Drie rijtuigen, à la Daumont, voeren Othomar, Herman en de anderen
langs den breeden, slingerenden, op- en afgaanden weg naar Castel Vaza.
Het is vijf uur, ’s namiddags, nog zacht zonnig, maar niet warm meer;
er waait een frissche bries. Het landschap is wijd en grootsch; de
bergen wisselen bij het verschieten van den weg hunne golvende
sneeuwlijnen van panorama. De streek is bloeiend mooi; de dorpjes, die
zij doorgaan, zijn welvarend—bezittingen van den hertog—; tusschen Vaza
en het kasteel is het land gespaard van water; de uitstortingen van den
Zanthos drenken meer het Oosten. Het is moeilijk hier onafgebroken door
te blijven denken aan die ontzettende ramp van water, en aan den
toestand van Lipara, daar ginds in staat van beleg door den keizer
verklaard, het is hier zoo mooi, zoo vol leven van voorjaar, en het
zinken van de zon na een mooien zomerdag is er zonder weemoed. De
kastanjes wuiven hunne frischgroene waaiers en de lucht is nog als
parelmoêr, al zeeft er ook al asch van schemering over heen. Een
vroolijk gesprek gaat om tusschen de prinsen, Ducardi en Von Fest, die
in het eerste rijtuig zitten; zij praten opgewonden, lachen, en zijn er
vroolijk om, dat de dorpelingen, nu ja, hen soms wel groeten als visite
voor het kasteel, met een tik aan een pet of een goedigen knik, maar
niet weten wie ze zijn. Prins Herman knikt een mooie jonge boerenmeid
toe, die met open mond na blijft kijken, en herinnert zich de heerlijke
jacht op grof wild, verleden jaar, toen hij met den keizer en Othomar
de gast was geweest van den hertog. De hertogin hadden zij toen niet
gezien; ze was lijdende... Generaal Ducardi vertelt anecdoten uit den
oorlog van vijftien jaar geleden.
En zij hebben allen eenige moeite hunne gezichten in de officieele
plooi te zetten als zij door de oude, geblazoeneerde poort over de
neêrgelaten ophaalbrug de minutenlange inrijlaan oprijden, en door den
hoofdintendant worden ontvangen, in den binnenhof van het kasteel. Dit
wil de etiquette. De hertogin mag zich niet vertoonen, voor de
hoofdintendant, te midden van het geheele personeel des hertogen, den
Hertog van Xara welkom heet uit naam zijns afwezigen meesters en den
kroonprins een draadbericht aanbied uit Lipara, dat de hofmeester op
een zilveren schaal reikt. Dit telegram is van den hertog van Yemena,
het meldt, dat zijn dienst en die van zijn zoon, den markies van Xardi,
bij zijne Majesteit den keizer, des Hertogen van Xara Allergenadigsten
Vader, hen weêrhouden hun geliefden kroonprins in hun kasteel te
ontvangen, maar dat zij Zijne Keizerlijke Hoogheid verzoeken, dit huis
als het Hare te beschouwen. De prins leest het telegram en reikt het
aan den ordonnans-officier, graaf van Thesbia, over. Daarna gaat hij,
door den intendant geleid, de trappen op, de vestibule in.
In weêrwil van den dag daarbuiten nog, is de vestibule hel verlicht, en
lijkt een woud vol palmen en breedbladige sierplanten. De hertogin
treedt den kroonprins te gemoet, en breekt hare gratie in een diepe
buiging neêr. Zoo heeft hij haar reeds zien buigen. Maar schooner
misschien nog is zij in dit effen toilet van zwart fluweel en
Venetiaansche kant, haren prachtigen boezem, wit met het grein van
Carrarisch, laag ontbloot, hare sculpturale armen bloot, een zwaren
sleep achter zich, als een golf van inkt; een klein hertogelijk
kroontje van brillant en smaragd in het haar, dat zwart ook is met
goudblauwigen ravengloed.
Zij heet de prinsen welkom; Othomar buigt haar den arm toe; prins
Herman, de adjudanten volgen hen de kolossale trap op, door de haie der
lakeien heen, die onbewegelijk staan, met strakke oogen, die niet
schijnen te zien. Dan door een ris van verlichte zalen en galerijen
naar een grooten ontvangsalon, schitterend van het licht der kostbare
rotskristallen kroon, waar het kaarslicht in regenboogt, en breed
neêrglanst en watert op het marmermozaïek van den vloer, en langs de
ornamentale spiegels in lijsten van zwaar Louis-XV-gekrul, schilderijen
van meesters der Renaissance aan den wand.
Een oogenblik daar een staande receptie, een kleine cour; in hunne
schitterendste uniformen—want van Vaza was het een heerlijke, al dan
ook lange rijtoer, en de heeren hebben tijd gehad zich in de stad in
groot uniform te steken—komen de adjudanten en ordonnansofficieren, de
een na den ander, der hertogin de hand kussen; zij kent ze, behalve de
Gothlandsche officieren, allen, bijna allen intiem; ieder weet ze een
bijna gemeenzaam woord te zeggen, terwijl het goud van hare stem
tusschen hare lachende lippen smelt en hare groote Egyptische oogen
vreemd droomend kijken. Zoo blijft zij een oogenblik alleraanminnigste
gastvrouw, tusschen de beide prinsen, zij vrouw alleen te midden dier
officieren, die hen omringen, tusschen een kort snel vuurwerk van
compliment en geestigheid, dat tintelt tusschen hen om. Dan verschijnt
de hofmeester, terwijl de deuren openschuiven en de tafel hel
glinsterend zichtbaar wordt, en hij buigt voor zijne meesteres, ten
teeken, dat zij gediend is. De hertogin neemt den arm van den
kroonprins; de heeren volgen.
