Het was een der historische vertrekken van Castel Vaza: een antieke,
sombere zaal, waar de keizers van Liparië, zoo ze gast der hertogen van
Yemena waren geweest, steeds geslapen hadden op een oud verguld
paradebed, vijf treden hoog, waarboven, uit een, door cherubs getorste,
keizerskroon, de zware gordijnen van donker blauw brokaat en fluweel
neêrhingen. Er hingen al de portretten der keizers en keizerinnen, die
daar gerust hadden: de hertogen van Yemena waren steeds zeer door hunne
vorsten geliefd, en de trots der hertogelijke familie was, dat ieder
Liparisch keizer minstens één nacht hun gast geweest was. Aan ieder
meubel, ieder ornament aan het vergulde bekken en de vergulde
lampetkan, aan alles waren historische souvenirs verbonden en de
legenden van zijn Huis kwamen, een voor een, bij Othomar op, toen hij
zich uitstrekte.
Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij
een looden stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn
geheele lichaam ging eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige
siddering van zenuwen, als was hij een gespannen snaar, die men
aanroert. De acht dagen te Altara, de volgende vijf dagen te Vaza, de
tochten in de omstreken hadden hem zeer afgemat. Over dag vond hij geen
oogenblik tijd aan die vermoeidheid toe te geven, maar des avonds,
uitgestrekt ter ruste, brak ze hem neêr, zonder dat een gezonde slaap
volgde.
Hij was gewend aan zijn klein veldbed, waarop hij sliep in zijn strenge
slaapkamer van het Imperiaal, bed, waarop hij van kind af geslapen had.
De paradebedden, in het Episcopaal, te Vaza, en hier deden hem zich
vreemd, neêrgegooid en ongemakkelijk voelen. Zijne oogen bleven ook nu
open en volgden de plooien der hooge gordijnen, doorzochten de
schaduwen, die het flauwe licht eener zilveren lamp in de hoeken terug
deed kruipen. Zwaar begon het in zijne ooren te suizen.
En zonderling vond hij het daar te liggen op dat bed, waar al zijne
voorouders ook eens gelegen hadden. Ze tuurden hem allen aan van de
acht vakken der wanden. Wat was hij? Atoom van leven, stofje van
vorstelijkheid, uit hen allen geboren; een der laatste schakels uit
hunne lange ketting, die door de eeuwen terugslingerde en leidde tot
dien geheimzinnigen, mystieken oorsprong, half heilig, legendarisch,
tot St. Ladislas zelven... Zoû er na hem ook dàt komen: eene tweede
ketting, die zich voort zoû slingeren in de toekomst? Of... En waartoe
telkens de terugkomende, eindeloos eeuwige wedergeboorte van het leven?
Wat zoû het einde zijn, het groote Einde...?
In eens kwam, als een vizioen, tot hem-terug de nacht op het
Therezia-plein, het donderend schot van het fort, driemaal herhaald, en
het krachtig aanruischen van eene naderende zwartte, die als eene zee
was. Suiste het maar in zijne ooren, of... of ruischte het waarlijk
weêr aan? Ruischte, op zijn vraag naar het einde, het groote Einde, de
zwarte toekomst aan met dat zelfde geluid van dreigend water, dat door
niets te weêrhouden zoû zijn? Dijken drong het door; alles wat tot
bescherming werd opgeworpen, sleepte het meê, onverbiddelijk, met zijn
zwarte frons van ernstig noodlot, en de sombere plooien van zijne
overstrooming, die als een voortgesleept lijkkleed was over alles wat
eindigen moet, trok het voort, tot waar zij waren, de zijnen, op hun
hoog standpunt van Majesteit bij de gratie Gods en van St. Ladislas;
zijn vader, op hun eeuwenouden troon, gekroond en gescepterd en den
appel van het rijk in de keizerlijke palm, en het scheen niet te weten,
dat ze goddelijk waren en heilig onschendbaar; het scheen om niets te
geven in zijne ruwe, sombere, onverschillige, aan niets geloovende,
aanruischende profanatie, want over hen heen slierde het, in eens,
woest, zijne zwarte golven, slierde hen meê, zijn vader, zijne moeder,
hen allen, en zij waren geweest, de keizerlijken, werden legende in het
gloren van den nieuwen dag, die over de zwarte zee rees...
Zijne voorouders zagen hem aan, en ze schenen hem schimmen toe,
legenden ook, onwaarheid, waarvan de traditie niet meer beschermen zoû.
Ze schenen hem spoken, vijanden... Ronder opende hij zijne brandende
oogen op hunne stijve, gesleepmantelde of geharnaste figuren, die van
de acht vakken der wanden naar hem toe schenen aan te stappen, om hem
in hun midden te stikken, neêr te drukken in een engen kring van
nachtmerrie op zijne hijgende borst, met ijzeren knieën de lucht uit
zijne longen persend, met ijzeren handen vermorselend zijn hoofd,
waaruit het zweet tappelings liep langs de slapen.
