Het lunch had al de intimiteit van een allerbekoorlijkst tête-à-tête,
gediend in de kleine eetkamer; de hofmeester alleen achter tafel. De
hertogin vroeg zeer belangstellend hoe Othomar het maakte; de prins
voelde zich waarlijk al uitgerust, had goeden eetlust, was vroolijk,
prees den kok en den beroemden Lyciliër. Toen de hertogin hem na het
lunch voorstelde een kleinen toer te maken in den omtrek, vond hij dit
een uitstekend idee. Hijzelve wilde te paard—hij wist, dat de hertogin
eene uitstekende amazone was,—maar Alexa ried dit lachend af; zei, dat
ze bang was voor generaal Ducardi, die den prins rust had aanbevolen,
en meende, dat een kleine rijtoer in open rijtuig minder afmattend zijn
zoû. Zij had zich bijtijds herinnerd, dat eene amazone haar zwaar en
oud maakte, en was heel blij, dat de prins toegaf.
Het was heerlijk weer gebleven; zachte zon in blauwe lucht. Het
landschap deinde zich wijd uit; de bergen stonden schril en steil met
hunne ijskammen in den ether. De toer had het bekoorlijke van een
incognito zonder etiquette; de prins in zijn klein uniform naast de
hertogin, in een eenvoudig somber toilet van mauve velours-de-chasse,
in de elegante, lichte victoria, waarop de koetsier alleen zat, zonder
palfrenier, vlug de twee slanke goudvossen aanzettend. De zon
glansplekte over de gladde robes der paarden, spiegelde in het verlakt
van het rijtuig, en in de facetten der geslepen lantarens, op den
hoogen hoed van den koetsier en in de knoopen van Othomars uniform. Al
dit vonken wisselde in kort straalgeflits, en zoo, flonkerend,
luchtigjes, gleed het rijtuig over den weg, door een paar dorpjes,
waarvan de bewoners hunne landvrouw groeteden, maar niet wisten wie was
de eenvoudige jonge officier, die naast haar zat. Een bries had de
vocht der vroegere dagen droog gewaaid, en lichte wolkjes van stof
stuivelden zelfs onder de snel raderende wielen op.
De hertogin sprak veel, over Lipara, den keizer, de keizerin. Zij had
dien tact van instinctmatig te voelen wat te zeggen en waarover te
spreken, als zij behagen wilde. Hare stem was een charme. Zij kon soms
een grooten eenvoud en natuurlijkheid hebben, meestal als ze er niet
aan dacht hoe zich voor te doen. Instinctmatig, tegenover den prins, om
hem sympathiek te zijn, nam ze dien zelfden eenvoud aan, die hare
natuur was. Ze werd er jaren jonger om; de brutale chic van de mode
flatteerde haar veel minder, en maakte haar ouder, zelfs vulgair.
Zooals nu affineerde ze zich in de natuurlijke distinctie van een oud
geslacht. De zwarte voilette om den kleinen hoed verborg de leelijke
rimpeltjes en hare oogen glansden als sterren er door heen.
De prins herinnerde zich verhalen van zijne adjudanten,—van Dutri niet
uitgezonderd—over de hertogin: hij herinnerde zich namen, die
fluisterend genoemd werden. Hij geloofde op dit oogenblik niet aan dien
laster, zooals hij meende. Gevoelig als hij was voor sympathie,
streelde hem de hare, die hij bij intuïtie in haar ried, en deed hem
goed en lief van haar denken, zooals hij dacht van allen, die van hèm
hielden.
Het rijtuig was tusschen hellingen en wijngaarden gegaan, toen het
opeens als bij verrassing langs een kasteel reed, half zichtbaar
tusschen heel oude kastanjeboomen.
—“Wat is dit goed?” vroeg de prins. Wie zijn hier uw buren, mevrouw?
—Niemand minder dan Zanti, Hoogheid, antwoordde de hertogin; zij
huiverde, maar poogde te schertsen. Balthazar Zanti woont hier met zijn
dochter.
—Zanti! Balthazar Zanti?! riep Othomar verbaasd; hij richtte zich op,
keek nieuwsgierig naar het slot, dat zich verborg achter de kastanjes.
