II.

Van Grondwetherziening en hervorming van het erfelijk Huis van Adel was

geen sprake meer. De drie kwart constitutioneele meerderheid, door de

Grondwet vereischt in het Huis der Standen om zulk een voorstel in

overweging te kunnen nemen,—in den aanvang aanwezig,—bestond niet meer

na de nieuwe verkiezingen. Oscar, aanstonds na zijne terugkomst uit

Altara, had hun zijn durvende kracht getoond. De troepen verzameld om

Lipara; nu goed, voor de manoeuvres, om den koning van Syrië, die komen

zoû. De forten versterkt. Het eskader in de haven. Toen het keizerlijk

besluit, dat het Huis der Standen eenvoudig... zoû worden ontbonden.

Hoe ze geschreeuwd hadden, na de afkondiging van dat besluit, in

couranten en op straat! Een oogenblik ’s avonds iets van een oproer.

Maar de keizer, woedend, over het niet onmiddellijk krachtdadig

optreden van den markies van Dazzara, had dezen den volgenden morgen

zijne hooge ontevredenheid betuigd. De markies voelde, dat er met de

ongenade van den keizer op zekere oogenblikken niet te spotten viel; de

keizer deelde hem zelve op staanden voet zijn ontslag mede, en zeide,

dat hij gaan kon. Verpletterd, de wanhoop in de oogen, verliet de

markies het Imperiaal; op het voorplein kruiste zijn rijtuig dat van

den hertog van Mena-Doni, luitenant-generaal der huzaren; hij zag den

sensueelen Nerokop van den hertog, begeerlijk van ambitie, opgluren

naar de façade van het paleis. De markies had zich in den hoek van zijn

rijtuig teruggegooid en handen gewrongen, geweend als een kind...

Dien zelfden morgen werd Lipara in staat van beleg verklaard; de hertog

van Mena-Doni tot gouverneur der rezidentie benoemd. Met groot militair

vertoon en drie woorden toespraak ontbond de keizer het Huis der

Standen. Het volk trilde, afgezweept, neêrgeranseld, tot kruipen

gebracht aan de keizerlijke voeten. De nieuwe verkiezingen werden

uitgeschreven. Moest het volk getuchtigd worden om zijn keizer lief te

krijgen? Was het om de tallooze artikels in de couranten der

Noordelijke gouvernementen, Altara, Vaza en Lycilië, die geheel hare

sympathie schonken aan hun allerinnemendsten, weldoenden kroonprins,

onvermoeid overal zijnde en lenigend wat hij kon? Was het om de

kolossale fabelachtige giften van millioenen uit de keizerlijke kas

zelve geschonken voor de slachtoffers van de ramp? De uitslag der

verkiezingen werd bekend; het Nieuwe Huis der Standen telde eene

machtelooze luttele meerderheid van constitutioneelen. Wat hielp het of

de liberale bladen schreeuwden van geknoei en pressie! Buiten en binnen

de stad lag het leger; iederen dag vertoonde zich de keizer, en aan

zijne zijde, de hertog van Mena-Doni...

De keizer verzocht het oude Ministerie te blijven, maar ontsloeg de,

niet volstrekt autoritaire, ministers.

De crizis was ten einde. Op het Marsveld zouden de groote

voorjaarsmanoeuvres plaats hebben, zoodra de koning en de koningin van

Syrië te Lipara waren.

In Othomar rees eene hooge bewondering voor zijn vader. Hij had hem

niet lief, met de teederheid, de vertrouwelijkheid, bijna nog

kinderlijke aanhankelijkheid, waarmeê hij de keizerin liefhad; hij had

altijd tegen hem opgezien, was als kind bang voor hem geweest. Nu, na

den persoonlijken moed, dien hij den keizer had zien betoonen, de

heerscherskracht, die hij had uitgeoefend, rees zijne Majesteit voor

Othomars oogen hooger als met de gestalte van een halfgod. Zichzelven

voelde hij daar klein mensch bij, als hij dacht: wat zoû ik gedaan

hebben, als ik hierin had moeten doen? Had ik dadelijk het besluit

durven nemen van eene ontbinding der Standen, en zoû ik niet gevreesd

hebben voor een onmiddellijke revolutie in alle deelen des lands? Zoû

ik, na de ongeregeldheden, dadelijk den markies van Dazzara hebben

kunnen ontslaan, als een lakei hebben durven wegzenden, verknocht als

hij was aan ons Huis, en stammende uit onzen roemrijksten adel! Zoû ik

dien hertog, dien condottiere, met zijn wreeden kop, nog vóor ik den

markies had ontslagen, reeds tot mij hebben durven roepen, zoodat de

een kwam, toen de ander wegging!

