V.

In andere uniformen een kort diner bij den hoogen prelaat; eenige

domheeren en abten zitten meê aan. De zaal is groot, somber, met

zwakken schijn van kaarsen nauwelijks verlicht; het zilver glimt dof op

de oude, zwart eikenhouten dressoiren; de fresco’s aan den muur,

heilige tafereelen, zijn naulijks te onderscheiden. Een stille haast

doet de monden reppen; men spreekt gedempt; de lakeien, in sombere

liverei, gaan als op de teenen rond. De kardinaal, aan wiens zijden de

prinsen gezeten zijn, is lang, mager, met een fijn, ascetisch gezicht

en de staalblauwe oogen van een dweper; zijne stem komt diep uit zijn

keel als een orakel; hij zegt iets van den wil des Heeren en maakt een

berustend gebaar met beide handen, de vingers even uitgespreid, zooals

Jezus doet op oude schilderijen. Een der abten, secretaris van den

kardinaal, een jonge man met een rond, roze gezicht en mollige witte

handen, lacht even nog al luid op om een grap van prins Dutri, die,

naast hem gezeten, iets vertelt van een gravin uit Lipara, die zij

beiden kennen. De kardinaal kijkt den dartelen secretaris streng aan.

Na een haastig diner, gaan de prinsen en hun gevolg te paard de stad

in, toegejuicht waar zij komen. Tot dicht bij den Dom en het

Aartsbisschoppelijk paleis staat het water al. Groepen mannen, vrouwen,

kinderen snikkend, vloeien te zamen, den prins te gemoet, die over de

donkere pleinen rijdt; men draagt flambouwen om hem heen, daar de

gaslantaarns niet overal branden; de rosse vlammen doen vreemd,

romantisch over de oude donkere murenmassa’s, spiegelen zich als met

lange bloedrimpels in het water, dat in de nauwe stegen staat. Een

groot huis met vele verdiepingen en rissen kleine ramen, schijnt

eensklaps ondergeloopen te zijn; geheimzinnig plotselinge druk der

wateren, door het metselwerk der kelders, uit de fondamenten

opsijpelend, zich verraderlijk weg banend door de minste voege of

barst. De bewoners redden zich in kleine booten, die met roode lichtjes

door de zwarte waterstad heen varen; een kind huilt luidkeels. Het zijn

arme menschen, honderden, die daar te zamen wonen, als opgestapeld in

doozen. De prinsen zijn afgestegen, gaan in een bootje, varen er heen

en men weet wie ze zijn; zelve helpen ze een oude vrouw en drie

kinderen, nat tot aan het middel, klimmen op een vlot; zelve geven ze

geld, roepen ze bevelen. En den ouden burcht van St. Ladislas wijzen ze

aan als toevlucht...

Maar is er een roep opgegaan, verder, eerst in den donkeren avond

onduidelijk vernomen, dan eindelijk duidelijker hoorbaar:

—De Therezia-dijk, de Therezia-dijk...

De prinsen willen er heen; te paard is het niet mogelijk; in bootjes is

de eenige manier. Prins Herman zelve grijpt de roeispanen; in het

volgende bootje beweert Dutri tegen Von Fest, een der Gothlandsche

adjudanten, dat Venetië toch nog comfortabeler is...

—De Therezia-dijk, de Therezia-dijk...

De dijk ligt als de zwarte rug van een groot, lang dier even buiten de

stad, aan den linkeroever van den Zanthos, en beschermt er, meestal in

het voorjaar, voor opwellingen der rivier de geheele wijk van St.

Therezia, het Oostelijk gedeelte der stad, dat nog al hoog ligt. Over

de waterstraten glijden de bootjes voort; op het Therezia-plein is het

mogelijk te landen: er branden lantarens, fakkels walmen, rosse

vlamspelingen krinkelen over het water. Het plein is groot, breed;

zwart staan de huizen er om heen en begrenzen het in den nacht met

hunne onregelmatige lijnen van dakspitsen en schoorsteenen, met de

massieve massa van de kerk van St. Therezia, waarvan de torens zich in

de donkere lucht verliezen; in het midden van het plein rijst een groot

ruiterstandbeeld van een Liparisch keizer, reusachtig in bronzen

onbeweeglijkheid over het kleine dwarrelen der menigte den arm

uitzwaaiend, een zwaard in de vuist.

Othomar en Herman hebben hunne drie adjudanten, Dutri, Leoni en Von

Fest, wien men paarden gezocht en gezadeld heeft, weggezonden, naar den

dijk toe; eene geheele buitenstad van villa’s, fabrieken en het station

van St. Therezia beschermt die daar tegen het water van den Zanthos,

die zijn rechteroever reeds over het land heeft uitgestort en dat

verdrinkt. De prinsen staan in het midden van het plein op de trappen

van het voetstuk des standbeelds; zij hebben verder voort willen gaan

maar de burgemeester zelve heeft hen verzocht daar te blijven; verderop

dreigt er ieder oogenblik levensgevaar... Wat men kon, heeft men reeds

gedaan; er is niets meer te doen dan te wachten.

