IV.

Het was een der historische vertrekken van Castel Vaza: een antieke,

sombere zaal, waar de keizers van Liparië, zoo ze gast der hertogen van

Yemena waren geweest, steeds geslapen hadden op een oud verguld

paradebed, vijf treden hoog, waarboven, uit een, door cherubs getorste,

keizerskroon, de zware gordijnen van donker blauw brokaat en fluweel

neêrhingen. Er hingen al de portretten der keizers en keizerinnen, die

daar gerust hadden: de hertogen van Yemena waren steeds zeer door hunne

vorsten geliefd, en de trots der hertogelijke familie was, dat ieder

Liparisch keizer minstens één nacht hun gast geweest was. Aan ieder

meubel, ieder ornament aan het vergulde bekken en de vergulde

lampetkan, aan alles waren historische souvenirs verbonden en de

legenden van zijn Huis kwamen, een voor een, bij Othomar op, toen hij

zich uitstrekte.

Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij

een looden stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn

geheele lichaam ging eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige

siddering van zenuwen, als was hij een gespannen snaar, die men

aanroert. De acht dagen te Altara, de volgende vijf dagen te Vaza, de

tochten in de omstreken hadden hem zeer afgemat. Over dag vond hij geen

oogenblik tijd aan die vermoeidheid toe te geven, maar des avonds,

uitgestrekt ter ruste, brak ze hem neêr, zonder dat een gezonde slaap

volgde.

Hij was gewend aan zijn klein veldbed, waarop hij sliep in zijn strenge

slaapkamer van het Imperiaal, bed, waarop hij van kind af geslapen had.

De paradebedden, in het Episcopaal, te Vaza, en hier deden hem zich

vreemd, neêrgegooid en ongemakkelijk voelen. Zijne oogen bleven ook nu

open en volgden de plooien der hooge gordijnen, doorzochten de

schaduwen, die het flauwe licht eener zilveren lamp in de hoeken terug

deed kruipen. Zwaar begon het in zijne ooren te suizen.

En zonderling vond hij het daar te liggen op dat bed, waar al zijne

voorouders ook eens gelegen hadden. Ze tuurden hem allen aan van de

acht vakken der wanden. Wat was hij? Atoom van leven, stofje van

vorstelijkheid, uit hen allen geboren; een der laatste schakels uit

hunne lange ketting, die door de eeuwen terugslingerde en leidde tot

dien geheimzinnigen, mystieken oorsprong, half heilig, legendarisch,

tot St. Ladislas zelven... Zoû er na hem ook dàt komen: eene tweede

ketting, die zich voort zoû slingeren in de toekomst? Of... En waartoe

telkens de terugkomende, eindeloos eeuwige wedergeboorte van het leven?

Wat zoû het einde zijn, het groote Einde...?

In eens kwam, als een vizioen, tot hem-terug de nacht op het

Therezia-plein, het donderend schot van het fort, driemaal herhaald, en

het krachtig aanruischen van eene naderende zwartte, die als eene zee

was. Suiste het maar in zijne ooren, of... of ruischte het waarlijk

weêr aan? Ruischte, op zijn vraag naar het einde, het groote Einde, de

zwarte toekomst aan met dat zelfde geluid van dreigend water, dat door

niets te weêrhouden zoû zijn? Dijken drong het door; alles wat tot

bescherming werd opgeworpen, sleepte het meê, onverbiddelijk, met zijn

zwarte frons van ernstig noodlot, en de sombere plooien van zijne

overstrooming, die als een voortgesleept lijkkleed was over alles wat

eindigen moet, trok het voort, tot waar zij waren, de zijnen, op hun

hoog standpunt van Majesteit bij de gratie Gods en van St. Ladislas;

zijn vader, op hun eeuwenouden troon, gekroond en gescepterd en den

appel van het rijk in de keizerlijke palm, en het scheen niet te weten,

dat ze goddelijk waren en heilig onschendbaar; het scheen om niets te

geven in zijne ruwe, sombere, onverschillige, aan niets geloovende,

aanruischende profanatie, want over hen heen slierde het, in eens,

woest, zijne zwarte golven, slierde hen meê, zijn vader, zijne moeder,

hen allen, en zij waren geweest, de keizerlijken, werden legende in het

gloren van den nieuwen dag, die over de zwarte zee rees...

Zijne voorouders zagen hem aan, en ze schenen hem schimmen toe,

legenden ook, onwaarheid, waarvan de traditie niet meer beschermen zoû.

Ze schenen hem spoken, vijanden... Ronder opende hij zijne brandende

oogen op hunne stijve, gesleepmantelde of geharnaste figuren, die van

de acht vakken der wanden naar hem toe schenen aan te stappen, om hem

in hun midden te stikken, neêr te drukken in een engen kring van

nachtmerrie op zijne hijgende borst, met ijzeren knieën de lucht uit

zijne longen persend, met ijzeren handen vermorselend zijn hoofd,

waaruit het zweet tappelings liep langs de slapen.