En, in zijne verbeelding, zag hij zich reeds weifelen; niet weten, wat

het beste, vooral niet wat het rechtvaardigst zoû zijn; stelde hij

zichzelven voor: geraden door den ouden graaf Myxila, ten laatste dan

besluiten de Standen te ontbinden, maar den markies niet ontslaan.

Lipara niet in staat van beleg verklaren, en de troepen te laat

verzamelen, en de revolutie tegelijkertijd overal zien ontknallen als

met bom op bom...

Het rechtvaardigste, dit scheen hem het allermoeilijkst te doen voor

een vorst.

Maar de monarchale zege van den keizer maakte dat, hoe waar hij ook in

zichzelven zijne zwakte zag, een weêrschijn van kracht en beslistheid

op hem afstraalde van zijn vader zelven, aan wiens zijde hij stond.

Daarbij had hij niet veel tijd tot peinzen. Iedere dag bracht zijne

eigenaardige plichten meê. Nauwelijks éen enkel uur eenzame rust kon

hij zich maken. Hij was gewend aan dit leven van zich altijd bewegen,

zich altijd voordoen, nu hier, dan daar, er zoo aan gewend dat hij niet

voelde de vermoeienis, die hem reeds vóór de tournée in het Noorden

afmatte, en zich als ingekankerd had in zijn merg en zijne zenuwen. Hij

dacht over die vermoeienis niet na, beschouwde ze misschien als eene

organische loomte, iets tijdelijks, dat wel zoû overgaan. En iedere dag

bracht het zijne. Zoo was hij gewend vroeg op te staan, altijd om zeven

uur; Lipara lag dan nog in haren rozen sluimer van morgenlicht, stil

wit; hij reed dan op zijn volbloed Arabier, zwarten Emiro,—even achter

zich zijn lievelings-Schotschen-herdershond, meê galoppeerend, den

spitsen snuit gestrekt, den kraag van haren hoog opgezet—; zonder

adjudanten ging hij het park van het Imperiaal door, naar de

Elizabethparken—des middags het rendez-vous der elegante equipages en

cavaliers,—des morgens stil en wijd verlaten, met nauwelijks éen

enkelen vroegen ruiter, die eerbiedig voor den prins front maakte en

den hoed diep afnam. Dan reed hij langs de witte kaden met hare villa’s

en palmen, hare terrassen en aloë’s en de onvergelijkbare haven lag

voor hem, steeds intenser opblauwend onder het roze licht van den

morgen, dat straffer werd. Verder op, de dokken, de schepen; daar

gonsde er al de werkzaamheid. Langzaam stapte hij de haven langs; in de

portieken der villa’s zag hij soms iets van de figuur eener vrouw, en

hare oogen hem nakijken door rozen en clematis heen. Die rit was hem

lief, om de zachte frissche lucht, om zijn paard, zijn hond, om de

eenzaamheid met hen beiden, om de lange stille kaden, den wijden

stillen hemel, den verren horizont, die nog even nevelde in laatsten

morgenmist. De morgenbries aanwaaide zijn voorhoofd onder zijn

uniformpet; de gedachten dwaalden doelloos door zijn brein. Dan schudde

hij zich los uit dien wellust, reed terug naar de stad en ging naar de

Xaveriuskazerne, die der lanciers, naar de Wenceslaskazerne, der

grenadiers of naar de Berengarkazerne, die der huzaren. Hier vroeg hij,

onderzocht hij, inspecteerde hij, en vond er zijne adjudanten, Dutri en

Leoni; met hen reed hij terug naar het paleis, en begaf zich naar het

kabinet van zijn vader; het was het uur, dat graaf Myxila bij den

keizer kwam, en de staatszaken met den Rijkskanselier behandeld werden;

