Men dineerde dien middag laat, daar men gewacht had op Herman en de
anderen. De gesprekken aan tafel liepen over den toestand van het
platteland, over de boeren, die van alles beroofd waren. De hertogin
was stil; de conversatie interesseerde haar niet, maar hare stilte had
iets glimlachend rustigs.
Dien avond bestudeerde Othomar met Ducardi weder de kaart, onder de
kanten lamp. De avond was koud geworden, de deuren van het terras waren
toe. De hertogin had geen lust tot biljarten, maar zij zat in den
tweeden salon zacht met Dutri te praten. Zij zag er prachtig uit,
placide als een beeld, in haar licht geel getint antiek kanten toilet,
de bloote borst regelmatig golvend over eene gelijke ademhaling; een
enkele star van brillanten in het haar van voren.
Othomar wees met het potlood over de kaart.
—Zoo kunnen we dan gaan, langs dien weg... Zie, generaal Ducardi, ziet
u eens hier, kolonel Von Fest, hier heb ik van middag getoerd met
mevrouw de hertogin en hier, geloof ik, woont Zanti. Wist u dat?
De heeren keken op, zagen naar het punt, dat de kroonprins aanwees,
verwonderden zich.
—Ik dacht, dat hij in het Zuiden woonde, in Thracyna! meende de jonge
graaf van Thesbia. Othomar vertelde, wat de hertogin hem gezegd had.
—Zanti! riep Herman; Balthazar Zanti? O, maar dan is hij het...! Ik
sprak van middag met een troep boeren; ze vertelden me van de nieuwe
barakken, die een nieuw landeigenaar uit de buurt had laten opslaan,
maar ze spraken dialect, ik verstond ze niet goed; ik dacht, dat ze
Xanti zeiden, en dan dacht ik er niet aan, dat het Balthazar Zanti kon
zijn. Maar dan is hij het!
—Barakken? vroeg Othomar.
—Ja, een dorp van barakken, naar het scheen; ze spraken er van, dat hij
zoo rijk en zoo genereus was, en ik weet niet hoeveel boeren
huisvestte, die alles verloren hadden.
—Ik meen nu wel in de couranten gelezen te hebben, dat Zanti in Vaza
was gaan wonen, zei Leoni.
—Ik zoû die barakken wel willen zien, we kunnen er morgen aangaan, zei
Othomar.
Generaal Ducardi fronste zijne borstelige brauwen.
—U weet, Hoogheid, dat Zijne Majesteit allesbehalve op Zanti gesteld
is, en er zelfs over denkt hem te verbannen. Het zoû misschien meer in
den geest van Zijne Majesteit zijn, om wat Zanti hier doet, op dit
oogenblik maar te niëeren.
Othomar voelde echter geen lust den generaal toe te geven; een jonge
strijdlust borrelde in hem op.
—Maar generaal, iemands weldaden te niëeren in deze tijden, is noch
dankbaar, noch diplomatiek.
—Ik ben overtuigd, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zijn kasteel
hier bewoonde, Zij Uwe Hoogheid speciaal zoû verzocht hebben zich
volstrekt niet in gemeenschap met dien man te stellen! sprak Ducardi
nadrukkelijk.
—Ik ben hier zoo zeker niet van, generaal! sprak Othomar droog, en
geloof integendeel, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zóo veel
deed voor de slachtoffers van de overstrooming, Zijne Majesteit hem wel
wat liefhebberen in communisme vergeven zoû.
Ducardi beet op zijn snor met een schuinen glimlach.
—Uwe Hoogheid spreekt wel wat luchthartig over dat liefhebberen in
communisme. Zanti’s theorieën en praktijken zijn meer dan
dilettantisme...
—Maar generaal, hernam Othomar zacht; ik begrijp heusch niet waarom
Zanti’s socialisme, op dit oogenblik, verhinderen moet, dat wij,—ik
herhaal op dit oogenblik—apprecieeren hetgeen hij doet, en ons moet
tegenhouden zijn barakken te bezoeken, terwijl we in Vaza komen om
alles omtrent de overstroomingen op te nemen...
Ducardi keek hem aan, boos. Hij was het niet gewend, dat Zijne Hoogheid
zoo tegensprak. De anderen luisterden toe. De hertogin zelve, gelokt
door de discussie, waarin zij Othomars stem hoog op hoorde klinken met
jong gezag, was met Dutri nader gekomen, nieuwsgierig...
