V.

Den volgenden morgen zoû de hertogin aan de ontbijttafel prezideeren;

zij was reeds met al de heeren in de eetzaal, toen Othomar binnenkwam,

het laatste. Dutri begeleidde hem. Strak kleedde hem zijne uniform,

blauw, wit en zilver, en hij groette, glimlachend, maar eenigszins

stijf, terwijl Herman hem de hand gaf en de andere bogen, de hertogin

diep neeg.

—Wat ziet de prins bleek! sprak Leoni tot Ducardi.

Het was zoo, de prins zag zeer bleek; zijne oogen stonden dof, maar hij

hield zich goed, at iets van visch, proefde aan een salmis van wild.

Toch was de vermoeidheid van den prins zoo zichtbaar, dat Ducardi zelve

over tafel zacht tot hem zei:

—Voelt Uwe Hoogheid zich niet wel?...

Aller oogen zagen Othomar aan, en hij wilde hunne belangstelling

logenstraffen.

—Ik heb niets, antwoordde hij.

—Heeft Uwe Hoogheid niet goed geslapen? ging Ducardi voort.

—Niet zoo heel goed... moest Othomar bekennen, met een glimlach.

Het gesprek ging door, de hertogin wendde het af; maar na het ontbijt,

op het punt van te gaan—de paarden stonden gezadeld in den

binnenhof—zei Ducardi kortaf:

—We zouden beter doen niet te gaan, Hoogheid!

Othomar verbaasde zich, wilde niet begrijpen.

—U schijnt wat moê, Hoogheid! hernam Ducardi kort, en, zachter,

verontschuldigend:

—En het is ook niet te verwonderen, dat de laatste dagen U hebben

aangegrepen. Als Uwe Hoogheid het mij vergunt, zoû ik haar aanraden

vandaag rust te nemen.

Een zacht gevoel van ontspanning kwam reeds over den prins heen; hij

voelde zich te gestreeld door dit denkbeeld van rust, om langer tegen

te strijden, maar toch stak hem zijn geweten, bij de gedachte aan zijn

vader: eene schaamte, zoo deze hooren mocht van afmatting, die zoo

duidelijk zichtbaar scheen.

En hij wilde volstrekt niet, dat men in het geheel niet zoû gaan. Hij

gaf in zoo verre dan toe aan Ducardi, dat hijzelve niet gaan zoû en

rust zoû nemen, indien men meende, dat hij die behoefde, maar prins

Herman en de anderen verzocht hij dringend de voorgenomen route van

heden te nemen, en te gaan. En hij zeide dit met jeugdige hoogheid, in

zichzelven reeds ontspannen door den dag van rust, die komen zoû, een

geheelen dag, onverwachts! maar vooral bang dit genot te laten merken

en daarom een beetje boudeerend doende, of hij wèl meê wilde, of hij

generaal Ducardi dwaas vond, met zijn raad...

De heeren gingen. De hertogin zelve leidde Othomar naar den westelijken

zijvleugel, drong hem zeer rust te nemen in haar eigen boudoir. Door de

vensters der galerij zag Othomar Herman en de anderen wegrijden; hij

volgde hen een oogenblik met de oogen, ging toen verder met de

hertogin, en zag over den binnenhof een groom het paard dat men

hemzelven gezadeld had, het kloppende aan den hals, terugbrengen naar

stal. Verschillend gevoel woelde nog in hem: streeling van rust, een

beetje angst zich te verraden, schaamte...

In het boudoir liet de hertogin hem alleen. Het was er stil; buiten,

vredig voornaam, graasden de damherten. De rust van het boudoir eener

vrouw van de wereld, met het rijke zwijgend gedrapeer van zijden

stoffen, de afwachtende weekheid van zachte meubels, de kalme

schittering van ornamenten, allen voorwerpen van kunst en kostbaar,

viel met eene suizelooze ademloosheid over hem heen, als een waas van

tulle, geurig van eene onnoembare, zachte emanatie: het parfum zelve

dier vrouw. De werkeloosheid van dit oogenblik van heden sloeg, in

eens, een beetje vreemd, op Othomar neêr en verijlde zijne gedachten in

eene lichte verwondering. Hij was als een hollend paard, dat in eens

wordt stil gerukt, tot staan.

Hij zette zich een oogenblik, keek naar de herten. Toen stond hij op,

bedacht of hij bellen zoû, maar vond het beter zelve even te zoeken. Op

de kleine schrijftafel der hertogin—Japansch verlakt met parelmoêren

landschappen ingelegd en ivoren ooievaren—vond hij een stuk papier, een

potlood.

En hij schreef:

Aan Hare Allergenadigste Majesteit, Elizabeth, Keizerin van Liparië.

Castel Vaza, April 18..

Wil U niet verontrusten, als de couranten overdrijven, en melden, dat

ik ziek ben. Ik was een weinig vermoeid en generaal Ducardi ried mij

aan heden rust te nemen. Herman en de anderen zijn gegaan; morgen hoop

ik van hier uit, onze tweede route te leiden. Overmorgen gaan wij naar

Lycilië.

