I.

Het was na de opening van het nieuwe Parlement; de zon vloeide als met

rechte vakken gesmolten goud langs de witte paleizen der stad en

blauwde alleen wat schaduw was, in de hoeken.

In twee maal twee gelederen, opgesteld langs de trottoirs der

hoofdstraten, die voerden van het Paleis der Parlementen tot het

Imperiaal toe, stonden twee regimenten der infanterie, grenadiers, rood

en blauw. Achter ze drong en woelde, joelde de menigte; alle vensters,

open, wemelden vol gezichten; van alle balkons zag men toe. Een schot

daverde van Wenceslasfort aan zee; de keizer keerde terug; compagnie na

compagnie prezenteerde de infanterie het geweer...

De lanciers voorop, blauw en wit, wemelend met wimpels aan de punt van

de lans, zes escadrons. De geheele Garde van den Troon; wit, met

kurassen van spiegelend goud, zonneflitsend boven het satijnzwart der

hengsten, de hellebaard op de dij, omstuwend de zacht wiegelende

galakoetsen, zwaar verguld en spiegelkristal, flonkerend en twee

gekeizerkroond, met zes- en achtspannen van gepluimkopte schimmels. De

paarden schuimen op hunne gebitten, ongeduldig, pezig gebogen de

pooten, trappelend om den langzamen stap van ceremonie, over de

verblindend vierkant geplaveide straten heen. In de eerste koets, de

opperceremoniemeester, graaf de Threma; in de tweede met de kroon en

het achtspan—en het gegons van gejuich stijgt op achter de haie der

soldaten—de keizer, de uniform éen goud, den mantel hermelijn en

scharlaken, de kroon op het hoofd. Het is de eenige maal, dat het volk

hun keizer gekroond ziet.

En het juicht. Maar de keizer groet niet terug; links en rechts,

beurtelings, ziet hij door het kristal van de koets naar de menigte met

een trotschen glimlach van zelfbewustheid en overwinning, en zijn

gelaat, vol ras, vol kracht, koud van wil, trotsch van gezag, is

ongenaakbaar in zijn glimlach als van een imperator, op zijn zegetocht.

Zegetocht is ze, die gang van het Paleis der Parlementen naar zijn

Imperiaal terug; zege over wat men hem betwistte, en waarop hij nu zijn

zware hand gelegd heeft, hun allen toonende, dat de wil van hem alleen

hen buigen kan naar zijn woord en wensch. En het gejuich stijgt luider

op en luider uit die grillige menigte, bedwongen als een vrouw door een

heerscher, dien zij nu aanbidt om zijn kracht, bewondert om zijne

keizermacht, welke hij steunt van het Parlement tot zijn eigen paleis

toe, als met een geheel leger, dat leeft op zijn wenk; en luider en

luider, luider en luider, galmt het leve door den zonmiddag de marmeren

huizen te boven, en de keizer glimlacht, glimlacht altijd, of zijn

glimlach meent: juicht, ge kunt wel niet ànders dan juichen...!

In de volgende koets de hertog van Xara, gemanteld, gekroond; strak

staart hij over het galmend gewoel met den zelfden blik van zijne

moeder over de volksmenigte. In de daarop volgende de nieuwe

gouverneur-generaal der rezidentie, chef van het Militaire Huis van den

keizer, de hertog van Mena-Doni, ruwer soldaat en minder hofman dan de

Markies van Dazzara, en onder wiens militaire vuist de blanke

rezidentie, als een geranselde slavin, krom heeft gekropen tijdens den

staat van beleg, afgekondigd na éen enkel uur van ongeregeldheid, dat

had durven volgen op het besluit van den keizer om het Huis der Standen

te ontbinden. Zijn grove, zinnelijke mond glimlacht ook met den zelfden

glimlach van den keizer, wiens ruwe kracht hij schijnt te

verpersoonlijken, en ook hij schijnt te zeggen: juicht maar toe, roept

maar: leve!

Dan de volgende koetsen: De Rijkskanselier, graaf Myxila; de ministers;

zeven onder hen de zelfde der twaalf, die hadden willen heengaan, de

anderen onder de autoritairsten van den ouden adel van het Huis van

Adel zelve gekozen!

Juicht maar toe, roept maar leve...