—Het zoû toch minstens genomen geen kwaad kunnen die barakken even te
zien, dit moet ik mijn neef toegeven, generaal! sprak Herman van
Gothland, die plezier in Othomar kreeg.
Ook Von Fest sloot zich overtuigend hierbij aan, rondweg, eerlijk,
meende het niet anders dan verplicht te zijn aan de slachtoffers, die
Zanti geborgen had. Iedereen zeide nu zijn opinie: Leoni vond het
onmogelijk, dat de kroonprins Vaza bezoeken zoû en die barakken niet;
het zoû zijn alsof Zijne Hoogheid bang was voor zoo een bullebak van
een Zanti. Dat Othomar Ducardi tegensprak, gaf hun allen grond om zich
schrap te zetten tegen den ouden generaal, die den tocht totnogtoe
geleid had met iets van militair autocratisme, dat hen vaak had
gehinderd. Zelfs Dutri, anders nog al onverschillig, voegde zich bij
hen, blagueerend, met glinsterende oogen, omdat Ducardi eens op zijn
plaats werd gezet. Hij knipoogde tegen de hertogin.
En het waren alleen Siridsen en Thesbia, die op de hand van Ducardi
waren, weifelend, omdat de generaal zoo zeker wist, dat de wil des
keizers anders zoû luiden dan het verlangen van zijn zoon; Thesbia
vooral:
—Ik begrijp niet, dat de prins zoo aandringt, fluisterde hij ontsteld
tot de hertogin. Ducardi heeft gelijk: u weet zelve toch, hoe de keizer
op Zanti gebeten is...
De hertogin haalde glimlachend hare mooie schouders op, luisterend naar
Othomar, dien zij zich hoorde verdedigen, gesteund door uitroepen,
hoofdgeknik der anderen.
—Nu, hoorde zij Ducardi droog antwoorden; als Uwe Hoogheid dan
volstrekt wil, dat wij er heen gaan, zullen wij gaan; ik hoop alleen,
dat Uwe Hoogheid zich altijd herinneren zal, dat ik het in dezen niet
eens met haar was...
De hertog van Xara nu antwoordde hem lachend, na deze overwinning het
eerst den vrede aanbiedend, en was het in het geheele verdere plan, dat
op de kaart tot aan Lycilië werd voortgezet, geheel met den generaal
eens, met kleine vleiende intonaties van goedkeuring en hoogschatting
voor zijn doorzicht en practische blik...
—Hij mag niet l’étoffe hebben voor een groot veldheer, fluisterde Dutri
tot de hertogin: er zal een aardig diplomaatje van hem groeien...
Maar Ducardi was innerlijk zeer boos. Een oogenblik dacht hij er over
den keizer per geheime depêche zijn verlangen te vragen, maar verwierp
dit denkbeeld, daar het in het Imperiaal geen goeden indruk zoû maken,
zoo, in zulk eene schijnbare, kleinigheid, den hertog van Xara geene
vrijheid werd gelaten. Hij poogde dus slechts den volgenden morgen
Othomar nog eens het bezoek te ontraden, de prins echter bleef er bij.
—Is u dan zoo tegen dat bezoek, generaal? vroeg Von Fest. Is het dan
eigenlijk niet meer dan redelijk?
—U kent niet de antipathie van Zijne Majesteit voor dien man, kolonel!
antwoordde de generaal. Zooals ik u al zei, Zijne Majesteit denkt er
over hem te verbannen en zal dat zeker doen, als Zij hoort, dat hij
zich nu op zijn kasteel heeft opgesloten, zeker met het doel de boeren
op te ruien, zooals hij, in de steden, de arbeiders heeft opgeruid. Die
man is een gevaarlijk dweper, kolonel, gevaarlijk vooral, omdat hij
geld heeft om zijn utopieën in praktijk te brengen. Hij stookt den
minderen man op, zijne militaire verplichtingen niet na te komen, omdat
er staat geschreven:—“Gij zult niet doodslaan.” Het huwelijk vindt hij
een onnoodig sacrament, en ik heb gehoord, dat zijne volgelingen
eenvoudig bij hem komen, en hij ze zelve trouwt, met een soort van
zegen, die ook alweêr steunt op een tekst... ik weet niet meer welken.
