Aan Hare Allergenadigste Keizerlijke Majesteit Elizabeth,
Keizerin van Liparië. Altara, Episcopaal, Maart 18...
Mijn aangebeden moeder!
Uw brief verwijt me, dat ik U niet dadelijk eergisteren geschreven heb;
vergeef me, want zoo dikwijls zijn mijne gedachten toch vol van U
geweest. Maar ik voelde mij gisteren zoo moê na een drukken dag, en
miste ’s avonds kracht tot schrijven. Laat mij U nu het een en ander
van mij melden.
U beschrijft mij den vreeselijken indruk, die het te Lipara maakte,
toen men des nachts van hier de doorbraak van den Thereziadijk seinde,
en hoe U allen waakten in het Imperiaal. Ook wij sliepen dien nacht
niet, maar waakten in de Therezia-kerk. Men herinnert zich, sedert
vijftig jaren, niet eene zoo verschrikkelijke overstrooming; tijdens
die, welke mijn Vader zich herinnert uit zijne kinderjaren, was het
Thereziaplein niet overstroomd en stond het water slechts tot de groote
ijzerfabriek, naar men zegt.
Hoe U te beschrijven, wat ik voelde in dien nacht, terwijl wij hoopten
en wachtten, beurtelings hoopten, dat God en Zijne Heilige Moeder dit
onheil van ons zouden afwenden, en wachtten tot de catastrofe zoû
losbarsten. Wij stonden op het voetstuk van het ruiterbeeld en er was
niets meer te doen. O, die onmacht om mij heen, die onmacht in
mij-zelven. Telkens vroeg ik mij af, wat ik daar deed, zoo ik niets kon
doen om mijn volk te helpen. Nooit nog, liefste moeder, heb ik dit
gevoel van onmacht, van niets kunnen tegen wat moet gebeuren, zoo wijd
zich in mijne ziel voelen uitbreiden, tot ze haar geheel en al met
wanhoop vulde, maar ook nooit voelde ik zóo waarachtig, dat alle dingen
van het leven twee zijden hebben, dat de grootste ramp zoowel zijne
zwarte schaduw als zijn helderen lichtkant heeft, want nooit, o nooit,
voelde ik zóo sterk en innig door mijne wanhoop heen, liefde voor ons
volk; iets, wat ik nog niet wist, dat zoo als waarheid in ons hart kon
bestaan, als ik het toen voelde huiveren door mij heen; en die liefde
gaf mij een onmetelijken weemoed bij de gedachte, dat zij niet allen,
de millioenen zielen van ons rijk, ooit zullen weten, of zoo ze wisten,
gelooven, dat ik ze zoo liefhad, liefhad alsof er bloed van mij in hen
was. Nu wil ik mijzelven niet bedriegen en weet ik heel goed, dat ik
dit gevoel nooit zoû gevoelen te Lipara, maar hier voel ik het, in onze
oude stad, die ons hare geheele sympathie geeft. Hier voel ik het, dat
ikzelve ben, als onze Altariërs, meer Slavisch dan Romaansch, zooals
onze zuidelingen in Lipara en Thracyna, hier voel ik mij van hun bloed,
wat ik mij ginds niet voel! Er zal natuurlijk veel gesproken en
geschreven zijn in de couranten over de onhandigheid van den markies
van Dazzara met zijn dwaze eerewacht aan het station, bij ons vertrek;
hoe het ook zij, ik voelde in den trein groote treurigheid, dat,
terwijl ze daar toch waren om mij te zien weggaan, ze mij niet schenen
lief te hebben; ik weet wel, dat U dit als een verkeerd sensitivisme
weêr in mij zal afkeuren, maar ik kan het niet helpen; mijn lieve
moeder; ik ben zoo, en zoo overgevoelig voor sympathie in het algemeen
en voor de uitingen van ons volk in het bizonder. En daarom ook heb ik
ze hier lief: misschien heel eenvoudig en kinderachtig wel, omdat ze
mij toonen lief te hebben: overal enthouziasme, en dat oprecht gemeend,
waar wij ook komen; en toch wat kunnen wij doen, dan wat geld geven?
Die sympathie zie ik bij het laagste volk; arbeiders en werklieden, die
ik toch nooit gezien had met weten, en nauwelijks drie, vier woorden
van troost kon zeggen—en, ik weet dan nooit veel anders te zeggen, het
is altijd het zelfde; bij de soldaten, die toch wel instinctmatig
voelen, al zien ze mij ook nooit anders, dan in uniform, dat ik geen
militair in mijn hart ben; bij de studenten, bij de geestelijkheid, bij
het gemeentebestuur en de hoogere autoriteiten. Gisteren zijn wij
overal rond geweest op de plaatsen, die ter herberging zijn aangewezen:
behalve in de barakken, in magazijnen en fabrieken, zelfs in enkele
zalen van departementen en het Paleis van Justitie, in twee theaters,
en in de gevangenis, arme menschen! Ook op St. Ladislas. Wij hadden van
den Ronden Toren een uitzicht over het omliggende land: in het Oosten
niets dan water en water, als een zee. Het hart werd mij
dichtgeschroefd in de borst.