Maar hoe komt het dan, mevrouw, dat ik verleden jaar, toen ik met den
keizer bij mijnheer den hertog jaagde, nooit van prins Zanti gehoord
heb, en dat hij hier woonde?
De hertogin lachte.
—Denkelijk, Hoogheid, omdat de jacht van den hertog een anderen kant op
ligt—zij maakte met de hand eene vage beweging—en U hier dus niet
voorbij kwam, en omdat Zijne Majesteit den naam van Balthazar Zanti
niet hooren wil.
—Maar door niemand van de adjudanten...!
De hertogin lachte nog vroolijker, zag den prins, schertslachend ook,
aan en sprak:
—Het is zeker onvergeeflijk van ze U niet beter in te lichten omtrent
de merkwaardigheden van het gouvernement van Vaza. Maar... ik bedenk me
nu, het is heel natuurlijk, Hoogheid. Het kasteel stond verleden jaar
leêg; Zanti reisde door het rijk en hield redevoeringen. U herinnert
zich, ze zijn later gerechtelijk verboden. Zijn naam was dus toen hier
nog geen locale klank...
De prins zag nog altijd naar het slot, dat maar niet geheel zichtbaar
werd, toen het rijtuig, met een bocht van den weg, bijna rakelings reed
voorbij een kleine groep, aan de helling van een wijngaardheuvel: een
oude man, een jong meisje, een hond; het jonge meisje, teêr, tenger,
bleek, blond, trots de zon in veel bont gekleed, waaronder zij nog eene
zekere morbide elegance behield; ze zat op het gras, een donker bonten
toque op het zilverblonde haar; hare lange, witte hand, ongeschoeid,
klopte tot kalmte manend op den kroeskop van den retriever, die het
rijtuig aanblafte; en naast haar stond, hoog, een groote, oude man,
vreemd in een ruimen, grauwen kiel; een grijze reus, met zwaren baard
en sombere oogen, zwart schemerend onder den rand van een slappen
vilten hoed. De hond blafte; het meisje groette even—ze herkende de
hertogin als bure—zonder den prins te kennen; de oude man echter zag
strak fronsend, en groette niet. Het rijtuig ratelde voorbij.
—Dat was Zanti... fluisterde de hertogin.
—Zanti...! herhaalde de prins. En sedert wanneer woont hij hier?
—Sedert heel kort; ik geloof, dat de doktoren de lucht van Vaza gezond
achtten voor zijn dochter.
—Dat meisje, was dat zijn dochter?
—Ja, Hoogheid, ik heb haar al eens meer gezien; ze schijnt ziekelijk te
zijn.
—Prins Zanti, niet waar?
—Zeker, Hoogheid, maar op eigen verlangen Zanti tout court... Titels
zijn dwaasheid, Hoogheid, in de negentiende eeuw.
Zij schertste en toch voelde zij eene stille huivering, ze wist niet
waarom. Dat Zanti daar zoo dicht bij Castel Vaza was komen wonen, vond
ze onheilspellend. Den kroonprins zag zij even snel, huiverend, van ter
zijde aan. Zij bespeurde hoe een vreemd nadenken over zijn gelaat trok
als een schaduw. Toen, om het gesprek te wenden, niet meer te denken
aan dien akeligen man:
—U ziet er veel beter uit, Hoogheid, dan van morgen! De lucht heeft U
goed gedaan...
Zij schudde haren huiver af. De prins echter bleef vreemd; een
plotselinge emotie scheen in hem te woelen. Toen zij terug waren in het
kasteel, in het boudoir, wilde de hertogin zelve den prins een kop thee
schenken. Hij stond te kijken naar buiten, naar de herten, maar,
terwijl ze met het geblazoeneerd vergulde gerei van hare theetafel
bezig was, zag ze hem bleek worden, krijtwit,—zooals dien morgen—,
zijne oogen vergrooten, vreemd...
—Wat heeft U, Hoogheid... riep ze verschrikt en trad nader.
Hij wendde zich tot haar, poogde te lachen.
—Pardon, mevrouw, ik ben al heel onhoffelijk... zoo te zijn, maar...
maar die man daar heeft me verrast...—hij lachte—, ik wist niet, dat
hij hier was, en dan de lucht... die ijle lucht...