Het is aan tafel zeer vroolijk. Men is in een intiemen kring; menschen,
die gewoon zijn elkaâr iederen dag te zien; de hertogin zorgt voor een
gemakkelijken toon, een lichte familiariteit, die zich om den
kroonprins inhoudt, maar aanzweemt de, eenigszins sportachtige, ruwheid
en ongegeneerdheid in woord en in gebaar, die de modetoon is aan het
hof. De Gothlandsche officieren zijn hier blijkbaar niet mede
vertrouwd; Von Fest, een reus van een vent, kijkt rechts en links, en
glimlacht. De hertogin heeft dien chic van onverschilligheid anders
zeer sterk, maar tempert zich nu, al zit ze ook wel eens met hare beide
mooie ellebogen op tafel. De kroonprins heeft weêr dat onzegbare van
strakheid, dat iets om hem bevriezen doet; de natuurlijkheid, die hij
te Altara had, heeft opnieuw plaats gemaakt voor iets bijna gedwongens
en tevens hoogs; zijn glimlach tegen de hertogin is gemaakt, en de
schoone gastvrouw vindt haren hoogen gast, in stilten haars harten: een
onuitstaanbaren jongen!
Misschien is Othomar zoo door de gesprekken, die alle weven om de
hertogin heen als middenpunt en de kleinere nieuwtjes van het Imperiaal
behandelen; van de overstroomingen is hier nauwlijks sprake, nauwlijks
ook van den staat van beleg der rezidentie; slechts een enkel woord nu
en dan herinnert er aan. Maar voor het meerendeel schijnt men dat alles
te vergeten, hier in dit heerlijk interieur, aan dit uitstekende diner,
onder het parelen van dien zacht gouden Lyciliër, uit den eigen
hertogelijken wijngaard. Deze Lyciliër is beroemd, en men roemt ze dan
ook; de kroonprins zelve klinkt de hertogin er meê toe met een paar
hoffelijke woorden, die hij zelve heel gewoon geuit heeft, maar die men
een allergeestigst compliment schijnt te vinden, want ze lachen allen
vleierig goedkeurend, terwijl ze hem in verstandhouding van begrijpen
aanzien, en de hertogin zelve vindt hem niet zoo onuitstaanbaar meer,
maar straalt hem met haren vollen glanslach toe. Wat heeft hij dan toch
gezegd? Verbaasd is hij over zichzelven en over hun gelach. Hij meende
niets dan een banaliteit, en...
Maar hij herinnert zich: het is altijd zoo en hij begrijpt het nu. En
hij vindt ze flauw en wendt zich tot Ducardi en Von Fest; hij forceert
het gesprek en spreekt in eens druk over den toestand der stad Vaza,
die ook veel te lijden heeft gehad. Dan over Altara. Hij doet der
hertogin een lang verhaal van het doorbreken van den Therezia-dijk. De
hertogin vindt hem een vreemden jongen; even meent ze, dat hij
coquetteert; daarna besluit ze, dat hij om de eene of andere reden wat
zenuwachtig is: dan vindt ze, dat hij mooie, zachte oogen heeft, zoo
kijkend onder-op door zijne wimpers, en dat hij aardig vertelt. Ze
wendt zich heelemaal tot hem, vergeet de officieren om haar heen,
vraagt, en, met de ellebogen op de tafel, een kelk Lyciliër in de hand,
luistert ze aandachtig, hangt aan de jong-keizerlijke lippen en voelt
eene emotie. Die emotie is, omdat hij zoo jong, en hoog is, en zulke
oogen heeft en zoo eene stem. Zij vindt zijne handen sympathiek, in
dien breed-fijnen vorm, als van een oude kracht van ras, dat zich
enerveert; ze let op, dat hij nu en dan naar zijn ring kijkt. En,
ernstig geworden, praat ze van de vreeselijke tijden, al die duizende
arme menschen, zonder dak, zonder iets... Het is echter het tweede
oogenblik, dat zij aan die duizenden denkt; het eerste, was dat half
uurtje, toen de aalmoezenier van den hertog haar om geld vroeg, en hoe
zij het wilde besteed hebben... Zij herinnert zich, dat tijdens dit
gesprek met den aalmoezenier, eene coupeuze van Worth haar wachtte voor
hetzelfde toilet, dat ze nu draagt, en ze vindt de toevalligheden van
het leven toch zéer interessant. Ze weet, door haar zelf-inzicht, dat
deze filozofie is als schuim van champagne, en glimlacht er ook zelve
om. Dan luistert ze weêr aandachtig naar Othomar, die nog van de
nachtwake verhaalt in de kerk van St. Therezia. De officieren zijn stil
geworden en luisteren ook. Zijne Keizerlijke Hoogheid heeft zichzelven
middenpunt van gesprek gemaakt en de hertogin onttroond. Ze heeft dit
ook opgemerkt, vindt hem er vreemd maar aardig om, weet vooral niet wat
ze aan hem heeft, en is geboeid.