor de hertogin, die hem tegenlacht. Lady
Danbury, aan de zijde van Xardi, is doorgegaan.
—En de geluksvogel, denkt u? vraagt ze.
—O neen! zegt Xardi beslist. Ten minste, niet heelemaal...
Ze zien elkaâr aan, en lachen.
Keizerlijke adelaren blijven toch de mooiste vogels, niet waar?
schertst Lady Danbury.
—Wat weet u daarvan?
—Helaas, mijn nederige persoon niets. Eer ik het zoover in zoölogie
breng...!
—Maar wat heeft u dan gehoord?
—Wat iedereen hoort, als Dutri niet zijn mond kan houden.
—Omtrent wat?
—Omtrent zeker teeder afscheid op Castel Vaza...
De markies van Xardi schatert van het lachen. Lady Danbury klemt in
eens zijn arm.
—Zeg, Xardi, ik weet wel mindere tengere personen, dan de markiezin van
Dazzara, die zouden vervallen om de keizerlijke disgrâce. Et toi?
De markies lacht luid meê, en:
—Zelfs maar een kroonprinselijke... fluistert hij, achter den
Watteau-waaier van Lady Danbury; ze proesten van het lachen samen.
—Zijn Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara; hunne Excellenties,
graaf Ducardi, prins Dutri, de markies van Leoni! luidt het plechtig,
langzaam aangekondigd.
Er ontstaat eene lichte emotie in de groepen. Men schaart zich en haie
door de zaal; een paar dames verwarren zich in hare slepen en lachen.
Zoo wacht men.
Othomar verschijnt aan de opene deur; Ducardi, Dutri en Leoni zijn
achter hem. De oude hertog haast zich den prins tegemoet; de markies
van Xardi heeft Lady Danbury haastig haren waaier in de hand geduwd, en
voegt zich bij zijnen vader.
De oude hertog is een fijne magere man, vol geäffineerd ras, met geheel
gladgeschoren gelaat; hij is eenvoudig in rok, met het breede groene
Commandeurslint van den Rijksappel dwars over de borst, en het
grootkruis van St. Ladislas om den hals.
Othomar draagt zijn groot-uniform van chef van het regiment der
kurassiers van Xara: zilver, rood en wit. Zijn helm met vederbos houdt
hij onder den arm. Hij drukt den hertog de hand, spreekt hartelijke
woorden tot hem. Maar in de naïveteit zijner jongensziel voelt hij
bittere wroeging knagen aan iets van geweten, nu hij zoo spreekt van
Castel Vaza, nu hij de innige betuigingen van den hertog aanhoort. Ook
den markies van Xardi drukt Othomar de hand.
Nu is ook de hertogin nader gekomen en begroet zij den kroonprins met
hare beroemde nijging. Lady Danbury benijdt heure gratie en vraagt zich
af, hoe ze mogelijk is met die sculpturale vormen: ze kan zich niet
ontkennen, dat de hertogin van Yemana een splendide vrouw is...
Tusschen den hertog en de hertogin gaat de prins door de haie der
gasten, die buigen; de markies van Xardi volgt met de adjudanten.
Othomar heeft de hertogin na zijn terugkeer in Lipara wel eenige malen
in het Imperiaal gezien, maar niet alleen. Zij wisselen nu hoffelijke
woorden, met officieele stembuiging en klank. De groepen vormen zich
weêr, als op een intimen raôut.
De hertogin is met Othomar verder gegaan, tot de lange serre toe,
weinig verlicht, groen schemerend, met het voornaam palmgeblader der
groote planten, met het fijn gewemel der bamboezen, die tegen de
vierkante ruiten parelen dauw aanademen. Zij zwijgen een oogenblik,
zien elkaâr aan. En Othomar voelt, dat zijne aandoeningen om deze vrouw
niets zijn dan vluchtende momenten, wolkjes in zijne ziel. Het
onbekende is voor hem opengegaan, maar werd hem désilluzie. Toch is hij
haar dankbaar voor wat zij hem gaf: den troost harer passie, toen zijne
oogen nog nat van verdriet waren. Zij heeft hem gesterkt door dien
troost en hem man gemaakt. Maar alles in het leven is dubbel en zijne
dankbaarheid heeft eene weêrzijde van zonde; hij ziet den hertog ginds
een druk gesprek, onderlijnd met fijne, prezieze gebaren, houden met
Ducardi; en de wroeging vlijmt zacht zijne jongensziel.