Othomar.

Toen belde hij en aan den lakei, die verscheen:

—Mijn kamerdienaar, Andro.

Deze verscheen na eenige oogenblikken.

—Andro, zeide Othomar; vraag een paard, ga naar Vaza en bezorg zoo gauw

mogelijk dit telegram aan Hare Majesteit, de keizerin...

Andro ging heen en de vreemd ijle ledigheid viel weêr over Othomar

neêr. Over het park scheen de zon, de herten glansden als van havana

satijnen vellen. De laatste veertien dagen trokken Othomar weêr

voorbij. En het was of hij in het perspectief van dat heele kleine

verleden, de ellende, die hij gezien had en had pogen te troosten, als

éen groot geheel, éene schilderij van menschelijke ramp, zich zag

uitbreiden. En voor het groote leed, dat zijn land vervulde, voelde hij

zijn hart vol medelijden kloppen. Een week gevoel van weemoed, dat er

was zooveel leed, en dat hij was zoo machteloos, klom weêr in hem op,

als het altijd deed, wanneer hij alleen was en kon nadenken. Dan voelde

hij zich klein, onbeduidend, niets kunnende en iets in zijne ziel

duizelde en viel als slap, spierloos neêr van eene opgeschroefde

hoogte, zonder energie en zonder wil. Dan lag dat daar in wanhoop en er

òp drukte, zwaar van al zijn leed, het geheele keizerrijk en

verpletterde het met zijn gewicht van centenaren.

Er waren belangrijke werkstakingen uitgebroken in de Oostelijke

kwikzilvermijnen, aan de andere zijden der Giganten. Hij herinnerde

zich eens een tocht aldaar en te hebben geleden om de vreemd, vaal

bleeke gezichten der arbeiders, die hem met groote holle oogen

aanstaarden, en er langzaam gesloopt werden door hun eigen broodwerk in

een atmosfeer vol gif. En hij wist wel, dat wat hij toen nog gezien

had, iets Zondags was, het welvarendste, dat men vertoonen kon; dat hij

de zwarte diepte hunner ellende nooit zien zoû, omdat hij kroonprins

was. En niets kon hij voor ze doen en als ze nog woester het hoofd

opstaken, dan ze nu reeds deden, zouden de troepen, die er reeds heen

waren, op ze schieten, als op honden.

Hij hijgde luid, als om de centenaren op zijn borst weg te hijgen, maar

ze vielen weêr terug. Het beeld van zijn vader kwam hem voor den geest,

hoog, zeker, bewust van zichzelven, zonder weifeling altijd wetend wat

hij doen zoû, vol vertrouwen, dat majesteit niet feilen kon,

handteekeningen zettend met groote, vaste letters, kortaf: Oscar...

Alles wat zoo geteekend werd: Oscar, was vlekkeloos van

rechtvaardigheid, als het noodlot zelve. Hoe anders was hij, zijn zoon,

en begon met hem dan het oude ras van kracht en gezag te kwijnen, als

met een plotselingen knak in den rug, eene uitputting van merg?

Toen zag hij zijne moeder, Rumeensche prinses, zoo innig beminnend de

haren; vrouwelijkheid, moederlijkheid zelve in hun kleinen kring; voor

het volk trotsch, ongenaakbaar, zonder tact, als hij zelve, niet

bemind, als ook hij niet, tenminste niet in Lipara en het Zuiden van

het rijk. Hij wist het: onder die strakke ongenaakbaarheid verborg zij

haren angst, angst, als zij zat in een open rijtuig, in de comedie, bij

plechtigheden en in de kerk, zelfs bij bezoek aan liefdadige

instellingen; die angst had in haar gedood de groote liefde voor het

algemeen, en ziekelijk overspannen de liefde voor den kleinen kring,

tegen hare, van natuur wijd om zich heen ziende, ziel in. En door dien

angst heen hare berusting, hare afwachting van de catastrofe, de

uitbarsting, waarin zij met de haren zoû omkomen...!

Hij was hun zoon, de opvolger op hun troon: van waar had hij dan zijne

weifeling van niet-kunnen, die zijn vader niet had, en de liefde voor

hun volk, die zijne moeder niet meer had? Zijne voorouders kende hij

alleen uit de historie; in de eerste middeneeuwen barbaarsch, wreed,

later verfijnd sensueel, genotziek; één vorst, zwakkeling, geheel door

hovelingen geregeerd, een roi-fainéant, onder wien het rijk ten prooi

was geworden aan binnenlandsche verdeeldheid en buitenlandsche

hebzucht; daarna beschaafder, eene resurrectie van kracht, reactie van

opkomst na verval, en de roem en de grootheid van het rijk tot nu

toe... Tot nu toe; aan hém was deze erfenis van grootheid en roem; hoe

zoû hij met ze doen, hoe ze eens overgeven aan zijn eigen zoon?

Toen voelde hij zich zoo klein, zoo bang, dat hij wel ergens weg had

willen loopen, uit de, hem aangapende, oogen zijner toekomstige

verplichtingen weg...

Majesteit · 第 16 / 52 题