Telkens schrijft hij socialistische brochures, die aangehouden worden,
en houdt hij opruiende redevoeringen. En die man is zelfs candidaat
gesteld voor het Huis der Standen.
—Iemand, die zijn titel afzweert, lid van het Huis der Standen!
glimlachte Von Fest.
—O, die inconsequenties wemelen in zijn leer, bromde Ducardi. Hij zal u
natuurlijk zeggen, dat zoolang er niets beters is dan het Huis der
Standen, hij dan maar van het Huis der Standen lid wil zijn! En van wat
zoo een man doet, wil de kroonprins notitie nemen!
Von Fest haalde zijn schouders op.
—Laat hem, generaal. De prins is jong. Hij wil weten en zien. Dat
bewijst voor hem.
—Maar... de keizer zal het nooit goed vinden, kolonel! donderde de
generaal met een vloek.
Weêr haalde Von Fest de schouders op.
—Ik zoû het hem toch niet meer afraden, generaal. Als de prins iets
wil, laat hem dan maar willen, dat zal hem goed doen... En krijgt hij
daarna een standje van zijn vader, dan zal hem dat ook goed doen,
bijwijze van reactie.
Ducardi zag hem vlak aan.
—Wat vindt u van onzen prins? vroeg hij op den man af.
Von Fest zag den generaal, glimlachend, terug aan vlak in de zoekende
oogen. Hij was eerlijk van natuur en oprecht, maar genoeg hoveling om
zich te kunnen verbergen, als hij dit noodig oordeelde.
—Een allercharmantste jongen, antwoordde hij. Maar het leven, of liever
hijzelf, zal nog veel aan hem moeten vervormen, om hem straf te doen
staan... voor later.
De officieren begrepen elkaâr. Ducardi blies een zwaren zucht uit.
—Ja, er zullen moeilijke tijden komen, sprak hij, met een vloek.
—Ja, antwoordde de Gothlandsche kolonel eenvoudig.
De prinsen waren in den binnenhof opgestegen; men reed langs den
zelfden weg, dien Othomar den vorigen middag met de hertogin getoerd
had en langs het kasteel van Zanti. Leoni was te weten gekomen waar de
barakken lagen; zij reden nog een half uur; de bergen begonnen te
wijken, de weg slingerde zich met bocht op bocht onder de trappelende
hoeven der paarden. Eensklaps breidde aan den horizont de Zanthos zich
uit: het breede vlak van uitgestort water, éen groot meer onder de
wijde tintellucht van voorjaar.
—Daar zullen ze zijn! wees Leoni.
Zijn vinger wees een gehucht aan van lange houten gebouwen,
klaarblijkelijk frisch gebouwd, naar nieuw hout riekend in de
aanwaaiende morgenbries. Toen zij nader reden, zagen zij timmerlieden,
metselaars: eene geheele werkplaats vol bedrijvigheid vertoonde zich,
hoopen roode baksteen, stapels lange planken. Er klonk gezang, met
vromen klank, als van psalmen.
Ducardi, steeds gewend vóór te rijden, aan de linkerzijde van den
kroonprins, hield zijn paard met bedoeling in, liet de anderen hem
inhalen; Othomar merkte, dat hij hier niet door wilde. Hij vond den
generaal kleingeestig en, tot Thesbia:
—Vraag of Zanti hier is...
De ordonnans-officier wendde zich met de vraag tot een soort opzichter.
Niemand der werklieden had gegroet; de adjudanten weifelden of zij den
kroonprins herkend hadden. Ja, Zanti was er. Eenvoudig “Zanti”. Goed,
hij zoû hem roepen.
De man ging. Het duurde lang. Othomar, te paard wachtende met de
anderen, begon zijne houding reeds moeilijk te vinden, verloor zijn
tact, nam zijne stijve strakheid aan, praatte gedwongen met Herman. Hij
vond, dat het moeilijk was te wachten, als men dit totnogtoe nooit
gedaan had. Hij werd er zenuwachtig van, maakte ook zijn paard, met
coquette kopbeweging aan de teugels trekkend, zenuwachtig en dacht er
al aan, maar voort te gaan...
