II.

Drie rijtuigen, à la Daumont, voeren Othomar, Herman en de anderen

langs den breeden, slingerenden, op- en afgaanden weg naar Castel Vaza.

Het is vijf uur, ’s namiddags, nog zacht zonnig, maar niet warm meer;

er waait een frissche bries. Het landschap is wijd en grootsch; de

bergen wisselen bij het verschieten van den weg hunne golvende

sneeuwlijnen van panorama. De streek is bloeiend mooi; de dorpjes, die

zij doorgaan, zijn welvarend—bezittingen van den hertog—; tusschen Vaza

en het kasteel is het land gespaard van water; de uitstortingen van den

Zanthos drenken meer het Oosten. Het is moeilijk hier onafgebroken door

te blijven denken aan die ontzettende ramp van water, en aan den

toestand van Lipara, daar ginds in staat van beleg door den keizer

verklaard, het is hier zoo mooi, zoo vol leven van voorjaar, en het

zinken van de zon na een mooien zomerdag is er zonder weemoed. De

kastanjes wuiven hunne frischgroene waaiers en de lucht is nog als

parelmoêr, al zeeft er ook al asch van schemering over heen. Een

vroolijk gesprek gaat om tusschen de prinsen, Ducardi en Von Fest, die

in het eerste rijtuig zitten; zij praten opgewonden, lachen, en zijn er

vroolijk om, dat de dorpelingen, nu ja, hen soms wel groeten als visite

voor het kasteel, met een tik aan een pet of een goedigen knik, maar

niet weten wie ze zijn. Prins Herman knikt een mooie jonge boerenmeid

toe, die met open mond na blijft kijken, en herinnert zich de heerlijke

jacht op grof wild, verleden jaar, toen hij met den keizer en Othomar

de gast was geweest van den hertog. De hertogin hadden zij toen niet

gezien; ze was lijdende... Generaal Ducardi vertelt anecdoten uit den

oorlog van vijftien jaar geleden.

En zij hebben allen eenige moeite hunne gezichten in de officieele

plooi te zetten als zij door de oude, geblazoeneerde poort over de

neêrgelaten ophaalbrug de minutenlange inrijlaan oprijden, en door den

hoofdintendant worden ontvangen, in den binnenhof van het kasteel. Dit

wil de etiquette. De hertogin mag zich niet vertoonen, voor de

hoofdintendant, te midden van het geheele personeel des hertogen, den

Hertog van Xara welkom heet uit naam zijns afwezigen meesters en den

kroonprins een draadbericht aanbied uit Lipara, dat de hofmeester op

een zilveren schaal reikt. Dit telegram is van den hertog van Yemena,

het meldt, dat zijn dienst en die van zijn zoon, den markies van Xardi,

bij zijne Majesteit den keizer, des Hertogen van Xara Allergenadigsten

Vader, hen weêrhouden hun geliefden kroonprins in hun kasteel te

ontvangen, maar dat zij Zijne Keizerlijke Hoogheid verzoeken, dit huis

als het Hare te beschouwen. De prins leest het telegram en reikt het

aan den ordonnans-officier, graaf van Thesbia, over. Daarna gaat hij,

door den intendant geleid, de trappen op, de vestibule in.

In weêrwil van den dag daarbuiten nog, is de vestibule hel verlicht, en

lijkt een woud vol palmen en breedbladige sierplanten. De hertogin

treedt den kroonprins te gemoet, en breekt hare gratie in een diepe

buiging neêr. Zoo heeft hij haar reeds zien buigen. Maar schooner

misschien nog is zij in dit effen toilet van zwart fluweel en

Venetiaansche kant, haren prachtigen boezem, wit met het grein van

Carrarisch, laag ontbloot, hare sculpturale armen bloot, een zwaren

sleep achter zich, als een golf van inkt; een klein hertogelijk

kroontje van brillant en smaragd in het haar, dat zwart ook is met

goudblauwigen ravengloed.

Zij heet de prinsen welkom; Othomar buigt haar den arm toe; prins

Herman, de adjudanten volgen hen de kolossale trap op, door de haie der

lakeien heen, die onbewegelijk staan, met strakke oogen, die niet

schijnen te zien. Dan door een ris van verlichte zalen en galerijen

naar een grooten ontvangsalon, schitterend van het licht der kostbare

rotskristallen kroon, waar het kaarslicht in regenboogt, en breed

neêrglanst en watert op het marmermozaïek van den vloer, en langs de

ornamentale spiegels in lijsten van zwaar Louis-XV-gekrul, schilderijen

van meesters der Renaissance aan den wand.

Een oogenblik daar een staande receptie, een kleine cour; in hunne

schitterendste uniformen—want van Vaza was het een heerlijke, al dan

ook lange rijtoer, en de heeren hebben tijd gehad zich in de stad in

groot uniform te steken—komen de adjudanten en ordonnansofficieren, de

een na den ander, der hertogin de hand kussen; zij kent ze, behalve de

Gothlandsche officieren, allen, bijna allen intiem; ieder weet ze een

bijna gemeenzaam woord te zeggen, terwijl het goud van hare stem

tusschen hare lachende lippen smelt en hare groote Egyptische oogen

vreemd droomend kijken. Zoo blijft zij een oogenblik alleraanminnigste

gastvrouw, tusschen de beide prinsen, zij vrouw alleen te midden dier

officieren, die hen omringen, tusschen een kort snel vuurwerk van

compliment en geestigheid, dat tintelt tusschen hen om. Dan verschijnt

de hofmeester, terwijl de deuren openschuiven en de tafel hel

glinsterend zichtbaar wordt, en hij buigt voor zijne meesteres, ten

teeken, dat zij gediend is. De hertogin neemt den arm van den

kroonprins; de heeren volgen.

