Des nachts hield de stortvloed op; des morgens regende het weêr. Het
was zeven uur; een zwoele vochtdamp sloeg tegen den kolossalen glasboog
van het station aan, als werd die geheel beädemd. De express stond
gereed; de locomotief snoof met kort krachtige hijgingen, als een
ontevreden, moê beest. Eene groote menigte, gonzende opeenpakking van
vage menschen in den onduidelijken nevelmorgen, vulde den glazen hall;
een detachement der infanterie,—twee gelederen, links en rechts; de
uniformen, donkerrood, lichtgrijs; daarboven zwak geschitter van
bajonetten,—veegde twee lange striemen van kleur dwars door het grauwe
station heen, sneed de menigte in tweeën en hield voor de deur der
keizerlijke wachtkamer een breede plek leêg.
Door de menigte huiverde ontevredenheid; er flitsten booze blikken;
ruwe woorden knetterden kort door de lucht, vloeken; een minachtend
lachen deed zich even in een hoek hooren.
Men wachtte lang; toen klonk buiten gejuich; de prins was aangekomen,
vóór het station. De wachtkamer vulde zich met uniformen, flauw
schitterend in den morgen; korte zachte gesprekken gingen om.
Othomar trad binnen, met Herman, en den markies van Dazzara, den
gouverneur der rezidentie,—hoogste militaire autoriteit,—wiens rijke
uniform afstak tegen de eenvoudigere der anderen, zelfs die der
prinsen; adjudanten-generaal, Liparische en Gothlandsche adjudanten,
ordonnans-officieren volgden hem. De burgemeester der stad, de
directeur van het spoorwezen traden Othomar tegemoet, begroetteden hem;
de burgemeester verloor zich in lange frazen voor de beide prinsen.
—Waarom is de toegang tot het perron niet verboden aan het publiek?
vroeg generaal Ducardi aan den directeur; de adjudant-generaal toch had
door de kanten gordijnen even op het perron gezien, nieuwsgierig om het
gegons daarbuiten.
De directeur haalde zijn schouders op.
—Dat was ook het eerste plan; het is ook zoo geweest toen de keizer
wegging, antwoordde hij. Maar een speciale boodschap uit het Imperiaal
liet ons dringend verzoeken, het perron niet af te sluiten; het was het
verlangen van den hertog van Xara.
—En al die soldaten dan?
—Op bevel van den gouverneur van de rezidentie; een ordonnans-officier
kwam ons zeggen, dat er een detachement infanterie zoû aanrukken, als
eerewacht.
—Kwam die ordonnans-officier ook uit het Imperiaal?
—Neen, van het Gouvernementspaleis...
Ducardi haalde de schouders op; een nijdig gebrom deed zijn groote
grijze snor trillen. Hij ging recht op den kroonprins af.
—Weet Uwe Hoogheid, dat er een detachement infanterie buiten staat?
brak hij de lange zinnen van den burgemeester af. De gouverneur hoorde
hem en trad nader.
—Een detachement...? Neen... sprak Othomar verbaasd.
—Had Uwe Hoogheid dan niet bevolen? ging Ducardi voort.
—Ik? Neen... herhaalde Othomar weêr.
De gouverneur boog diep; hij werd zenuwachtig door de forsche stem van
den generaal, die luid sprak.
—Ik meende! sprak hij netjes, maar mompelend, stotterend,—en hij poogde
te zijn nederig voor den prins en tegelijk hoog voor den generaal—ik
meende, dat het goed zoû zijn Uwe Hoogheid te vrijwaren tegen
mogelijke... mogelijke onaangenaamheden, vooral omdat Uwe Hoogheid
wenschte... wenschte, dat het perron voor het publiek toegankelijk zoû
zijn...
Othomar had, als Ducardi, naar buiten gezien: de infanterie en haïe, de
menigte daarachter, boos, gonzend, grijs, dreigend.
—Maar Excellentie! sprak hij hoog tegen den gouverneur! dan was het nog
maar beter geweest het perron te laten afsluiten! Dit is geheel
verkeerd! De stadspolitie zoû voldoende zijn geweest om wat te dicht
bij dringen tegen te houden.
—Ik was bang voor... voor onaangenaamheden, Hoogheid! Onrustige tijden,
het volk zoo ontevreden, fluisterde de gouverneur, bang gehoord te
worden door de adjudanten.
