Den volgenden morgen zoû de hertogin aan de ontbijttafel prezideeren;
zij was reeds met al de heeren in de eetzaal, toen Othomar binnenkwam,
het laatste. Dutri begeleidde hem. Strak kleedde hem zijne uniform,
blauw, wit en zilver, en hij groette, glimlachend, maar eenigszins
stijf, terwijl Herman hem de hand gaf en de andere bogen, de hertogin
diep neeg.
—Wat ziet de prins bleek! sprak Leoni tot Ducardi.
Het was zoo, de prins zag zeer bleek; zijne oogen stonden dof, maar hij
hield zich goed, at iets van visch, proefde aan een salmis van wild.
Toch was de vermoeidheid van den prins zoo zichtbaar, dat Ducardi zelve
over tafel zacht tot hem zei:
—Voelt Uwe Hoogheid zich niet wel?...
Aller oogen zagen Othomar aan, en hij wilde hunne belangstelling
logenstraffen.
—Ik heb niets, antwoordde hij.
—Heeft Uwe Hoogheid niet goed geslapen? ging Ducardi voort.
—Niet zoo heel goed... moest Othomar bekennen, met een glimlach.
Het gesprek ging door, de hertogin wendde het af; maar na het ontbijt,
op het punt van te gaan—de paarden stonden gezadeld in den
binnenhof—zei Ducardi kortaf:
—We zouden beter doen niet te gaan, Hoogheid!
Othomar verbaasde zich, wilde niet begrijpen.
—U schijnt wat moê, Hoogheid! hernam Ducardi kort, en, zachter,
verontschuldigend:
—En het is ook niet te verwonderen, dat de laatste dagen U hebben
aangegrepen. Als Uwe Hoogheid het mij vergunt, zoû ik haar aanraden
vandaag rust te nemen.
Een zacht gevoel van ontspanning kwam reeds over den prins heen; hij
voelde zich te gestreeld door dit denkbeeld van rust, om langer tegen
te strijden, maar toch stak hem zijn geweten, bij de gedachte aan zijn
vader: eene schaamte, zoo deze hooren mocht van afmatting, die zoo
duidelijk zichtbaar scheen.
En hij wilde volstrekt niet, dat men in het geheel niet zoû gaan. Hij
gaf in zoo verre dan toe aan Ducardi, dat hijzelve niet gaan zoû en
rust zoû nemen, indien men meende, dat hij die behoefde, maar prins
Herman en de anderen verzocht hij dringend de voorgenomen route van
heden te nemen, en te gaan. En hij zeide dit met jeugdige hoogheid, in
zichzelven reeds ontspannen door den dag van rust, die komen zoû, een
geheelen dag, onverwachts! maar vooral bang dit genot te laten merken
en daarom een beetje boudeerend doende, of hij wèl meê wilde, of hij
generaal Ducardi dwaas vond, met zijn raad...
De heeren gingen. De hertogin zelve leidde Othomar naar den westelijken
zijvleugel, drong hem zeer rust te nemen in haar eigen boudoir. Door de
vensters der galerij zag Othomar Herman en de anderen wegrijden; hij
volgde hen een oogenblik met de oogen, ging toen verder met de
hertogin, en zag over den binnenhof een groom het paard dat men
hemzelven gezadeld had, het kloppende aan den hals, terugbrengen naar
stal. Verschillend gevoel woelde nog in hem: streeling van rust, een
beetje angst zich te verraden, schaamte...
In het boudoir liet de hertogin hem alleen. Het was er stil; buiten,
vredig voornaam, graasden de damherten. De rust van het boudoir eener
vrouw van de wereld, met het rijke zwijgend gedrapeer van zijden
stoffen, de afwachtende weekheid van zachte meubels, de kalme
schittering van ornamenten, allen voorwerpen van kunst en kostbaar,
viel met eene suizelooze ademloosheid over hem heen, als een waas van
tulle, geurig van eene onnoembare, zachte emanatie: het parfum zelve
dier vrouw. De werkeloosheid van dit oogenblik van heden sloeg, in
eens, een beetje vreemd, op Othomar neêr en verijlde zijne gedachten in
eene lichte verwondering. Hij was als een hollend paard, dat in eens
wordt stil gerukt, tot staan.
Hij zette zich een oogenblik, keek naar de herten. Toen stond hij op,
bedacht of hij bellen zoû, maar vond het beter zelve even te zoeken. Op
de kleine schrijftafel der hertogin—Japansch verlakt met parelmoêren
landschappen ingelegd en ivoren ooievaren—vond hij een stuk papier, een
potlood.
En hij schreef:
Aan Hare Allergenadigste Majesteit, Elizabeth, Keizerin van Liparië.
Castel Vaza, April 18..
Wil U niet verontrusten, als de couranten overdrijven, en melden, dat
ik ziek ben. Ik was een weinig vermoeid en generaal Ducardi ried mij
aan heden rust te nemen. Herman en de anderen zijn gegaan; morgen hoop
ik van hier uit, onze tweede route te leiden. Overmorgen gaan wij naar
Lycilië.
