In andere uniformen een kort diner bij den hoogen prelaat; eenige
domheeren en abten zitten meê aan. De zaal is groot, somber, met
zwakken schijn van kaarsen nauwelijks verlicht; het zilver glimt dof op
de oude, zwart eikenhouten dressoiren; de fresco’s aan den muur,
heilige tafereelen, zijn naulijks te onderscheiden. Een stille haast
doet de monden reppen; men spreekt gedempt; de lakeien, in sombere
liverei, gaan als op de teenen rond. De kardinaal, aan wiens zijden de
prinsen gezeten zijn, is lang, mager, met een fijn, ascetisch gezicht
en de staalblauwe oogen van een dweper; zijne stem komt diep uit zijn
keel als een orakel; hij zegt iets van den wil des Heeren en maakt een
berustend gebaar met beide handen, de vingers even uitgespreid, zooals
Jezus doet op oude schilderijen. Een der abten, secretaris van den
kardinaal, een jonge man met een rond, roze gezicht en mollige witte
handen, lacht even nog al luid op om een grap van prins Dutri, die,
naast hem gezeten, iets vertelt van een gravin uit Lipara, die zij
beiden kennen. De kardinaal kijkt den dartelen secretaris streng aan.
Na een haastig diner, gaan de prinsen en hun gevolg te paard de stad
in, toegejuicht waar zij komen. Tot dicht bij den Dom en het
Aartsbisschoppelijk paleis staat het water al. Groepen mannen, vrouwen,
kinderen snikkend, vloeien te zamen, den prins te gemoet, die over de
donkere pleinen rijdt; men draagt flambouwen om hem heen, daar de
gaslantaarns niet overal branden; de rosse vlammen doen vreemd,
romantisch over de oude donkere murenmassa’s, spiegelen zich als met
lange bloedrimpels in het water, dat in de nauwe stegen staat. Een
groot huis met vele verdiepingen en rissen kleine ramen, schijnt
eensklaps ondergeloopen te zijn; geheimzinnig plotselinge druk der
wateren, door het metselwerk der kelders, uit de fondamenten
opsijpelend, zich verraderlijk weg banend door de minste voege of
barst. De bewoners redden zich in kleine booten, die met roode lichtjes
door de zwarte waterstad heen varen; een kind huilt luidkeels. Het zijn
arme menschen, honderden, die daar te zamen wonen, als opgestapeld in
doozen. De prinsen zijn afgestegen, gaan in een bootje, varen er heen
en men weet wie ze zijn; zelve helpen ze een oude vrouw en drie
kinderen, nat tot aan het middel, klimmen op een vlot; zelve geven ze
geld, roepen ze bevelen. En den ouden burcht van St. Ladislas wijzen ze
aan als toevlucht...
Maar is er een roep opgegaan, verder, eerst in den donkeren avond
onduidelijk vernomen, dan eindelijk duidelijker hoorbaar:
—De Therezia-dijk, de Therezia-dijk...
De prinsen willen er heen; te paard is het niet mogelijk; in bootjes is
de eenige manier. Prins Herman zelve grijpt de roeispanen; in het
volgende bootje beweert Dutri tegen Von Fest, een der Gothlandsche
adjudanten, dat Venetië toch nog comfortabeler is...
—De Therezia-dijk, de Therezia-dijk...
De dijk ligt als de zwarte rug van een groot, lang dier even buiten de
stad, aan den linkeroever van den Zanthos, en beschermt er, meestal in
het voorjaar, voor opwellingen der rivier de geheele wijk van St.
Therezia, het Oostelijk gedeelte der stad, dat nog al hoog ligt. Over
de waterstraten glijden de bootjes voort; op het Therezia-plein is het
mogelijk te landen: er branden lantarens, fakkels walmen, rosse
vlamspelingen krinkelen over het water. Het plein is groot, breed;
zwart staan de huizen er om heen en begrenzen het in den nacht met
hunne onregelmatige lijnen van dakspitsen en schoorsteenen, met de
massieve massa van de kerk van St. Therezia, waarvan de torens zich in
de donkere lucht verliezen; in het midden van het plein rijst een groot
ruiterstandbeeld van een Liparisch keizer, reusachtig in bronzen
onbeweeglijkheid over het kleine dwarrelen der menigte den arm
uitzwaaiend, een zwaard in de vuist.
Othomar en Herman hebben hunne drie adjudanten, Dutri, Leoni en Von
Fest, wien men paarden gezocht en gezadeld heeft, weggezonden, naar den
dijk toe; eene geheele buitenstad van villa’s, fabrieken en het station
van St. Therezia beschermt die daar tegen het water van den Zanthos,
die zijn rechteroever reeds over het land heeft uitgestort en dat
verdrinkt. De prinsen staan in het midden van het plein op de trappen
van het voetstuk des standbeelds; zij hebben verder voort willen gaan
maar de burgemeester zelve heeft hen verzocht daar te blijven; verderop
dreigt er ieder oogenblik levensgevaar... Wat men kon, heeft men reeds
gedaan; er is niets meer te doen dan te wachten.