Maar Zanti, met den opzichter, die hem geroepen had, kwam juist aan,
langzaam, zich volstrekt niet haastende. Hij keek uit de verte onder
zijne hand naar de groep officieren te paard, die schitterden; bleef
staan; vroeg nog iets, aan den opzichter; keek weêr.
—Onhebbelijke vent! mompelde Thesbia.
De ordonnans-officier reed hem driftig tegemoet, sprak hoog van zijne
Keizerlijke Hoogheid, den Hertog van Xara; de hertog wenschte de
barakken te zien.
—Het zijn geen barakken, sprak Zanti norsch tegen.
—Wat dan? vroeg de ordonnans-officier uit de hoogte.
—Woningen, antwoordde Zanti droog.
Thesbia haalde geërgerd de schouders op. Maar de kroonprins zelve was
nadergereden, salueerde Zanti, zonder dat deze hem eenigen groet gegund
had.
—Vergunt Uwe Excellentie, dat wij een blik slaan op wat Zij doet voor
de slachtoffers der overstroomingen? vroeg hij beleefd, zacht,
innemend.
—Ik ben geen Excellentie, mopperde de grijsaard; maar als u wil kijken,
mij goed.
—Heel gaarne, antwoordde Othomar een beetje hoog; maar niet anders dan
met geheel uw goedvinden. U staat als meester op uw grond en zoo ons
bezoek u niet welkom is, zullen wij u niet onze aanwezigheid opdringen.
Zanti zag hem aan.
—Ik herhaal het, als u kijken wil, is het goed. Maar er is niet veel te
kijken. Alles is zoo eenvoudig. Wij maken geen geheim van wat we doen.
En de grond behoort mij niet toe, die is eigendom van hun allen.
Othomar steeg af, de anderen volgden; Leoni en Thesbia vonden met
moeite, voor een fooi, een paar jongens, die op de paarden zouden
passen.
Othomar en Herman waren reeds met den ouden man voortgegaan.
—Ik hoor, dat u veel goed doet, om de ellende van de overstroomingen te
lenigen, sprak Othomar.
—De overstrooming is geen ellende.
—Geen ellende! vroeg Herman verbaasd. Wat dan?
—Een gerechte straf des hemels. En er zullen meerdere straffen komen.
De tijden zijn zondig.
De prinsen zagen elkaâr aan, met een snellen blik; zij begrepen, dat
het gesprek niet zeer vlot zoû gaan.
—Maar de zondigen die de hemel straft, helpt u toch, meneer Zanti!
sprak Herman. Want al die barakken...!
—Zijn geen barakken. Schuren, werkplaatsen, ook tijdelijke woningen.
Het wordt hier een nederzetting, zoo God het wil. Om eenvoudig te leven
in den arbeid. Het leven is zoo eenvoudig, maar de menschen hebben het
zoo vreemd en ingewikkeld gemaakt.
—Maar u neemt toch boeren op, die alles verloren hebben door de
overstrooming? hield Herman vol.
—Ik neem ze niet op. Als ze hunne zonden voelen, komen ze naar me toe
en ik red ze van den ondergang.
—En komen ze ook niet naar u toe, zonder hun zonden te voelen, maar
omdat ze voelen, dat ze eten en logies zullen krijgen voor niets?
—Ze krijgen geen eten en logies voor niets, ze werken hier, meneer!
sprak de oude man; en misschien beter dan u, die met een uniform
rondloopt... Ze krijgen hun loon naarmate ze werken, uit de
gemeenschappelijke kas. Ze bouwen hier en ik bouw met ze meê. Ziet u
dien boom hier en die bijl; dien boom was ik bezig te hakken, toen u me
storen kwam.
—Een flinke lichaamsbeweging! zei Herman; u lijkt me een krasse man!
—U zegt dus, dat u hier een nederzetting vormt? vroeg Othomar.
—Ja meneer. De steden zijn het verderf, het landleven maakt rein. Hier
kunnen ze wonen; verder-op ligt bouwland, dat ik ze geef, en weiland;
vee zal ik voor ze koopen.
—Dus u poogt hier eenvoudig boeren te werven, sprak Herman.
—Neen meneer! antwoordde de grijsaard barsch. Ik werf hier geen boeren:
ze zijn mijn boeren niet. Ze zijn hun eigen boeren. Ze werken voor hun
eigen, en ik ben eenvoudig boer, zooals zij. We zijn allen gelijk...