de kroonprins was daarbij den laatsten tijd tegenwoordig. Dan zocht hij

de keizerin op, die hem wachtte; het was meestal een allerliefst

moment, dat zij samen vertrouwelijk waren vóór het lunch; vol charme

van intimiteit. Dicht zat hij naast haar op een lagen stoel, nam hij

hare hand, stortte de bezwaren van zijn hart bij haar uit, deelde haar

mede zijn onrust over de toekomst, over zichzelven als hij later zoû

dragen de kroon. Zijne oogen tuurden dan onder op door hunne wimpers,

met hunne zwarte melancholie; zijne stem klaagde en vroeg om troost. En

zij bemoedigde hem; zij zeide, dat niets gebeurde, dan wat gebeuren

moest, dat alles noodzakelijk was in de groote, schalm aan schalm

aaneengeschakelde, wereldorde; dat hij af moest wachten, maar

tegelijkertijd naar zijn eigen gevoel zijn plicht moest doen, en dat

hij zich niet ontzenuwen moest, door zulk eindeloos, niets oplossend

gepeins. Hij zeide haar, dat hij zoo bang was voor zijne eigen

weifelingen, en hoe hij vermoedde, dat zijne besluitnemingen altijd te

laat zouden komen en zij antwoordde hem zacht lachend, dat zoo hij zóo

goed zijne eigen gebreken kende, hij zich moest trainen in beslissen;

hij vroeg haar naar de rechtvaardigheid—de onmogelijkheid voor hem op

aarde—zij wees hem op zijn eigen gevoel van menschelijke ziel. Maar

toch, hoe innig zoet deze uren waren, hij voelde, dat hij de zelfde

bleef onder hun gewissel van woorden, en dat, zoo de woorden gewisseld

waren, er niets in hem veranderd was. Hierom vond hij zich slecht en

meende hij, dat hij zijne moeder niet genoeg liefhad, met niet genoeg

overtuiging. Dan zag hij haar aan, zag haar glimlachen, ried onder

haren glimlach dien nerveuzen angst, die haar nooit meer los zoû laten,

en voelde, dat zij zoo alleen sprak om hèm, om hem op te beuren en niet

uit overtuiging. En de gedachten dwaalden niet meer losjes door hem

heen, als op zijn morgenrit aan de kaden: ze vielen als fijne nevels op

elkaâr in zijn verbeelden en vormden zijn weemoed.

Het lunch was intiem. Na het lunch pozeerde hij een uur voor Thera, die

schilderde en zijn portret maakte. In den namiddag waren er altijd

verschillende bezigheden; tentoonstellingen, liefdadige instellingen,

inrichtingen van allerlei aard te bezoeken, den steen te leggen van een

gebouw, een oorlogschip te laten loopen van stapel. Iedere minuut was

gevuld, en iederen dag vulde zijne minuten anders dan de vorigen. Het

diner werd altijd met groote etiquette en splendeur gebruikt; iederen

dag waren er talrijke genoodigden, diplomaten, hooge ambtenaren,

officieren. Het duurde lang, was iederen dag het ceremonieel gastmaal

van een keizer. Dan des avonds de feesten aan het hof, of ten huize der

ambassadeurs of dignitarissen; de comedies en concerten. De prins bleef

echter nooit laat. In zijn eigen kabinet zat hij dan nog een paar uur

te lezen, te werken; hij ging om twaalf uur naar bed.

Aan dit leven van eentonige afwisseling was hij gewend, er in gegroeid.

Zoodra hij van Lycilië terug was te Lipara—de stad toen nog in staat

van beleg—wachtte het hem drukker dan ooit; de opening van het

Parlement was gauw op zijne terugkomst gevolgd. De keizer was tevreden

geweest over de houding van den kroonprins in het Noorden, misschien om

den lof, die de Noordelijke couranten den hertog van Xara, vol

sympathie, schonken; om zijn oogenblik van populariteit. Hij wilde zijn

zoon meer en meer laten deelen in de staatszaken en sprak meer met hem

over ze, alleen of met den Rijkskanselier. De strenge maatregelen

echter van ruw geweld, die de hertog van Mena-Doni genomen

had,—hijzelve te Lipara, en zijne officieren te Thracyna: hevige

charges der huzaren op de dringende menigte—waren Othomar tegen

geweest: hij had ze met wanhoop en smart vernomen, en toch geweten, dat

met zachtheid niets ware verkregen. En in zijn opzien tegen den keizer,

als tegen een halfgod van wil en van kracht, mengde zich iets van

antipathie en onwil, dat hem van zijn vader stiet, en moeilijk maakte

gedachtewisseling tusschen hen beiden.