—Geheel verkeerd! herhaalde Othomar driftig, zenuwachtig opgewonden.
Laat de infanterie oprukken!
—Onmogelijk nu, Hoogheid! haastte Ducardi zich te zeggen, met een
ongelukkige glimlach. U begrijpt, dat dàt niet kan.
Het gesprek was terzijde gevoerd, in een half fluisterenden toon; toch
scheen men te luisteren; alle oogen tuurden naar de groep om de
prinsen; alle anderen zwegen.
—Laat ons dan dien treurigen toestand zoo min mogelijk rekken; we
kunnen zeker gaan! sprak Othomar en zijne stem trilde hoog, jong,
zenuwachtig in zijne heldere keel.
De deuren openden zich; Othomar in zijn haast, trad het eerst naar
buiten; de adjudanten en ordonnans-officieren volgden hem niet
dadelijk, daar zij moesten uitwijken voor prins Herman, die zich
toevallig wat achteraf bevond. Herman haastte zich bij Othomar; de
anderen volgden.
De prinsen maakten links en rechts eene hoofdbeweging, als wilden zij
groeten; maar hunne oogen ontmoeten de strakke ronde oogen der
soldaten, die in één flits het geweer prezenteerden; ze salueerden en
liepen door naar den coupé, een beetje vlug, met een onaangenaam gevoel
over den rug.
Onder den reusachtigen glazen boog van het station achter de gelederen
der soldaten, zweeg de menigte doodstil, want het gonsen verstomde
bijna; vloek, noch minachtend lachen werd meer gehoord, maar ook geen
gejuich, geen leve, dat zoet is aan het oor der vorsten.
En de gezichten van dat vage volk, door uniformen en bajonetten
afgesloten van hun toekomstigen beheerscher, bleven strak, met doffe,
haatdragende oogen, met opeengesloten monden, vol ingehoudenheid,
turen, hem als wegkijkende in den keizerlijken coupé.
Uit de vensters wuifden de prinsen met de hand de autoriteiten toe, die
op het perron stonden, buigend, salueerend. De locomotief floot,
krijschte, verscheurde de nauwe vocht-atmosfeer onder den koepel; de
trein verliet het station, reed den vroegen morgen in, die lichter was
buiten den glasboog; gleed als over de regenstad heen op viaducten;
kanalen, straten, pleinen onder zich; verder op de tinnen en spitsen
der paleizen en kerken; de twee marmeren torens van den Dom—met de
duiven die nestelen in de Renaissance-arabesken van het kantwerk zijner
spitsen,—reeds vaal wit op wat blauw wordende lucht; dan, midden in de
stad,—groen, wijd, éene oaze—de Elizabethperken, de blanke massa van
het Imperiaal, en daarachter de reuzenbocht der kaden, de haven met
haar mastenwoud, de ovale bocht van den horizont der zee, alles nat,
glinsterend, verregend.
Somber zag Othomar voor zich, Herman glimlachte hem toe.
—Kom, denk er niet meer aan, ried hij aan; en, lachend:
—Onze arme gouverneur zal er slecht van dineeren vanmiddag!
Generaal Ducardi bromde een vloek binnen-in:
—Allerstomst... hoorde Herman hem mompelen.
—Ik wilde ze toonen, sprak Othomar in eens...; hij had willen zeggen:
dat ik niet bang voor ze ben; hij sloeg een blik om zich heen, zag de
oogen van prins Dutri, zijn adjudant, als bazilisken op hem gevestigd,
en liet zijne stem van trotsch, weekhartig worden; treurig weg besloot
hij:
—... dat ik ze liefheb en zoo geheel en al vertrouw: waarom moest het
nu zoo uitvallen...
De weekheid zijner stem had geklonken om prins Dutri te behagen; maar
ze mishaagde den generaal; hij zag eerst zijn kroonprins van terzijde
aan en toen naar den prins van Gothland; hij vergeleek: zijn oog bleef,
waardeerend, goedkeurend, met soldatesk pleizier hangen aan den flinken
luitenant-ter-zee, breed en sterk, de handen op de dijen, een beetje
voorover gebogen, de witte rezidentie nakijkend, die voor zijne oogen
achterweg werd getrokken door de schuine stralen van regen heen...
Na vier uur sporen, Novi, in het gouvernement van Xara. De trein staat
stil; de prinsen, hun gevolg stappen uit, raadplegen klokken, horloges.