—U is eenvoudig boer, herhaalde hem de prins Herman; maar u woont toch
in een kasteel.
—Neen, jonge man, antwoordde Zanti; ik woon in geen kasteel; ik woon
hier; mijn dochter woont daar alleen. Ze is ziek... Ze zoû niet kunnen
tegen een verandering van levenswijze, tegen ontbering. Maar lang zal
ze niet leven, mijn kind...
Hij hield even op, zag de prinsen beurtelings schuin, bijna angstig,
aan.
—Ze is mijn eenige zwakte, geloof ik, verontschuldigde hij zich met een
weeke stem. Ze is mijn zonde: voor haar heb ik dokters genomen en
vertrouw ik op wat ze zeggen en voorschrijven. Ziet u, ze zoû niet
kunnen: mij volgen in alles; want ze heeft het verleden te veel in haar
arm bloed. Ze heeft behoefte, levensbehoefte, aan een kasteel, aan
gemak. Daarom laat ik haar daar... Maar ze zal niet lang leven... En
dan verkoop ik het en deel ik mijn geld, geheel en al, onder hen
allen... Ziet u, dat is zoo mijn zwakte, mijn zonde: ik ben maar een
mensch...
De prinsen zagen hem geroerd worden; zijne handen trilden. Toen meende
hij zeker, dat hij al te veel, te lang, met hen gesproken had over wat
hem ’t innigste aan zijn hart lag: zijne zonde. En hij wees hun de
gebouwen, verklaarde ze hun...
—Ik las enkele van uw brochures, meneer Zanti, sprak de kroonprins.
Brengt u hier in toepassing uw idee omtrent het huwelijk?
—Ik breng niets in toepassing, bromde de grijsaard weêr tegen. Ik laat
ze allen vrij. Willen ze voor uw wet trouwen, dan kunnen ze het doen,
maar komen ze bij mij, dan zegen ik ze, en laat ze gaan in vrede, omdat
er geschreven staat: Wederom zeg ik u: indien er twee van u
samenstemmen op de aarde, over eenige zaak, die zij zouden mogen
begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader, die in de
Hemelen is... Want wanneer twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam,
daar ben ik in het midden van hen...
—En waarmeê beheerscht u zoo veel volgelingen? vroeg Herman.
—Ik beheersch niet, meneer! donderde de oude man, zijn vuisten ballend,
zijn gezicht rood van woede. Ik ben niet meer dan zij allen. De vader
heeft het gezag in zijn eigen huisgezin, en de oude mannen geven raad,
omdat ze ondervinding hebben, en dat is alles. Het leven is zoo
eenvoudig...
—Zooals u het zich voorstelt, maar niet zooals het in werkelijkheid is,
wierp Herman tegen.
Zanti zag hem boos aan, stond stil om beter te kunnen praten en
driftig, hevig, riep hij uit:
—En vindt u het in werkelijkheid beter, dan ik het me voorstel? Ik
niet, meneer, en ik hoop mijn voorstelling werkelijkheid te zullen
maken. U en de uwen hebben ook eens, eeuwen geleden, uwe voorstelling
werkelijkheid gemaakt: nu is de beurt aan anderen, uw werkelijkheid
heeft lang genoeg geduurd...
Othomar, hoog, wilde iets tegen zeggen: de oude man wendde zich echter
in eens tot hem, zacht maar stroef, met zijne doordringende
dwepersstem, die Othomar huiveren deed:
—Met u, meneer, heb ik medelijden! Ik haat u niet, al denkt u dit
misschien. Ik haat niemand. Hoe ouder ik geworden ben, hoe minder ik
heb leeren haten, hoe meer zachtheid er in mij gekomen is. Ziet u, ik
hoor iets in uw stem en ik zie iets in uw oogen, dat me... aantrekt,
meneer. Ik zeg het u ronduit; het is misschien heel dwaas van me zoo
iets te zeggen tot mijn aanstaanden keizer. Maar het is zoo: iets in u
trekt me aan. En ik heb medelijden met u. Weet u waarom? Omdat de
tijden zullen komen!