Nu, na de opening van het Parlement, was de stad, het geheele land,

kalm geworden; de troepen echter bleven op het Marsveld, voor de

aanstaande manoeuvres. De komst der Syrische vorsten was bepaald.

Othomars dagen volgden zich weêr op als vroeger. Verschillende diners

werden hem aangeboden, door de officieren der Garde van den Troon, en

der andere corpsen, waarin hij zijn rang bekleedde. Ja, het was zijn

oogenblik van populariteit. Men citeerde reeds, dat zijn bijnaam later

zoû klinken als Othomar de Weldadige. In deze dagen legde hij den

eersten steen van een groot Huis der Armen, tot welker stichting de

erfenis van een schatrijken, kinderloozen hertog—een der oudste

geslachten van Liparië, dat uitstierf,— millioenen had bijgedragen.

Othomars zachtheid maakte een innemend contrast met de, juist

uitgeoefende, ruwe kracht van Oscar. Hijzelve was echter innerlijk zeer

verbaasd over zijn roep van weldadigheid; hij deed gaarne goed, maar

voelde zucht tot goed-doen niet als hoofdtrek van zijn karakter in

zich. Hij voelde integendeel géen hoofdtrek in zich.

Na het diner hem door de officieren van den Staf aangeboden, zoû

Othomar des avonds met Ducardi, Dutri en Leonie gaan naar den hertog

van Yemena, om den opperhofmaarschalk officieel dank te zeggen voor de

gastvrijheid hem op Castel Vaza betoond. De hertog bewoonde in Lipara

een groot nieuw hôtel; zijn oud familiehôtel was te Altara.

Het was negen uur. De kroonprins werd nog niet verwacht. De hertog en

de hertogin echter ontvingen reeds hunne invité’s; de hertogin had,

toen Othomar zijn bezoek had doen aankondigen, talrijke uitnoodigingen

gedaan. De ruime receptiesalons vulden zich. Bijna geheel het corps

diplomatique was tegenwoordig; enkele der ministers en groote charges

van het hof, met hunne dames; de oude gravin Myxila en hare dochters,

tal van officieren. Het was de intime kring van het Imperiaal; eene

brutale gemeenzaamheid ging onder hen om, met het sans-gêne, dat in de

mode was.

Bij de hertogin stonden Lady Danbury, de vrouw van den eersten

Engelschen secretaris en de markies van Xardi, de zoon van den hertog.

Zij praatten druk over de Dazzara’s.

—Ik heb ze gezien, zei Lady Danbury. Het is verschrikkelijk,

verschrikkelijk. Ze wonen nu op Castel Dazzara, die oude ruïne in

Thracyna, met hun vijf dochters, poor things! De plafonds vallen in.

Drie kromme oude bedienden in liverei, en de liverei ouder nog dan de

bedienden. En schulden, naar men zegt, schulden! Ik stond verbaasd, dat

de markiezin zóo oud was geworden: ze heeft het zich vreeselijk

aangetrokken, schijnt het.

—Oud geworden? vroeg de hertogin. Ik vond haar nog zeer jong, den

laatsten keer, dat ik haar zag...

Ze haatte Lady Danbury, die lang, mager en spits van trekken was, en

iets had van een gracieuze adder. En ze vervolgde:

—Ze zag er nog zoo goed uit; ze is tenger, maar ze heeft een prachtigen

hals... Ik begrijp heusch niet, dat ze zóo oud kan zijn geworden...

En als peinzende over dit raadsel, tuurt de hertogin naar de te magere

schouders van Lady Danbury.

De oogen van Xardi schitteren; hij vermoedt een schermutseling.

—Men zegt, dat de markies un de vos intimes was, vroeger, niet waar?

insinueert de Engelsche. Het hatelijke “vroeger” valt Xardi echter

tegen.

—Ik hoû veel van de Dazzara’s, zegt de hertogin; maar... en ze lacht

geheimzinnig met bedoeling; hij is altijd een ongeluksvogel geweest...