Er verloopen kwartieren, halve uren. Het wachten op het
verschrikkelijke maakt kalm; men hoopt weêr. De officieren rijden af en
aan; de villa’s en fabrieken daar ginds zijn verlaten; een geheele stad
ligt er leêg, ontvlucht. Prins Dutri verzekerd, draaiend met zijn
paard, dat hij buiten adem heeft gereden, dat de dijk houden zal; nadat
hij met de prinsen gesproken heeft, omringt men hem, het zijn de
bewoners der villa’s, de fabrikanten, die hem met vragen overstelpen,
gesterkt door de zelfbewustheid van den keizerlijken adjudant. Nog eens
galoppeert Dutri weg.
Daar gaan de deuren van de kerk geheel, wijd open: in het einde van
perspectief, tusschen de zuilen, schitteren de lichtjes op het altaar;
eene processie vloeit langzaam naar buiten; een gemyterde bisschop,
priesters, choorkinderen, die zingen en vanen dragen en hooge kaarsen
en wolken zwaaien uit hunne wierookvaten; achter het omhoog geheven
crucifix, de reliquie van St. Therezia in haren antieken schrijn van
middeneeuwsch goud en kristal en kostbare steenen, ruw geslepen of
rond; ze wordt gedragen onder een baldakijn en in den dwarrelenden
kaarsenschemer schittert en straalt ze als een heilig juweel, als een
star, over dat sombere plein, door dien zwarten nacht van onheil heen;
flikkeren de reuzensmaragden, flonkert het kostelijk gedreven goud, en
voor het Zeer Heilige wijkt de opeengedrongen menigte terzijde en valt
ze neêr, geknield. De vijfde maal is het, dat dien dag de processie
ommegaat, de reliquie gedragen wordt, ter bezwering van de ramp. Ze
gaat voorbij het standbeeld; de prinsen knielen neêr; het Latijn van
den zang, de glans van de reliquie in haar schrijn, de walm van den
wierook gaat over hen heen met den zegen van den bisschop...
Om de processie is het stil geworden op het plein, maar men hoort nu
een geruisen als van verre... Als met éen golfslag schijnt de menigte
te deinen, men knielt niet meer; de processie zelfs wordt verbroken en
verwart zich. Door het gedrang gaat de mare: de dijk is gezwicht...
Men kán nog niet gelooven, maar eensklaps dondert van boven het fort
van St. Ladislas, dat zijne wallen om den burcht breid, een schot en
dreunt over de zwarte stad, en davert door de zwarte lucht alsof zijn
weerslag breekt tegen de lage wolken aan. Een tweede schot dondert na,
als met reuzen-cymbalen van catastrofe, een derde... de geheele stad
weet, dat de Zanthos den dijk heeft verbroken.
Het geheele plein is in warrelende beweging: éen mierenhoop; hoopen
laatste vluchtelingen komen nog aan in drommen, armen, haveloozen nu,
die niet eerder hadden kunnen vluchten, die nog altijd hoopten; door
het gedrang poogt, hijgende, vloekende, te paard, den angst in zijne
oogen, prins Dutri het standbeeld te bereiken; het verre geruisch als
van zee komt nader en nader. Men vlucht in alle straten, te voet of in
bootjes; de processie in wanorde, met het geschitter van haren
reliquie-schrijn, die als schijnt te wankelen op de golven eener
menschenzee, verspreidt zich naar de kerk...
—Is het plein zelfs niet veilig? vraagt Othomar: hij kan bijna niet
spreken; zijne borst is geklemd als in ijzer, zijne oogen vullen zich
met tranen, een onmetelijke wanhoop van machteloosheid en medelijden
verdrinkt zijne ziel.
De burgemeester schudt van neen.
—Het plein ligt lager dan de buitenwijken, Hoogheid; U kan hier niet
meer blijven. Gaat U in Godsnaam terug, met een boot, naar het
Episcopaal...
Maar de prinsen willen blijven, ook al ruischt het meer en meer.
—Gaat U dan in de kerk, Hoogheden; daar is dan nog de eenige veilige
plaats, smeekt de burgemeester. In Gods naam, ik bid U!!
Het plein is reeds als schoon geveegd, de flambouwen geleiden de
prinsen naar de trappen der kerk; als een zachte donder, die over den
grond strijkt, golft de Zanthos aan.
In de kerk galmt het orgel, zingt men, bidt men... den geheelen nacht.
En den geheelen nacht blijft het daar buiten chaotisch zwart, zacht
ruischend...
Als de eerste schemeringen bleeken over de lucht, die in de verte roze
en grijs, flauw opaal en parelmoêr begint op te tinten, treedt Othomar
met Herman en de adjudanten naar buiten, op de treden der kerk.
Het plein staat onder water; de huizen rijzen uit het water op; het
standbeeld van Othomar III zwaait zijn bronzen arm en zwaard over een
meer uit, dat rimpelt in de morgenbries.
Van het Therezia-plein tot de Domplaats staat alles onder.