Hij wees met den vinger in eens naar boven, verrassend plechtig;
vervolgde:
—De ure zal komen. Misschien wel heel gauw. Wanneer ze niet komt, als
uw vader regeert, zal ze komen als u regeert of uw zoon. Maar komen zal
ze! En daarom heb ik medelijden met u. Want u zal geen genoeg liefde
hebben voor uw volk. Geen genoeg liefde om te zeggen: Ik ben als jullie
allen en niets meer. Ik wil niets meer bezitten dan jullie allen, want
ik wil geen overvloed als jij honger lijdt. Ik wil niet over je
heerschen, want ik ben maar een mensch als jullie allen en niet
menschelijker. Is u menschelijker? Als u menschelijker was dàn zoû u
mogen heerschen, ja dan, dan... Ziet u, jonge man, zooveel liefde zal u
nooit voor uw volk hebben, om te doen dat alles, o, en meer nog, meer.
Heerschen zal u en overvloed hebben, en oorlog voeren. Maar de tijden
zullen komen! Daarom heb ik medelijden met u,... al moest ik het ook
niet hebben.
Othomar was bleek geworden; zelfs Herman huiverde even. Het was meer om
de orakelstem van den man, die hunner vorstelijkheid het noodlot
voorspelde, dan om zijne woorden. Maar Herman schudde zijne huivering
af en boos, hoog:
—Ik kan niet zeggen, dat u hoffelijk is tegen uw gasten, meneer Zanti,
ik zal maar niet eens spreken van Zijne Keizerlijke Hoogheid...
Zanti zag Othomar aan.
—Vergeef me, sprak hij. Ik sprak zoo om uw bestwil. Uw oogen zijn als
die van mijn dochter. Daarom sprak ik zoo.
Herman schaterde.
—Dat is zeker een geldige reden, meneer Zanti!
Othomar echter knikte hem, niet verder op gekscherenden toon door te
gaan en deed ook met een blik de adjudanten zich bedwingen, die in
woordelooze verontwaardiging Zanti’s orakel hadden opgevangen: de man
had bijna fluisterend tot Othomar gesproken. Zijn laatste woorden,
waarin emotie klonk, brachten die verontwaardiging echter in
verwarring, stilden hunne boosheid, deden hun den profeet beschouwen,
als een halven gek, wien de kroonprins zoo genadig was zijne
majesteitschennis niet kwalijk te nemen. En de officieren zagen elkaâr
aan, trokken de wenkbrauwen op, de schouders. Dutri grinnikte. Othomar
vroeg kalm aan Zanti of zij niet door zouden gaan.
De nederzetting was zeer in den beginne; toch begonnen enkele kleine
boerenwoningen te verrijzen; kastanjeboomen werden omgekapt; er waren
honderde boeren bezig.
De groep van officieren wekte groote nieuwsgierigheid; men had de
prinsen herkend. Bijna overal staakte het volk hun werk, zag het de
uniformen na.
De prinsen en hun gevolg voelden instinctmatig, dat er een vijandige
stemming door de boeren van Zanti voer. Deden zij hier en daar een
vraag, naar de geleden ellende, het antwoord klonk ruw, kort, met eene
verwijzing naar den wil Gods, en was steeds als een naklank van Zanti’s
eigen woorden. Geldelijke hulp was hier niet te verleenen. Te laten
zien had Zanti eigenlijk niets. De nederzetting viel Othomar tegen,
misschien om iets van gekrenkte vorstelijkheid; gewend steeds met
eerbied genaderd te worden als toekomstige majesteit, kwetste de
ruwheid van Zanti, de stuurschheid zijner boeren zijne teêrgevoeligheid
meer, dan hij zich wilde bekennen. Hij voelde, dat men op deze plek den
kroonprins niet in hem zag, die zijn volk liefhad en wilde leeren
bijstaan, maar wel den zoon van een dwingeland, die op zijne beurt eens
dwingen zoû. Hij voelde, dat al noemde Zanti zich den apostel van den
vrede, die vrede niet was onder zijne discipelen; en toen hij zag in
hunne ruwe, sombere gezichten, zag hij de haat rood opflikkeren uit
holle, diepe oogen, als met plotselinge bliksems...
Zwaar vielen de centenaren hem op zijne borst, drukte zijn onmacht hem
met een wereld van, niet te ledigen, ellende en ontroostbare smart op
de schouders als naar den grond toe. De ellende en smart niet van een,
maar van duizenden, millioenen. De haatdragende oogen vermenigvuldigden
zich in een gewemel van haat om hem heen; ieder van zijn volk, die het
geluk van hem vroeg, van hem eischte, en niet ontving, scheen hem daar
met zulke groote oogen aan te staren...