Achter de koetsen der opperhofdignitarissen de kurassiers van Xara, het

eigen regiment van den kroonprins; daarachter een regiment der

Colonialen: Afrikanen; moorwit als glimmend ebbenhout, de oogen kralen,

de monden dik vooruit, in het mousseline-achtige sneeuw der burnoussen;

achter hen twee regimenten huzaren op zware paarden, in hun lange

groene jassen met gouden brandebourgs en hooge kolbakken.

Is ooit het Parlement zoo geopend geworden, met zulk vertoon van

strijdbare macht? En buiten de stad, op het hooge Marsveld, weet het

volk niet, dat er troepen uit alle gouvernementen zijn samengetrokken,

en er kampeeren, om de manoeuvres, die vervroegd zijn? En de sterkere

bezetting der forten, het eskader in de haven? Voelt het volk zelve,

dat het niet anders dan juichen kàn, en juicht het nu maar ook, zelve

weêr gelukkig om zijn gejuich, met Romaansche buigzaamheid en

zuidelijke inschikkelijkheid, en verliefd op den keizer om het gewicht

van zijn pletterende vuist, den kroonprins beminnend om de sympathieke

innemendheid van zijn doen in het Noorden; misschien wel: omdat zij hem

interessant vinden na een mislukten aanslag op zijn leven?

En het schijnt hun niet te deeren, dat zij door de, geweer

prezenteerende, grenadiers heen noch den keizer, noch den kroonprins,

groeten zien; zij juichen, hen, ondanks, òm hunne koelheid misschien

beminnend; zij juichen als dollen...

Langzaam gaat de stoet van ceremonie door de eindeloos lange

hoofdstraten voort. De geheele stad, trots haar marmer, dreunt van den

hoefslag der paarden, op het vierkant plaveisel. Tusschen de voorhoede

en de eindelooze achterhoede schemeren de galakoetsen met hare

schitterende Troongarde als iets van juweel, klein, weinig, zorgvuldig

bewaakt. De cavalerie is op dit oogenblik de ziel van Lipara; de

daverende stap haar hartslag, en tusschen de grenadiers en de hooge

huizen, schijnt het samengedrongen, dóórjuichende volk nauwelijks

ruimte te hebben tot ademen.

De stoet nadert het Imperiaal. Langs het kolossale marmeren voorplein

scharen zich de lanciers en kurassiers aan drie zijden, voor de

zijvleugels en langs de facade. Vóór hen schaart zich de Garde. De

Afrikanen sluiten het plein af...

De koetsen rijden voor; de keizer is uitgestapt. Met den kroonprins aan

zijne zijde, gaat hij door de vestibule, de trappen op. De galerijen

van het paleis wemelen van gouden uniformen, een dicht gevolg stuwt

zich achter Oscar en Othomar. De grootmeester van de garderobe met

twaalf kamerjonkers treedt den keizer tegemoet, die, evenals de prins,

de kroon aflegt; de mantels worden hun losgehaakt.

Zij gaan naar de groote Witte Zaal, wit van de Corinthische zuilen, met

vergulde kapiteelen; de keizerin, de prinses Thera, te midden van hare

dames zijn daar. Het is een groote dag; de monarchie triomfeert met die

zonne-apotheoze van parlementsopening over de dreiging van toekomst

heen en duwt die toekomst zelve terug. De keizerin, in haar slepend

licht violet fluweel, treed haar gemaal tegemoet en nijgt voor hem, in

ceremonie. De prinses, de grootmeesteres, de dames nijgen...

Buiten, vóór, is het plein nu gevuld met de menigte; een opgewonden

volksgeschreeuw schalmeit tegen het onwrikbaar paleis op, als eene zee

tegen een rots. De deuren van het middelbalkon worden geopend. De

keizer en de prins zullen zich vertoonen...

—Groet maar héel even, fluistert de keizer streng tot zijn zoon.

De zon regent buiten goud neêr op het gewoel, kleurt het dwarrelig,

bewegelijk, zuidelijke bont tusschen de witte, onbewegelijke

voor-zijvleugels van het Imperiaal, waarvan de kariatyden roerloos

neêrzien. De vorsten stappen op het balkon. De hoeden zwaaien naar hen

op; het geschreeuw bulkt met éen luidruchtig vulgairen keelgalm naar

boven en schoot door de open deuren tegen het verguld plafond en de

zuilen der Witte Zaal aan. De keizerin verschrikt er om, verbleekt;

hare adem stokt...

Op het balkon groet de keizer van Liparië met een enkele wuiving van

hand zijn opgetogen volk tegen, de hertog van Xara buigt licht het

hoofd.

Majesteit · 第 22 / 52 题