Men verwondert zich, men wandelt op en neêr over het perron, een half
uur, een uur lang; prins Herman gaat in druk gesprek met den
stationschef. Het regent steeds.
Eindelijk wordt de express van Altara geseind. Zij glijdt binnen, staat
stil; uit den keizerlijken coupé treedt keizer Oscar; generaals,
adjudanten volgen hem; hunne uniformen, ook die van den keizer, hebben
iets van hare strakheid verloren en plooien wat moê om hunne schouders
heen, als kleederen lang gedragen. De keizer, nog jong, breed en
stevig, en maar even grijzend, gaat met een flinken stap, hij omhelst
zijn zoon, zijn neef, kortaf gauw. De vorstelijke personen verdwijnen
in de wachtkamer; Ducardi en een der Gothlandsche officieren volgen
hen. Het onderhoud duurt echter kort; na tien minuten komen zij weder
op het perron; haastige woorden, handdrukken worden gewisseld; de
keizer stapt opnieuw in zijn coupé; de kroonprins in den zijne. De
trein van den prins wacht, tot die zijns vaders—met éene laatste
wuifhand,—kruist; daarna spoort ook die weg...
Zorg ligt als een wolk op Othomars voorhoofd. Hij herinnert zich zijn
vaders woorden: wanhopig onze mooie, oude stad; de Therezia-dijk
misschien aan het zwichten; zoo weinig energie bij het gemeentebestuur;
duizenden menschen zonder dak, vluchtende, overnachtende in kerken,
publieke gebouwen. En zijn laatste woord:
—Laat er naar St. Ladislas gaan...
Othomar denkt na; een ieder zwijgt om hem heen, gedrukt door den
naklank der keizerlijke woorden, die de ramp weêr opnieuw schilderen,
weêr frisch hen voor de oogen brachten; de oogen van Ducardi, die zich
beter vechtmajoor weet dan trooster in watersnood, de oogen van Dutri,
nog vol van den mondainen glans der onvergelijkbare rezidentie. Iets
van hun eigenbelang begint te zwijgen; gedachte aan wat zij zien
zullen, trekt door hen heen.
En Othomar denkt na. Wat zal hij doen, wat kàn hij doen? Is het niet te
veel wat men van hem vergt? Kàn hij den drang der wateren tegengaan?
—Oh, die regen, die regen! mompelt hij, en balt zijne vuist, stil.
Nog vijf uur sporens, de torens der stad, de gekartelde lijnen en
titanische vlakken van het sterke St. Ladislas schieten aan den
horizont op, schuiven op zij naderbij. De trein staat stil, in het
land, bij een kleine halte, de prinsen weten, dat het Centraal Station
overstroomd is; aan de halte is de geheele spoordirectie overgebracht.
En eensklaps staan zij voor de gladde, groene vlakte van water; voor
den Zanthos, die zich uitgestort heeft; éene zee van water, breed en
effen, nauwelijks gerimpeld, als eene, al gestilde gramschap. Een pont
wacht, die hen overbrengt tusschen ruïnes van huizen, drijvend
huisraad. Een dood paard haakt aan die pont vast, een muffe lucht van
vochtig bederf waart om. Bij een ingestort huis zijn ponteniers bezig
een lijk op te visschen, het hangt aan hunne haken, met slappe armen en
lange natte haren, het vale lijkhoofd achterover; het is een vrouw.
Herman ziet Othomars lippen trillen.
Nu varen zij door een straat, verlaten hooge huizen eener arme
voorstad. Dit gedeelte is reeds dagen overstroomd. Zij landen aan een
plein; het volk is daar; het juicht. Luider en luider juichen zij;
geroerd om hun prins, die over het water komt, naar hen toe, om hen te
redden. Een troep studenten schreeuwen, roepen zijn naam en leve, en
zwaaien hunne kleurige petten.
Othomar drukt den burgemeester, den minister van waterstaat, den
gouverneur van Altara, andere autoriteiten de hand. Zijn hart is vol;
hij voelt eene snik onder zijne borst wellen.
Uit den troep studenten treedt een te voorschijn, een groote, lange
jongen.
—Hoogheid! roept hij; mogen wij Uw lijfwacht zijn?
De etiquette bestaat hier nauwelijks, al kijken ook de autoriteiten
boos. Othomar herinnert zich zijne studentenjaren, nog zoo lang niet
geleden, drukt den student de hand; prins Herman ook, en de studenten
zijn opgewonden en roepen weêr leve, leve, en leve Othomar en leve
Gothland!