Het is aan tafel zeer vroolijk. Men is in een intiemen kring; menschen,

die gewoon zijn elkaâr iederen dag te zien; de hertogin zorgt voor een

gemakkelijken toon, een lichte familiariteit, die zich om den

kroonprins inhoudt, maar aanzweemt de, eenigszins sportachtige, ruwheid

en ongegeneerdheid in woord en in gebaar, die de modetoon is aan het

hof. De Gothlandsche officieren zijn hier blijkbaar niet mede

vertrouwd; Von Fest, een reus van een vent, kijkt rechts en links, en

glimlacht. De hertogin heeft dien chic van onverschilligheid anders

zeer sterk, maar tempert zich nu, al zit ze ook wel eens met hare beide

mooie ellebogen op tafel. De kroonprins heeft weêr dat onzegbare van

strakheid, dat iets om hem bevriezen doet; de natuurlijkheid, die hij

te Altara had, heeft opnieuw plaats gemaakt voor iets bijna gedwongens

en tevens hoogs; zijn glimlach tegen de hertogin is gemaakt, en de

schoone gastvrouw vindt haren hoogen gast, in stilten haars harten: een

onuitstaanbaren jongen!

Misschien is Othomar zoo door de gesprekken, die alle weven om de

hertogin heen als middenpunt en de kleinere nieuwtjes van het Imperiaal

behandelen; van de overstroomingen is hier nauwlijks sprake, nauwlijks

ook van den staat van beleg der rezidentie; slechts een enkel woord nu

en dan herinnert er aan. Maar voor het meerendeel schijnt men dat alles

te vergeten, hier in dit heerlijk interieur, aan dit uitstekende diner,

onder het parelen van dien zacht gouden Lyciliër, uit den eigen

hertogelijken wijngaard. Deze Lyciliër is beroemd, en men roemt ze dan

ook; de kroonprins zelve klinkt de hertogin er meê toe met een paar

hoffelijke woorden, die hij zelve heel gewoon geuit heeft, maar die men

een allergeestigst compliment schijnt te vinden, want ze lachen allen

vleierig goedkeurend, terwijl ze hem in verstandhouding van begrijpen

aanzien, en de hertogin zelve vindt hem niet zoo onuitstaanbaar meer,

maar straalt hem met haren vollen glanslach toe. Wat heeft hij dan toch

gezegd? Verbaasd is hij over zichzelven en over hun gelach. Hij meende

niets dan een banaliteit, en...

Maar hij herinnert zich: het is altijd zoo en hij begrijpt het nu. En

hij vindt ze flauw en wendt zich tot Ducardi en Von Fest; hij forceert

het gesprek en spreekt in eens druk over den toestand der stad Vaza,

die ook veel te lijden heeft gehad. Dan over Altara. Hij doet der

hertogin een lang verhaal van het doorbreken van den Therezia-dijk. De

hertogin vindt hem een vreemden jongen; even meent ze, dat hij

coquetteert; daarna besluit ze, dat hij om de eene of andere reden wat

zenuwachtig is: dan vindt ze, dat hij mooie, zachte oogen heeft, zoo

kijkend onder-op door zijne wimpers, en dat hij aardig vertelt. Ze

wendt zich heelemaal tot hem, vergeet de officieren om haar heen,

vraagt, en, met de ellebogen op de tafel, een kelk Lyciliër in de hand,

luistert ze aandachtig, hangt aan de jong-keizerlijke lippen en voelt

eene emotie. Die emotie is, omdat hij zoo jong, en hoog is, en zulke

oogen heeft en zoo eene stem. Zij vindt zijne handen sympathiek, in

dien breed-fijnen vorm, als van een oude kracht van ras, dat zich

enerveert; ze let op, dat hij nu en dan naar zijn ring kijkt. En,

ernstig geworden, praat ze van de vreeselijke tijden, al die duizende

arme menschen, zonder dak, zonder iets... Het is echter het tweede

oogenblik, dat zij aan die duizenden denkt; het eerste, was dat half

uurtje, toen de aalmoezenier van den hertog haar om geld vroeg, en hoe

zij het wilde besteed hebben... Zij herinnert zich, dat tijdens dit

gesprek met den aalmoezenier, eene coupeuze van Worth haar wachtte voor

hetzelfde toilet, dat ze nu draagt, en ze vindt de toevalligheden van

het leven toch zéer interessant. Ze weet, door haar zelf-inzicht, dat

deze filozofie is als schuim van champagne, en glimlacht er ook zelve

om. Dan luistert ze weêr aandachtig naar Othomar, die nog van de

nachtwake verhaalt in de kerk van St. Therezia. De officieren zijn stil

geworden en luisteren ook. Zijne Keizerlijke Hoogheid heeft zichzelven

middenpunt van gesprek gemaakt en de hertogin onttroond. Ze heeft dit

ook opgemerkt, vindt hem er vreemd maar aardig om, weet vooral niet wat

ze aan hem heeft, en is geboeid.

Majesteit · 第 13 / 52 题