Wij gingen ook naar de Hoogeschool: de meeste professoren kende ik nog
van twee jaren geleden, toen ik er studeerde.
Een verschrikkelijk schouwspel was buiten de stad; o, mama, waren het
honderden, waren het duizenden lijken, als in een Morgue naast elkander
neêrgespreid op een weiland; een kort oogenblik vóor de ter
aarde-bestelling, om de identiteit vast te stellen! Navrante tooneelen
heb ik gezien; mijn hart werd er onder verscheurd; troepen van
bloedverwanten, die zochten, of snikkend, hadden gevonden. Een
verschrikkelijk weeë lucht vervulde de geheele atmosfeer. Ik voelde mij
onwel worden, en zag ook zeer wit, ik had al mijn energie noodig om
niet te willen flauw vallen, maar Herman stak zijn arm onder den mijne
en steunde mij zooveel mogelijk zonder ostensatie, terwijl een paar
doktoren uit de groep der geneesheeren, met wie ik sprak, me iets gaven
om aan te ruiken. O, mama, het was een verschrikkelijk schouwspel, al
die vale, misvormde, opgezwollen lijken op het groene gras en daarboven
de hemel, die weêr diep blauw was geworden!
In den gemeenteraad heb ik volgens Uw verlangen en dat van mijn Vader
doen weten, dat U beiden ieder een personeele gift van een millioen
florijnen aanbiedt en heb ik tevens de mijne aangeboden. De geheele
wereld schijnt met ons meê te voelen; van alle oorden stroomt het geld
toe, maar de schade schijnt een put, die niet te dempen is. Zooals u
mij meldt, is de gift van onze Syrische vrienden waarlijk Oostersch
vorstelijk.
Wat heb ik U meer te vertellen? Ik weet het waarlijk niet; in mijn
hersenen draait een cauchemar van akelige vizioenen rond en ik kan
ternauwernood recht logisch doordenken. Maar ik beloof U, mijn lieve
moeder, te doen wat ik kan, en dat naar mijn beste krachten, en wat ik
U vraag is alleen éen enkel woord, dat mij zegt, dat U niet al te
ontevreden is over Uw jongen.
Zooals mijn Vader verlangt, blijf ik hier nog een week: het schijnt de
bevolking, die ons zoo lief heeft, toch goed te doen ons te zien. Men
was zeer opgetogen, dat er was aangezegd, dat U en Thera na mijn
vertrek te Altara zouden komen. U zal met Uwe zachte hand nog zooveel
kunnen doen, wat wij over het hoofd zagen. Wat hebben ze ons hier toch
lief en waarom zijn wij maar niet altijd op St. Ladislas; al is de
burcht somber, het is er helder van hunne sympathie.
Maar laat mij U niet zoo poëtisch schrijven in deze dagen van nood,
waarin wij practisch moeten zijn. Hermans gezelschap doet mij veel goed
en ik kan meer doen als hij naast mij staat. Generaal Ducardi is als
altijd een flinke, onvermoeide kerel. De anderen zijn allemaal zeer
bereidvaardig en practisch geweest, en zoo ik het mag zeggen in
eerbiedige tegenspraak van mijn Vader, ik geloof toch wel, dat het
gemeentebestuur doet wat het kan. Een Engelsch ingenieur zeide wel, dat
met betere voorzorgsmaatregelen en meerdere nauwkeurigheid van
nakijken, de Therezia-dijk het misschien had uitgehouden: enfin, dat
weet ik niet.
Herman zal met mij meêgaan op mijn reis door de gouvernementen. Wij
zullen naar Lycilië en Vaza gaan en zooveel mogelijk naar het
platteland. Dat is er natuurlijk het ergste aan toe.—Ik krijg juist de
telegrammen; de markies van Dazzara ontslagen, de hertog van
Mena-Doni—ik hoû niet van dien man—gouverneur der rezidentie!
Lipara in staat van beleg! Mijn Vader zal ons Huis van Adel dus weten
te behouden, door die ontbinding van het Huis der Standen?
Liefste moeder, Zijne Eminentie laat juist verzoeken mij zijne
opwachting te komen maken. Ik wil hem niet laten wachten en eindig dus
in der haast mijn epistel; met mijn beide armen om U heen, noem ik mij
vol innigheid en eerbied,
U, met héel zijn ziel, liefhebbende Zoon,
Uw jongen,
Othomar.