Er verloopen kwartieren, halve uren. Het wachten op het

verschrikkelijke maakt kalm; men hoopt weêr. De officieren rijden af en

aan; de villa’s en fabrieken daar ginds zijn verlaten; een geheele stad

ligt er leêg, ontvlucht. Prins Dutri verzekerd, draaiend met zijn

paard, dat hij buiten adem heeft gereden, dat de dijk houden zal; nadat

hij met de prinsen gesproken heeft, omringt men hem, het zijn de

bewoners der villa’s, de fabrikanten, die hem met vragen overstelpen,

gesterkt door de zelfbewustheid van den keizerlijken adjudant. Nog eens

galoppeert Dutri weg.

Daar gaan de deuren van de kerk geheel, wijd open: in het einde van

perspectief, tusschen de zuilen, schitteren de lichtjes op het altaar;

eene processie vloeit langzaam naar buiten; een gemyterde bisschop,

priesters, choorkinderen, die zingen en vanen dragen en hooge kaarsen

en wolken zwaaien uit hunne wierookvaten; achter het omhoog geheven

crucifix, de reliquie van St. Therezia in haren antieken schrijn van

middeneeuwsch goud en kristal en kostbare steenen, ruw geslepen of

rond; ze wordt gedragen onder een baldakijn en in den dwarrelenden

kaarsenschemer schittert en straalt ze als een heilig juweel, als een

star, over dat sombere plein, door dien zwarten nacht van onheil heen;

flikkeren de reuzensmaragden, flonkert het kostelijk gedreven goud, en

voor het Zeer Heilige wijkt de opeengedrongen menigte terzijde en valt

ze neêr, geknield. De vijfde maal is het, dat dien dag de processie

ommegaat, de reliquie gedragen wordt, ter bezwering van de ramp. Ze

gaat voorbij het standbeeld; de prinsen knielen neêr; het Latijn van

den zang, de glans van de reliquie in haar schrijn, de walm van den

wierook gaat over hen heen met den zegen van den bisschop...

Om de processie is het stil geworden op het plein, maar men hoort nu

een geruisen als van verre... Als met éen golfslag schijnt de menigte

te deinen, men knielt niet meer; de processie zelfs wordt verbroken en

verwart zich. Door het gedrang gaat de mare: de dijk is gezwicht...

Men kán nog niet gelooven, maar eensklaps dondert van boven het fort

van St. Ladislas, dat zijne wallen om den burcht breid, een schot en

dreunt over de zwarte stad, en davert door de zwarte lucht alsof zijn

weerslag breekt tegen de lage wolken aan. Een tweede schot dondert na,

als met reuzen-cymbalen van catastrofe, een derde... de geheele stad

weet, dat de Zanthos den dijk heeft verbroken.

Het geheele plein is in warrelende beweging: éen mierenhoop; hoopen

laatste vluchtelingen komen nog aan in drommen, armen, haveloozen nu,

die niet eerder hadden kunnen vluchten, die nog altijd hoopten; door

het gedrang poogt, hijgende, vloekende, te paard, den angst in zijne

oogen, prins Dutri het standbeeld te bereiken; het verre geruisch als

van zee komt nader en nader. Men vlucht in alle straten, te voet of in

bootjes; de processie in wanorde, met het geschitter van haren

reliquie-schrijn, die als schijnt te wankelen op de golven eener

menschenzee, verspreidt zich naar de kerk...

—Is het plein zelfs niet veilig? vraagt Othomar: hij kan bijna niet

spreken; zijne borst is geklemd als in ijzer, zijne oogen vullen zich

met tranen, een onmetelijke wanhoop van machteloosheid en medelijden

verdrinkt zijne ziel.

De burgemeester schudt van neen.

—Het plein ligt lager dan de buitenwijken, Hoogheid; U kan hier niet

meer blijven. Gaat U in Godsnaam terug, met een boot, naar het

Episcopaal...

Maar de prinsen willen blijven, ook al ruischt het meer en meer.

—Gaat U dan in de kerk, Hoogheden; daar is dan nog de eenige veilige

plaats, smeekt de burgemeester. In Gods naam, ik bid U!!

Het plein is reeds als schoon geveegd, de flambouwen geleiden de

prinsen naar de trappen der kerk; als een zachte donder, die over den

grond strijkt, golft de Zanthos aan.

In de kerk galmt het orgel, zingt men, bidt men... den geheelen nacht.

En den geheelen nacht blijft het daar buiten chaotisch zwart, zacht

ruischend...

Als de eerste schemeringen bleeken over de lucht, die in de verte roze

en grijs, flauw opaal en parelmoêr begint op te tinten, treedt Othomar

met Herman en de adjudanten naar buiten, op de treden der kerk.

Het plein staat onder water; de huizen rijzen uit het water op; het

standbeeld van Othomar III zwaait zijn bronzen arm en zwaard over een

meer uit, dat rimpelt in de morgenbries.

Van het Therezia-plein tot de Domplaats staat alles onder.

Majesteit · 第 9 / 52 题