—Zijne Excellentie, den hertog van Mena-Doni! kondigt de hofmeester

aan.

—De opgaande zon! fluistert Xardi tot Lady Danbury.

Mena-Doni buigt zich reeds voor de hertogin, die hem tegenlacht. Lady

Danbury, aan de zijde van Xardi, is doorgegaan.

—En de geluksvogel, denkt u? vraagt ze.

—O neen! zegt Xardi beslist. Ten minste, niet heelemaal...

Ze zien elkaâr aan, en lachen.

Keizerlijke adelaren blijven toch de mooiste vogels, niet waar?

schertst Lady Danbury.

—Wat weet u daarvan?

—Helaas, mijn nederige persoon niets. Eer ik het zoover in zoölogie

breng...!

—Maar wat heeft u dan gehoord?

—Wat iedereen hoort, als Dutri niet zijn mond kan houden.

—Omtrent wat?

—Omtrent zeker teeder afscheid op Castel Vaza...

De markies van Xardi schatert van het lachen. Lady Danbury klemt in

eens zijn arm.

—Zeg, Xardi, ik weet wel mindere tengere personen, dan de markiezin van

Dazzara, die zouden vervallen om de keizerlijke disgrâce. Et toi?

De markies lacht luid meê, en:

—Zelfs maar een kroonprinselijke... fluistert hij, achter den

Watteau-waaier van Lady Danbury; ze proesten van het lachen samen.

—Zijn Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara; hunne Excellenties,

graaf Ducardi, prins Dutri, de markies van Leoni! luidt het plechtig,

langzaam aangekondigd.

Er ontstaat eene lichte emotie in de groepen. Men schaart zich en haie

door de zaal; een paar dames verwarren zich in hare slepen en lachen.

Zoo wacht men.

Othomar verschijnt aan de opene deur; Ducardi, Dutri en Leoni zijn

achter hem. De oude hertog haast zich den prins tegemoet; de markies

van Xardi heeft Lady Danbury haastig haren waaier in de hand geduwd, en

voegt zich bij zijnen vader.

De oude hertog is een fijne magere man, vol geäffineerd ras, met geheel

gladgeschoren gelaat; hij is eenvoudig in rok, met het breede groene

Commandeurslint van den Rijksappel dwars over de borst, en het

grootkruis van St. Ladislas om den hals.

Othomar draagt zijn groot-uniform van chef van het regiment der

kurassiers van Xara: zilver, rood en wit. Zijn helm met vederbos houdt

hij onder den arm. Hij drukt den hertog de hand, spreekt hartelijke

woorden tot hem. Maar in de naïveteit zijner jongensziel voelt hij

bittere wroeging knagen aan iets van geweten, nu hij zoo spreekt van

Castel Vaza, nu hij de innige betuigingen van den hertog aanhoort. Ook

den markies van Xardi drukt Othomar de hand.

Nu is ook de hertogin nader gekomen en begroet zij den kroonprins met

hare beroemde nijging. Lady Danbury benijdt heure gratie en vraagt zich

af, hoe ze mogelijk is met die sculpturale vormen: ze kan zich niet

ontkennen, dat de hertogin van Yemana een splendide vrouw is...

Tusschen den hertog en de hertogin gaat de prins door de haie der

gasten, die buigen; de markies van Xardi volgt met de adjudanten.

Othomar heeft de hertogin na zijn terugkeer in Lipara wel eenige malen

in het Imperiaal gezien, maar niet alleen. Zij wisselen nu hoffelijke

woorden, met officieele stembuiging en klank. De groepen vormen zich

weêr, als op een intimen raôut.

De hertogin is met Othomar verder gegaan, tot de lange serre toe,

weinig verlicht, groen schemerend, met het voornaam palmgeblader der

groote planten, met het fijn gewemel der bamboezen, die tegen de

vierkante ruiten parelen dauw aanademen. Zij zwijgen een oogenblik,

zien elkaâr aan. En Othomar voelt, dat zijne aandoeningen om deze vrouw

niets zijn dan vluchtende momenten, wolkjes in zijne ziel. Het

onbekende is voor hem opengegaan, maar werd hem désilluzie. Toch is hij

haar dankbaar voor wat zij hem gaf: den troost harer passie, toen zijne

oogen nog nat van verdriet waren. Zij heeft hem gesterkt door dien

troost en hem man gemaakt. Maar alles in het leven is dubbel en zijne

dankbaarheid heeft eene weêrzijde van zonde; hij ziet den hertog ginds

een druk gesprek, onderlijnd met fijne, prezieze gebaren, houden met

Ducardi; en de wroeging vlijmt zacht zijne jongensziel.