Toen voelde hij zich bang, als een klein kind, dat verteld is geworden

van akelige dingen. Bang voor die spoken van keizers, bang voor de

flitsen van vizioenen, die tafereelen der overstrooming weêr voor hem

deden bliksemen—het weiland met de lijken; de ponteniers, die de vrouw

opvischten. De lijken begonnen in eens te leven, te schateren met

spleten van monden en holle oogen, als hadden zij hem voor den gek

gehouden, als waren er geene overstroomingen geweest en de

kamerschemering der slaapzaal, die vol was van de keizers, drukte op

hem neêr als met atmosfeeren stikstof.

—Andro! Andro! riep hij, gesmoord in zijne keel en toen, als in

doodsangst:

—Andro!! Andro...

De deur aan het eind der kamer werd opengerukt; de kamerdienaar kwam

binnen, ontsteld, in zijne nachtkleêren. Zijne reëele verschijning

verbrak den toover van den nacht en immobilizeerde de spoken weêr tot

portretten.

—Hoogheid...!!

—Andro, kom hier...

—Hoogheid, wat is er...? Wat heeft U me doen schrikken, Hoogheid! Wat

heeft U... Ik dacht...

—Wat, Andro?

—Niets, Hoogheid, Uw stem klonk zoo verschrikkelijk heesch! wat heeft U

toch...

—Ik weet het niet, Andro; ik ben ziek, geloof ik; ik kan niet slapen...

De man wischte met een zakdoek Othomars klam voorhoofd af.

—Wil U iets hebben, Hoogheid? Wil U water...?

—Neen, dank je, dank je... Andro, kun je hier komen slapen?

—Als U het wil, Hoogheid...

—Ja, hier, onder aan mijn bed. Ik geloof, dat ik nog al ziek ben,

Andro... Haal je kussen hier.

De man zag hem aan. Hij was niet veel ouder dan zijn prins. Hij had hem

van kind af aan bediend en aanbad hem met eene aanbidding van lagere

voor majesteit; hij voelde zich geheel en al aan hem gebonden,

verknocht; hij wist, dat de prins niet sterk was, maar ook, dat hij

nooit klaagde...

Boos, in eens, draaide hij zich om, om naar zijn kamer te gaan en zijn

kussen te halen.

—Natuurlijk, als ze U ook zoo afbeulen! riep hij met eene woede, die

hij niet meer kon inhouden. Generaal Ducardi denkt zeker, dat U ook in

zoo een robbenhuid steekt als hij!

In zijn snor mopperend, kwam hij terug, met het kussen, legde het neêr

op de trede van het praalbed.

—Heeft U koorts? vroeg hij.

—Neen... ja, misschien; een beetje. Het zal wel overgaan, Andro. Ik...

ik ben...

Hij dorst het niet zeggen.

—Ik ben wat onrustig, ging hij door, en angstig gingen zijne oogen door

de kamer heen, waar de keizers weêr stil stonden.

—Wil U een dokter uit Vaza hebben?

—Neen, neen, Andro, zeker niet; ben je nu mal, zoo een opschudding in

den nacht. Ga nu maar slapen, hier onder...

—Zal U dan ook probeeren te slapen... mijn “prinsje”? vroeg hij, met

dat teedere verkleinwoord, dat, in zijne taal, als een liefkoozing

klonk.

Othomar knikte hem lachend toe, en duldde, dat hij, met iets van een

voedster, de kussens voor hem opschudde.

—Wat een bed, mopperde Andro. Het lijkt wel een grafmonument...

Daarna legde hij zich neêr, maar sliep niet; hij bleef wakker. En toen

Othomar na eene pooze vroeg:

—Slaap je al, Andro? antwoordde hij:

—Ja, Uw Hoogheid, bijna.

—Suist er iets in de verte, is dat water of... of verbeeld ik het me?

De man luisterde.

—Ik hoor niets, Hoogheid... U zal wat koortsig zijn.

—Neem een stoel en kom hier zitten, aan mijn hoofdeind...

De man deed zoo.

—En laat je me voelen, je hand, zoo...

Eindelijk look Othomar zijne oogen. In zijne ooren ruischte het door,

steeds door... Maar onder het geruisch zelve, terwijl de lichtheid uit

zijn hoofd nevelde, sliep de kroonprins van Liparië in, zijne klamme

hand in de harde handen van zijn knecht, die den onrustigen slaap van

zijn meester bespiedde in de trillingen om den mond, de schokken van

het lichaam, tot, om te stillen, hij met zijne andere hand zacht over

het kloppend voorhoofd streelde, meêlijdend mompelend, met zijn

vreemden, nationalen klank van liefkoozing.

—Mijn arm prinsje...

Buiten begon het te dagen; het licht scheen de venstergordijnen even

van elkaâr te schuiven.

Majesteit · 第 15 / 52 题