Achter het plein raadt men de stad in nood, stillen nood van nog
grooter dreigend gevaar; de oude kroningsstad, de tweede van het rijk,
stad van geleerdheid en traditie, somber monument der middeneeuwen;
grauw steekt ze af tegen het blanke Lipara, dat daar ginds lacht en
mooi is van nieuw marmer aan hare blauwe zee, maar dat zijne vorsten
niet heeft zoo lief als zij, de onttroonde hoofdstad met haren
Romaanschen reuzendom, waar de heilige keizerskroon met het kruis van
St. Ladislas gedrukt wordt om de slapen van iederen keizer van Liparië.
Zijn hare gebieders haar ook ontrouw en wonen zij sedert eeuwen in hun
wit Imperiaal daarginds, en niet meer op den ouden gekartelden burcht
van den schutsheilige van het rijk, zij, de oude stad, de moeder van
het land, blijft ze trouw in hare moederliefde, en niet om den eed: om
het bloed, om het hart, om geheel haar leven, dat hare oude traditie
is...
Maar, als zijn vader, zoû Othomar dezen keer niet naar den slotburcht
van St. Ladislas gaan; het kasteel lag te hoog, en te ver van de stad,
te ver van de ramp. Open hofrijtuigen wachtten; zij stegen in, de
studenten slingerden zich te paard; de prinsen zouden hun intrek nemen
in het paleis van den Aartsbisschop-kardinaal, den Primaat van Liparië,
in het Episcopaal, dat met den Dom en het Oude Paleis éene kolossale,
oude grauwe massa vormde, een stad op zichzelve, het hart zelve der
stad.
Zij reden vlug voort. Het volk juichte; zij zagen hen als een stoet van
verlossers, van wie ze meenden, dat eindelijk het heil zoû komen.
Tusschen het vertrek van den keizer en de aankomst van den prins was
eene neêrslachtigheid geweest die zich bij het zien van Othomar tot
ziekelijk enthouziasme omhoog wond.
Het werd in eens donker, maar nog niet om het zinken der zon—vijf uur
in Maart in het Zuiden;—het werd donker om de wolken, de gevaarten aan
de lucht, die in bol gespannen reuzenzeilen water meevoerden, dat ze
reeds weêr in druppels neêr lieten sijpelen. Onder die grauwe lucht
klonk het volksgejuich op als in mineur, toen, op eens als barsteden de
gezwollen wolken in éen scheur open, een zondvloed neêrstortte, als met
éen enkel loodrecht vlak van water.
Othomar was met Herman en Ducardi in het eerste rijtuig gezeten.
Zoû Uwe Hoogheid het rijtuig niet dicht willen hebben? vroeg de oude
generaal, die den prins hielp zijn burnous omslaan.
Othomar weifelde; hij had geen tijd den generaal te antwoorden; de
menigte groeide aan, werd dichter, juichte, en hij boog terug,
salueerde, knikte. Zwaarrecht kletste de regen neêr. De straffe stralen
liepen de prinsen en de generaal over den rug, in den hals, doorweekten
hunne knieën. De menigte school onder een brokkelend dak van
parapluies, als onder natte zwarte sterren te zamen, vulde de nauwe
straten der oude stad, drong zich tusschen de voorrijders en het
rijtuig; de koetsier moest langzamer rijden.
—Wil je het rijtuig niet dicht laten maken? vroeg Herman Ducardi na.
Othomar weifelde nog. Toen, en zelve vond hij zijne woorden wat
theatraal, en wist hij niet hoe ze zouden klinken, luid op:
—Neen, laat ons niet bang zijn voor water; zij hebben immers allen door
het water geleden, hier.
Maar Ducardi zag hem aan: hij voelde iets in zich voor zijn prins
trillen...
Het rijtuig bleef open. In een der volgende landauers zag prins Dutri
woedend naar voren om, of de hertog van Xara zich, en achter zich zijne
adjudanten, nog langer zoû laten nat regenen. In de nauwe hooge straten
bij den Dom werd bijna stapvoets gereden, dwars door het gejubel van
het dringende volk door. Tot op de huid nat, kwam de kroonprins van
Liparië met de zijnen bij den Aartsbisschop-Kardinaal aan; een spoor
van water lieten zij achter op de trappen en corridors van het
Episcopaal.