Othomar.
Toen belde hij en aan den lakei, die verscheen:
—Mijn kamerdienaar, Andro.
Deze verscheen na eenige oogenblikken.
—Andro, zeide Othomar; vraag een paard, ga naar Vaza en bezorg zoo gauw
mogelijk dit telegram aan Hare Majesteit, de keizerin...
Andro ging heen en de vreemd ijle ledigheid viel weêr over Othomar
neêr. Over het park scheen de zon, de herten glansden als van havana
satijnen vellen. De laatste veertien dagen trokken Othomar weêr
voorbij. En het was of hij in het perspectief van dat heele kleine
verleden, de ellende, die hij gezien had en had pogen te troosten, als
éen groot geheel, éene schilderij van menschelijke ramp, zich zag
uitbreiden. En voor het groote leed, dat zijn land vervulde, voelde hij
zijn hart vol medelijden kloppen. Een week gevoel van weemoed, dat er
was zooveel leed, en dat hij was zoo machteloos, klom weêr in hem op,
als het altijd deed, wanneer hij alleen was en kon nadenken. Dan voelde
hij zich klein, onbeduidend, niets kunnende en iets in zijne ziel
duizelde en viel als slap, spierloos neêr van eene opgeschroefde
hoogte, zonder energie en zonder wil. Dan lag dat daar in wanhoop en er
òp drukte, zwaar van al zijn leed, het geheele keizerrijk en
verpletterde het met zijn gewicht van centenaren.
Er waren belangrijke werkstakingen uitgebroken in de Oostelijke
kwikzilvermijnen, aan de andere zijden der Giganten. Hij herinnerde
zich eens een tocht aldaar en te hebben geleden om de vreemd, vaal
bleeke gezichten der arbeiders, die hem met groote holle oogen
aanstaarden, en er langzaam gesloopt werden door hun eigen broodwerk in
een atmosfeer vol gif. En hij wist wel, dat wat hij toen nog gezien
had, iets Zondags was, het welvarendste, dat men vertoonen kon; dat hij
de zwarte diepte hunner ellende nooit zien zoû, omdat hij kroonprins
was. En niets kon hij voor ze doen en als ze nog woester het hoofd
opstaken, dan ze nu reeds deden, zouden de troepen, die er reeds heen
waren, op ze schieten, als op honden.
Hij hijgde luid, als om de centenaren op zijn borst weg te hijgen, maar
ze vielen weêr terug. Het beeld van zijn vader kwam hem voor den geest,
hoog, zeker, bewust van zichzelven, zonder weifeling altijd wetend wat
hij doen zoû, vol vertrouwen, dat majesteit niet feilen kon,
handteekeningen zettend met groote, vaste letters, kortaf: Oscar...
Alles wat zoo geteekend werd: Oscar, was vlekkeloos van
rechtvaardigheid, als het noodlot zelve. Hoe anders was hij, zijn zoon,
en begon met hem dan het oude ras van kracht en gezag te kwijnen, als
met een plotselingen knak in den rug, eene uitputting van merg?
Toen zag hij zijne moeder, Rumeensche prinses, zoo innig beminnend de
haren; vrouwelijkheid, moederlijkheid zelve in hun kleinen kring; voor
het volk trotsch, ongenaakbaar, zonder tact, als hij zelve, niet
bemind, als ook hij niet, tenminste niet in Lipara en het Zuiden van
het rijk. Hij wist het: onder die strakke ongenaakbaarheid verborg zij
haren angst, angst, als zij zat in een open rijtuig, in de comedie, bij
plechtigheden en in de kerk, zelfs bij bezoek aan liefdadige
instellingen; die angst had in haar gedood de groote liefde voor het
algemeen, en ziekelijk overspannen de liefde voor den kleinen kring,
tegen hare, van natuur wijd om zich heen ziende, ziel in. En door dien
angst heen hare berusting, hare afwachting van de catastrofe, de
uitbarsting, waarin zij met de haren zoû omkomen...!
Hij was hun zoon, de opvolger op hun troon: van waar had hij dan zijne
weifeling van niet-kunnen, die zijn vader niet had, en de liefde voor
hun volk, die zijne moeder niet meer had? Zijne voorouders kende hij
alleen uit de historie; in de eerste middeneeuwen barbaarsch, wreed,
later verfijnd sensueel, genotziek; één vorst, zwakkeling, geheel door
hovelingen geregeerd, een roi-fainéant, onder wien het rijk ten prooi
was geworden aan binnenlandsche verdeeldheid en buitenlandsche
hebzucht; daarna beschaafder, eene resurrectie van kracht, reactie van
opkomst na verval, en de roem en de grootheid van het rijk tot nu
toe... Tot nu toe; aan hém was deze erfenis van grootheid en roem; hoe
zoû hij met ze doen, hoe ze eens overgeven aan zijn eigen zoon?
Toen voelde hij zich zoo klein, zoo bang, dat hij wel ergens weg had
willen loopen, uit de, hem aangapende, oogen zijner toekomstige
verplichtingen weg...