III.

Na het diner een gezellige reunie in een paar kleine salons; in een

ervan staat een biljart en de hertogin zelve, gracieuzelijk hare keu

richtend en ze houdend tusschen hare bejuweelde vingers, speelt er een

partij met prins Herman, Leoni en den jongen Thesbia. Soms hangt zij,

al mikkend, over de groene tafel heen, met eene onbegrijpelijke

lenigheid in hare zware vormen, en hare mooie Carrarische borst glooit

door heure snelle bewegingen op en neêr in de Venetiaansche kant en het

zwarte fluweel. In den anderen salon zijn Othomar en generaal Ducardi

en de Gothlandsche adjudanten aandachtig bezig op een nauwkeurig

gedetailleerde militaire kaart, onder een lamp van gedrapeerde kant, de

route te bestudeeren, die zij morgen te paard zullen afleggen naar de

overstroomde dorpen. De hofmeester en een lakei gaan rond met koffie en

likeur.

Na de partij biljart komt de hertogin met hare heeren vroolijk lachende

in den anderen salon. De prins en zijne officieren zien beleefd

glimlachend op van hunne kaart, maar zij, betooverend:

—O, laat mij U niet storen, Hoogheid...

Zij heeft den arm van Dutri genomen voor een kleine wandeling op het

terras buiten. De deuren staan open, het weêr is heerlijk: een beetje

koel. De hofmeester slaat haar een bonten mantel om den blooten hals.

Op het lange terras, buiten, gaat zij met Dutri op en neêr, op en neêr,

telkens voorbij de open deuren: telkens dan ook slaat zij een blik naar

de groep onder de lamp: gebogen hoofden en vingers, die met een potlood

wijzen. Haar stap is luchtig aan den arm van den eleganten adjudant;

hare sleep golft haar vroolijk achterna. Druk praat ze, vraagt ze

Dutri:

—Hoe bevalt je de tournée?

—Aller-insipide! Niets of niemand was amuzant, dan de secretaris van

den Primaat!... Die Gothlanders zijn vervelend en zoo vreeselijk weinig

cosmopolitisch! En het is vermoeiend ook, altijd dat sjouwen! Zie je,

ik beschouw het als oorlog en zoo maak ik het door; als ik het

beschouwen ging als vredestijd, kwam ik er nooit door heen! De

ontvangst is gelukkig overal nog al hebbelijk. O, de kroonprins maakt

zich bepaald populair...

—Een aardige jongen... valt ze hem in de rede. Ik had hem in langen

tijd niet gezien; hij studeerde toen te Altara en daarna herinner ik me

hem maar een paar maal in het Imperiaal gezien te hebben, in eens van

kind opgeschoten als een asperge, en heelemaal nog een jongen. Ik

herinner me nog: hij kreeg een kleur, toen ik voor hem boog. Toen

verleden, bij Myxila...

Dutri is zeer familiaar met de hertogin; hij noemt haar bij den

voornaam, flirt altijd een beetje met haar voor amuzement en

aanstellerij, zonder verdere gunsten; zij kennen elkaâr te goed, te

lang, zijn te veel in elkaârs confidentie, en zij beschouwt hem meer

als een cavalier-servant, voor kleinere diensten en hofintriguetjes,

dan als iemand, voor wien het ooit mogelijk zoû zijn, dat ze eene

“emotie” zoû kunnen voelen.

—Ma chère Alexa, pas op...! spreekt hij en dreigt met den vinger.

—Waarvoor? vraagt ze terug, tartend.

—Alsof ik het niet zie...

Ze lacht luid.

—Zie wat je wilt! roept ze onverschillig uit, met hare stem van ruw

sans-gêne, die in de mode is. Neen, beste Dutri, mij hoef je niet te

waarschuwen, hoor! God, lieve jongen, ik heb twee meisjes, die ik over

een jaar lanceeren moet. Over twee jaar ben ik misschien grootmama. Ik

doe er niet meer aan, hoor! Ik begrijp niet, dat er van die malle

vrouwen zijn die altijd zoo iets moeten hebben. En dan, het maakt zoo

gauw oud...

Dutri schatert het uit; hij kan zich niet inhouden en stikt van het

lachen...

—Waarom lach je zoo? vraagt ze.

Hij ziet haar aan; schudt zijn hoofd, als weet hij wel.

—Tegenover mij hoef je heusch zoo niet verstoppertje te spelen, Alexa.

Ik weet zoo goed als jij... dat jijzelf een van die malle vrouwen

bent...!

Hij schatert weêr en zij nu ook.

—Ik?

—Ach kom! Je hebt er evenveel behoefte aan als aan eten en slapen op

zijn tijd. Je zoû al lang dood zijn, als je niet bij geregelde

tusschenpoozen, chronisch, je “geëmotioneerd” hadt. En dat oud worden,

je weet heel goed, dat je dat miserabel vindt!

—Ach neen. Ik doe wat ik kan om jong te blijven, omdat je dat aan

jezelve verplicht bent. Maar vechten er tegen doe ik niet. En je zal

zien hoe netjes ik later mijn oude jaren draag...

—Zoo als je alles draagt.

—Merci. Zie je, als ik grijs begin te worden, gooi ik iets over mijn

haar, dat me heelemaal grijs maakt, en poeier ik me, begrijp je. Voilà

tout!

—Een goed idee...

—Dutri...