En naast zijne dankbaarheid, voelt hij zijne désilluzie. Liefde, is dit

liefde...? Hij voelt niets; in zijne ziel is niets nieuws gekomen. Hij

ziet hoe heerlijk mooi de hertogin is, in haar ivoorkleurig broché, den

sleep met donker bont omzet, de borst vierkant ontbloot, een ris

parelen om den hals. Het half-licht zweemt door de planten

sprookjesachtig groen langs haar heen met zachte dommeling en schaduw

vol geheim; haar gelaat is fijn glimlachend op den achtergrond van

gedoezeld donker. Hij herinnert zich haar zoen en de dolle omhelzing

harer armen. Ja, het was een zalige ontzenuwing, een dronkenschap van

het vleesch, nog niet gekende bedwelming, fyzieke troost. Maar liefde,

was het liefde...? En hij moest wel besluiten: misschien is het liefde,

en al voelt hij het gemis in zijne ziel, hij besluit toch: ja,

misschien is het dat... liefde.

—En wanneer zie ik Uwe Hoogheid weêr? fluistert ze.

De vraag is ruw gedaan en verwondert hem. Maar deze enkele seconde van

even-alleen-zijn is der hertogin zoo kostbaar, dat zij wel niet anders

kan. Ze ziet zijne verwondering en aanbidt hem om zijne naïveteit. En

hare oogen zien hem zoo dringend aan, dat hij antwoordt:

—Morgen dineer ik bij den Franschen gezant; daarna ga ik naar de

opera... Kan ik u om elf uur hier vinden?

Hij verwondert zich om den logischen gang zijner gedachten, om zijn

vraag, die hem zoo vreemd in de ooren klinkt. Maar zij antwoordt,

verlegen lachend:

—In Godsnaam, Hoogheid; hier niet, om elf uur! Hoe zoû dat kunnen...!

Maar... kom bij... Dutri...

Ze stamelt het; ze herinnert zich het weelderige appartement van den

adjudant en ziet er zich terug... met anderen. En in hare verwarring

merkt ze niet, dat ze hem zeer pijn heeft gedaan en zijne

teêrgevoeligheid als met scherpe nagels gekrast heeft; vooral merkt ze

dit niet, omdat hij antwoordt, verward:

—Goed...

Zij komen lachend, met hunne officieele, blanke stemmen terug, wandelen

langzaam; hij, zoo jong in zijn gezilverde uniform, den helm, waaraan

de veeren hangen, onder zijn natuurlijk bevallig geronden arm; zij,

opluikend in glans, den ivoorkleurigen sleep lang slepend achter haar

aan, den waaier van pluimen en brillant op en neêr slaand op haar borst

met het grein van Carrarisch. Alle oogen zien naar ze en letten den

triomf der hertogin op...

En Othomar weet nu, dat zijne “liefde” zal worden, wat men een liaison

noemt, en waarvan hij hoorde van die en van die, en waarvan hij las in

romans. Hij had zich deze regeling zoo nog niet voorgesteld. Hij weet

niet hoe hij aan Dutri zeggen zal, dat hij der hertogin ten zijnent

rendez-vous heeft gegeven, en als hij denkt aan den adjudant, brokkelt

iets van zijn ingeboren vorstelijkheid af als met kleine stukjes marmer

of albast van een tengere zuil...

Den hertog en den generaal naderend, spreekt hij over de aanstaande

manoeuvres. De hertogin ziet hij nu op een afstand en Mena-Doni buigt

zijn Nero-kop tot vlak bij haar gelaat. In zijne groote antipathie voor

dien man mengt zich jaloezie. En terwijl hij glimlachend naar den

hertog van Yemena hoort, meent hij nu zeker te weten, dat zijne liefde

toch wel liefde is, omdat er jaloezie bijkomt.

Majesteit · 第 23 / 52 题