In eene wijde, onmetelijke hopeloosheid voelde hij zich duizelen. Hij
verwachtte niets meer, het was het einde. En het verwonderde hem niet
wat er gebeurde. De man met het verwrongen, harigbruine gezicht, die,
als een nachtmerrie, op hem toestortte, hem aangreep, vol haat. Een
vuile tabaksadem zwalmde over zijn gezicht, een grof mes blikkerde in
een grove vuist naar zijn hals toe...
Een geroep was opgegaan. Een schot knalde, kort, beslist, zonder zweem
van aarzeling. De man vloekte een schorren kreet uit, knarsende van
onwil, en spartelde tegen, stervend. Zijne hersens spatteden uiteen,
over Othomar heen, bezoedelden den prins de uniform. En aan zijne
voeten was de man reeds op den grond neêrgekwakt, oogenblikkelijk slap,
spierloos, het mes nog in de kramp van de harige vingers geklemd; dat
was alles gebeurd in één oogenblik.
Het was Von Fest, die met een revolver het schot gelost had. De kolonel
richtte zijn breede figuur op, zag om zich heen, den revolver nog
schuin geheven, dreigend in de vuist. Het volk staarde, bewoog zich
niet, verwezen door de plotselinge werkelijkheid vóór hen.
Zanti, wezenloos, tuurde naar het lijk; toen sprak hij—de officieren
ontsteld, druk, in verwarring om den prins heen—:
—Gaat nu, en zoo het kan, gaat in vrede...!
Vol bitterheid wees hij op het lijk. Hij schudde het hoofd met de
grijze manen onder den vilten hoed; tranen sprongen in zijne ooghoeken
op.
—“Gij zult niet doodslaan...” hoorden zij hem mompelen. Zij schijnen
dat nog niet te weten; niemand nog weet het...!
Een vreemde blik, vol krankzinnigheid, werd troebel in zijne, anders
heldergrauwe, oogen, hij scheen een oogenblik niet te weten wat hij
doen zoû. Toen liep hij naar een boom, nam de bijl op, en zonder op de
prinsen meer acht te slaan, begon hij te hakken, als een razende, slag
op slag...
De officieren hadden zich naar hunne paarden gehaast. Dutri keek nog
achterom; bij het lijk, waar de boeren nu om heen kwamen staan, zag hij
een vrouw; ze snikte, wierp hare armen vol wanhoop uit naar den hemel,
brulde, balde de vuist tegen het omgewende gelaat van den adjudant,
schreeuwend.
Othomar had niets gezegd. Achter hem hoorde hij de vrouw brullen. Hij
trilde in iedere zenuw. Op den weg, klaar om op te stijgen, vroeg
Ducardi hem ontroerd:
—Wil u naar Castel Vaza terug, Hoogheid?
De prins zag den generaal hoog aan. Vlug door hem heen schoot de
gedachte, dat de generaal er zeer tegen was geweest hier te komen. Hij
knikte van neen. Toen zochten zijne oogen Von Fest; onder door de
wimpers op keken ze den kolonel aan, diep zwart, vochtig, bijna met
verwijt.
Maar hij stak de hand uit.
—Ik dank u, kolonel, sprak hij met een heesche stem.
De kolonel drukte de hand van den prins.
—Tot Uw dienst, Hoogheid! antwoordde hij, militair kort.
—En nu, laat ons nu doorgaan naar den Zanthos, sprak Othomar en naderde
zijn paard.
Maar de oude generaal was zich niet meer meester. In deze laatste
oogenblikken had hij gevoeld heel de hartstochtelijke liefde—hem
erfelijk in het bloed gekiemd, één met hem, zijne ziel zelve, en die
ziel alleen, uit één stuk—voor zijn vorstenhuis. Zijne vaders waren er
voor gesneuveld, zonder aarzeling. En met de dolwijde omhelzing zijner
lange, krachtige oude armen, liep hij op Othomar toe, dankbaar, dat hij
leefde, drukte hem aan zijn borst te pletter, tot zijne uniformknoopen
schramden aan Othomars wang, en riep, snikkend, onder zijn trillende
snorbaard, uit:
—Mijn prins, mijn prins, mijn prins...!