Hij zag haar aan, merkte, dat ze hem iets vragen wilde. Zij gingen een

oogenblik zwijgend voort, in den donker; bij hunne, telkens herhaalde,

wandeling gingen zij, telkens tweemaal door het licht heen, dat in twee

breede plekken door de deuren op het terras viel. Het park was vol

zwarte schaduw en vaag wit schemerden de groote vazen op het terras;

boven stond de lucht vol sterren.

—Wat woû je me vragen? vroeg de adjudant.

Zij wachtte, tot zij door het licht heen waren en weêr in het donker

liepen.

—Hoor je nog wel eens wat van hem?

—Verleden had Thesbia een brief van hem uit Parijs. Niet veel nieuws.

Hij verveelt er zich, geloof ik, en maakt zijn geld op. Het domste wat

je doen kan: je geld opmaken in Parijs! Ik vind Parijs een afgesleten

boel. Trouwens, hoe kan dat anders. Een republiek is een onding. Iets

primitiefs en onbeschaafds. Vóór de monarchieën waren er republieken:

het Paradijs met Adam en Eva was een republiek van dieren en beesten:

Adam was prezident...

—Wees niet idioot. Wat schreef hij?

—Niet veel bizonders. Toch een dolle streek van hem zijn ontslag te

vragen als kapitein van de Garde. Hoe kwam hij er op? Zeg, wat is er

tusschen jullie gebeurd?

Zij liepen weêr door het licht, ze zweeg even; toen, in het

donker:—Niets, antwoordde ze en hare stem had niet meer dien aangenomen

chic van brutaliteit en sans-gêne, maar versmolt in een klaagtoon van

melancholie.

—Niets? antwoordde Dutri. En waarom dan...

—Ik weet het niet. We hadden veel met elkaâr gesproken, en zoo

langzamerhand begonnen we te voelen, dat we elkaâr niet meer gelukkig

konden maken. Nu weet ik het niet meer waarom, heusch niet.

—Psychologie dus. Dat komt van al dat gevoel. Jullie zijn beiden heel

dwaas. Aan psychologie te doen, als je verliefd bent is heel

onvoorzichtig, omdat je dan psychologizeert op je eigen en je liefde in

stukjes snijdt, als een taart, waarvan je bang bent niet genoeg te

kunnen eten. Oefen psychologie uit op een ander, dat is aardig, zooals

ik doe op jou, Alexa.

—Kom praat geen dwaasheid, Dutri. Weet je anders niets van hem af?

—Niets anders, dan dat hij zich onmogelijk heeft gemaakt voor onze

sociëteit. En dat misschien wel door jouw schuld, Alexa, en door je

psychologie.

Zij liep zwijgend aan zijn arm door; haar mond trilde, hare Egyptische

oogen werden vochtig.

—O... zeide zij, en ze hield den adjudant in eens staande, klemde zijn

arm, zag hem vol met hare natte oogen aan:

—Ik hield van hem, ik hield van hem, als ik nooit van iemand heb

gehouden! Ik... ik hoû nog van hem! Als hij me één woord schreef, zoû

ik vergeten wie ik ben, mijn man, mijn pozitie, zou ik naar hem toe

gaan, naar hem toe gaan... O, Dutri, weet je wat het is, in ons factice

leven, waarin alle dingen zoo valsch om je heen zijn, als, als...

heusch van iemand gehoúden te hebben? En dat gevoel als loutere

waarheid in je hart te weten? O, zie je, ik aanbid hem, ik aanbid hem

nog, en één woord van hem, één woord...

—Gelukkig dat hij verstandiger is dan jij, Alexa, en dat woord nooit

zeggen zal. Daarbij heeft hij geen geld: wat zoû je met hem moeten

beginnen? Samen op de planken gaan? Wat een vulkaan ben je toch, Alexa,

wat een vulkaan!

Hij schudde afkeurend met zijn fatterigen krullekop, schikte even de

zware kwasten van zijn uniform. Zij nam zijne hand, ernstig nog, nog

niet hervallen in hun toon van blague:

—Dutri, als je van hem hoort, beloof je me dan iets te zeggen? Ik heb

soms hònger naar nieuws van hem...

Zij zag hem aan met zulk een intens hevig verlangen, met zulken honger,

dat hij ervan ontstelde. Hij zag haar vrouw, die alles doen zoû, om een

passie. Toen glimlachte hij, blagueerend als altijd:

—Gekke wezens zijn jullie toch allemaal! Nu goed, ik beloof het je.

Maar laten we nu naar binnen gaan, want de geografische studiën

schijnen afgeloopen en ik smacht naar een kop thee...

Zij gingen naar binnen; bezig aan hare theetafel, gracelijk de vingers

latende gaan over de antieke Chineesche kopjes, vroeg zij den

kroonprins dadelijk den weg, die Zijne Hoogheid nemen zoû, zeer begaan

met de overstroomde dorpen, de arme boeren... het in alles geheel en al

eens met den hertog van Xara, zich badende in de sympathie, die zij

opving uit zijne lieve, zwarte, melancholieke oogen,—oogen, om er alle

melancholie van weg te zoenen! zich badende in zijn jeugdigen glans van

keizerlijkheid...

Dutri hielp haar suiker in de kopjes doen. Hij zag haar belangstellend

aan; hij kende haar nog al goed, zij was hem weinig raadsel meer; toch

amuzeerde ze hem altijd en was ze nooit-uitbestudeerd, meende hij.

Majesteit · 第 14 / 52 题