Toen voelde hij zich bang, als een klein kind, dat verteld is geworden
van akelige dingen. Bang voor die spoken van keizers, bang voor de
flitsen van vizioenen, die tafereelen der overstrooming weêr voor hem
deden bliksemen—het weiland met de lijken; de ponteniers, die de vrouw
opvischten. De lijken begonnen in eens te leven, te schateren met
spleten van monden en holle oogen, als hadden zij hem voor den gek
gehouden, als waren er geene overstroomingen geweest en de
kamerschemering der slaapzaal, die vol was van de keizers, drukte op
hem neêr als met atmosfeeren stikstof.
—Andro! Andro! riep hij, gesmoord in zijne keel en toen, als in
doodsangst:
—Andro!! Andro...
De deur aan het eind der kamer werd opengerukt; de kamerdienaar kwam
binnen, ontsteld, in zijne nachtkleêren. Zijne reëele verschijning
verbrak den toover van den nacht en immobilizeerde de spoken weêr tot
portretten.
—Hoogheid...!!
—Andro, kom hier...
—Hoogheid, wat is er...? Wat heeft U me doen schrikken, Hoogheid! Wat
heeft U... Ik dacht...
—Wat, Andro?
—Niets, Hoogheid, Uw stem klonk zoo verschrikkelijk heesch! wat heeft U
toch...
—Ik weet het niet, Andro; ik ben ziek, geloof ik; ik kan niet slapen...
De man wischte met een zakdoek Othomars klam voorhoofd af.
—Wil U iets hebben, Hoogheid? Wil U water...?
—Neen, dank je, dank je... Andro, kun je hier komen slapen?
—Als U het wil, Hoogheid...
—Ja, hier, onder aan mijn bed. Ik geloof, dat ik nog al ziek ben,
Andro... Haal je kussen hier.
De man zag hem aan. Hij was niet veel ouder dan zijn prins. Hij had hem
van kind af aan bediend en aanbad hem met eene aanbidding van lagere
voor majesteit; hij voelde zich geheel en al aan hem gebonden,
verknocht; hij wist, dat de prins niet sterk was, maar ook, dat hij
nooit klaagde...
Boos, in eens, draaide hij zich om, om naar zijn kamer te gaan en zijn
kussen te halen.
—Natuurlijk, als ze U ook zoo afbeulen! riep hij met eene woede, die
hij niet meer kon inhouden. Generaal Ducardi denkt zeker, dat U ook in
zoo een robbenhuid steekt als hij!
In zijn snor mopperend, kwam hij terug, met het kussen, legde het neêr
op de trede van het praalbed.
—Heeft U koorts? vroeg hij.
—Neen... ja, misschien; een beetje. Het zal wel overgaan, Andro. Ik...
ik ben...
Hij dorst het niet zeggen.
—Ik ben wat onrustig, ging hij door, en angstig gingen zijne oogen door
de kamer heen, waar de keizers weêr stil stonden.
—Wil U een dokter uit Vaza hebben?
—Neen, neen, Andro, zeker niet; ben je nu mal, zoo een opschudding in
den nacht. Ga nu maar slapen, hier onder...
—Zal U dan ook probeeren te slapen... mijn “prinsje”? vroeg hij, met
dat teedere verkleinwoord, dat, in zijne taal, als een liefkoozing
klonk.
Othomar knikte hem lachend toe, en duldde, dat hij, met iets van een
voedster, de kussens voor hem opschudde.
—Wat een bed, mopperde Andro. Het lijkt wel een grafmonument...
Daarna legde hij zich neêr, maar sliep niet; hij bleef wakker. En toen
Othomar na eene pooze vroeg:
—Slaap je al, Andro? antwoordde hij:
—Ja, Uw Hoogheid, bijna.
—Suist er iets in de verte, is dat water of... of verbeeld ik het me?
De man luisterde.
—Ik hoor niets, Hoogheid... U zal wat koortsig zijn.
—Neem een stoel en kom hier zitten, aan mijn hoofdeind...
De man deed zoo.
—En laat je me voelen, je hand, zoo...
Eindelijk look Othomar zijne oogen. In zijne ooren ruischte het door,
steeds door... Maar onder het geruisch zelve, terwijl de lichtheid uit
zijn hoofd nevelde, sliep de kroonprins van Liparië in, zijne klamme
hand in de harde handen van zijn knecht, die den onrustigen slaap van
zijn meester bespiedde in de trillingen om den mond, de schokken van
het lichaam, tot, om te stillen, hij met zijne andere hand zacht over
het kloppend voorhoofd streelde, meêlijdend mompelend, met zijn
vreemden, nationalen klank van liefkoozing.
—Mijn arm prinsje...
Buiten begon het te dagen; het licht scheen de venstergordijnen even
van elkaâr te schuiven.