Hij bracht de hand naar zijn voorhoofd; witter zag ze hem worden, het
bloed scheen uit hem weg te loopen, en hij duizelde...
—Hoogheid...!! riep ze.
Maar Othomar, de hand vaag bewegend als tot steun, was tegen haar
aangevallen; zij ving hem op, in haren arm, aan hare borst, doodelijk
verschrikt, en ze zag, dat hij flauw lag. Een fijn zweet stond op zijn
voorhoofd; zijne oogen loken zich met moede leden, als stierven ze;
zijn mond was open, zonder adem.
De hertogin ontstelde hevig; doodsbang was ze, dat den hertog van Xara
iets ernstigs overkomen zoû, in het kasteel, alleen bij haar; ze voelde
in eens, dat Liparië’s toekomst aan den steun harer armen was
toevertrouwd; ze zag den prins reeds dood, zichzelve in ongenade, aan
het Imperiaal... Dit alles stoof door hare hersenen heen, in het
allereerste oogenblik. Maar zij beschouwde hem lang na, eene zachte
uitdrukking kwam op haar gelaat. Trots, dat de hertog van Xara daar
half flauw op haren schouder lag, en plotselinge passie waarin veel
moederlijkheid en medelijden, mengden zich samen tot een vreemd gevoel
in hare ziel. Zij streek hem zacht het haar weg, veegde zijn bepareld
voorhoofd af met haren zakdoek... En het vreemde gevoel werd vreemder
nog in haar, intenser in zijne beide elementen: intenser in trots,
intenser in medelijdende liefde: die eener minnares en moeder te zamen.
Toen met een glimlach, drukte zij den zakdoek, éven nat van het
keizerlijke zweet, aan hare sidderende lippen. De zachte geur van het
vocht scheen haar te bedwelmen, met een aroom van virile jeugd... Zij
dacht aan de brieven en portretten in het zilveren kistje met de
turkooizen. Een diepe weemoed om het leven vlijmde door hare ziel; nog
meerdere harer herinneringen schenen weg te stuiven als asch. Toen,
zich niet meer willende geven aan dien weemoed, boog ze haar hoofd, en
ernstig nu, zich gevende aan het heden, dat haar van nieuw geluk deed
opleven, drukte zij die lippen, sidderender nog, op Othomars mond. Even
verwijlde zij er; hare oogen sloten zich; toen gaf zij haar zoen.
Zij openden hunne oogen, te gelijkertijd, zagen elkaâr aan. Ernstig
somber, tragisch bijna flitste zij hare blikken in de zijne. Hij zeide
niets, bleef haar aanstaren, nog half in hare armen. De kleur welde
onder zijne wangen terug. Hunne oogen dronken elkaâr in. Hij voelde het
onbekende voor hem openwijken, zich ingewijd worden in de wereld van
kennis, die hij in haar ried en zelve niet wist. Maar hij voelde geene
vreugde er om: hare oogen bleven somber. Toen nam hij alleen hare hand,
drukte die even als eenige tegenliefkoozing, en sprak, de oogen,
onafgewend, in hare groote, stille, zwarte passieblikken, zijn gezicht
nog van verrassing strak:
—Ik was wat duizelig, zoo even...? Ik vraag u excuus, mevrouw...
Ze bleef hem ook aanzien, somber, nu glimlachend nederig. Haar trots
roeide in éen wiekslag op naar het heel hooge: den mond van haren
toekomstigen keizer zegelde nog haar zoen! Hare liefde aanraakte haar
in-leven zooals een waaiende bries over een meer strijkt, het met éen
enkel frisch geblaas geheel zilver rimpelend en bewegend tot in diepte
toe; zij aanbad hem om zijne jonge hoogheid, die zoo genadig aannam
haar zoen, zonder dien verder te erkennen, om zijne keizerlijke
naïviteit, zijne jongensstem, zijne jongensoogen, zijn handdruk: het
eenige, dat hij haar gegeven had; en het was in haar een zeer vreemd
trotsche wellust: het genot die naïve jeugd, die mannelijke
maagdelijkheid aan te zweemen, te beginnen in te drinken met hare
oogen, hare lippen en hare ziel, als tooverdrank, die haarzelve weêr
zoû geven hare jeugd.