En naast zijne dankbaarheid, voelt hij zijne désilluzie. Liefde, is dit
liefde...? Hij voelt niets; in zijne ziel is niets nieuws gekomen. Hij
ziet hoe heerlijk mooi de hertogin is, in haar ivoorkleurig broché, den
sleep met donker bont omzet, de borst vierkant ontbloot, een ris
parelen om den hals. Het half-licht zweemt door de planten
sprookjesachtig groen langs haar heen met zachte dommeling en schaduw
vol geheim; haar gelaat is fijn glimlachend op den achtergrond van
gedoezeld donker. Hij herinnert zich haar zoen en de dolle omhelzing
harer armen. Ja, het was een zalige ontzenuwing, een dronkenschap van
het vleesch, nog niet gekende bedwelming, fyzieke troost. Maar liefde,
was het liefde...? En hij moest wel besluiten: misschien is het liefde,
en al voelt hij het gemis in zijne ziel, hij besluit toch: ja,
misschien is het dat... liefde.
—En wanneer zie ik Uwe Hoogheid weêr? fluistert ze.
De vraag is ruw gedaan en verwondert hem. Maar deze enkele seconde van
even-alleen-zijn is der hertogin zoo kostbaar, dat zij wel niet anders
kan. Ze ziet zijne verwondering en aanbidt hem om zijne naïveteit. En
hare oogen zien hem zoo dringend aan, dat hij antwoordt:
—Morgen dineer ik bij den Franschen gezant; daarna ga ik naar de
opera... Kan ik u om elf uur hier vinden?
Hij verwondert zich om den logischen gang zijner gedachten, om zijn
vraag, die hem zoo vreemd in de ooren klinkt. Maar zij antwoordt,
verlegen lachend:
—In Godsnaam, Hoogheid; hier niet, om elf uur! Hoe zoû dat kunnen...!
Maar... kom bij... Dutri...
Ze stamelt het; ze herinnert zich het weelderige appartement van den
adjudant en ziet er zich terug... met anderen. En in hare verwarring
merkt ze niet, dat ze hem zeer pijn heeft gedaan en zijne
teêrgevoeligheid als met scherpe nagels gekrast heeft; vooral merkt ze
dit niet, omdat hij antwoordt, verward:
—Goed...
Zij komen lachend, met hunne officieele, blanke stemmen terug, wandelen
langzaam; hij, zoo jong in zijn gezilverde uniform, den helm, waaraan
de veeren hangen, onder zijn natuurlijk bevallig geronden arm; zij,
opluikend in glans, den ivoorkleurigen sleep lang slepend achter haar
aan, den waaier van pluimen en brillant op en neêr slaand op haar borst
met het grein van Carrarisch. Alle oogen zien naar ze en letten den
triomf der hertogin op...
En Othomar weet nu, dat zijne “liefde” zal worden, wat men een liaison
noemt, en waarvan hij hoorde van die en van die, en waarvan hij las in
romans. Hij had zich deze regeling zoo nog niet voorgesteld. Hij weet
niet hoe hij aan Dutri zeggen zal, dat hij der hertogin ten zijnent
rendez-vous heeft gegeven, en als hij denkt aan den adjudant, brokkelt
iets van zijn ingeboren vorstelijkheid af als met kleine stukjes marmer
of albast van een tengere zuil...
Den hertog en den generaal naderend, spreekt hij over de aanstaande
manoeuvres. De hertogin ziet hij nu op een afstand en Mena-Doni buigt
zijn Nero-kop tot vlak bij haar gelaat. In zijne groote antipathie voor
dien man mengt zich jaloezie. En terwijl hij glimlachend naar den
hertog van Yemena hoort, meent hij nu zeker te weten, dat zijne liefde
toch wel liefde is, omdat er jaloezie bijkomt.