III.

Toen Othomar en Herman des avonds, in een stortregen, om half-elf uit

het Kanselarij-paleis terug kwamen, wist men ook bij de keizerin, dat

het ministerie zijn ontslag had aangeboden; de prinsen hadden bij graaf

Myxila de ministers ontmoet; de crizis had onder de uiterlijke

mondainiteit der soirée getrild als eene dreigende huivering. Ook was

er een telegram van den keizer aan den hertog van Xara:

“Ik draag uwe Keizerlijke Hoogheid op zich morgen naar

Altara te begeven.

Oscar.”

Het telegram was geene verrassing, maar het natuurlijk gevolg van het

ontslag der ministers, en de terugkomst van den keizer, want de keizer

wilde het terrein van de ramp niet verlaten zonder den troost, dat de

troonopvolger hem er vervangen zoû.

Othomar trok zich, na een oogenblik bij de keizerin, terug in zijne

eigen kamers. Hij ontbood zijn adjudant, prins Dutri, en hield met dien

een paar woorden van korte beraadslaging; de adjudant haastte zich

daarna met veel drukte weg. In de kleedkamer vond Othomar zijn

kamerdienaar, Andro, door een der kamerheeren gewaarschuwd, al bezig

met pakken.

—Pak niet te veel in, Andro, sprak hij, terwijl de kamerdienaar

eerbiedig van voor een koffer oprees; dat is maar ballast...

Zoodra hij dit gezegd had, wist hij eigenlijk niet waarom. De

kamerdienaar scheen er zich ook niet aan te storen; opnieuw geknield

voor den koffer pakte hij in, wat hem goed dacht. Het zoû wel goed zijn

zoo als Andro het deed, dacht Othomar.

En hij wierp zich neêr in een stoel van zijn kabinet. Een venster was

open; een enkele staande lamp, in een hoek, gaf niet veel licht. Buiten

stortte de woedende kletregen neêr; een vochtige adem van natte

bladeren dreef naar binnen.

De prins was moê, te moê, dan dat hij Andro zoû roepen om zijne

nauwsluitende verlakte laarzen uit te trekken. Hij droeg, wit met goud,

zijn uniform van kolonel der Garde van den Troon, de keizerlijke

lijfgarde; de keten van de Orde van den Rijksappel hing om zijn hals,

andere ridderorden bestarrelden hem hier en daar de borst. Voor zijn

oogen dwarrelde nog het feest van den Rijkskanselier; in zijne hersens

ruischten, tegelijk met den regen, de noodzakelijke gesprekken over de

crizis, het ministerie, het Huis van Adel. Hij zag zichzelven voor

zich: de kroonprins, altijd de kroonprins, altijd te neêrbuigend, te

minzaam, niet vrij genoeg, niet eenvoudig, niet gemakkelijk, als

Herman, en hij zag Herman, die zich met gemak bewoog in de zalen van

het Kanselarij-paleis, die zich, eenvoudig weg, liet voorstellen aan de

dames, nu eens door graaf Myxila, dan door een adjudant. En hij

benijdde zijn neef, die tweede zoon was. Herman deed niet als hijzelve,

de atmosfeer om zich heen bevriezen, aanstonds bevriezen, door den koud

keizerlijken glans van zijn kroonprinsschap.

Hij zag de ministers voor zich. De ministers, die zouden aftreden, elk

van hen met, in zijn hart, zijne eigen belangen, in plaats van Liparië;

hij vermoedde dit om hunne nederige wijze van zijn, tegenover hem, den

kroonprins, toen hij ze allen had aangesproken, allen... Hij voelde,

dat ze zich maar voordeden, dat er veel in hen was, dat ze niet

schijnen lieten en hij vroeg zich in eens af: waarom, waarom dit alles

zoo, waarom zooveel schijn, alles schijn...? Pijn deed het hem nu, diep

in zijne borst; de strakte van zijne bestarrelde uniform benauwde

hem...

De oude gravin Myxila zag hij voor zich en enkele andere dames die hij

had zien nijgen in het geknak harer slepen en het plotseling

neêrgeschitter harer diamanten; die hij had zien kleur krijgen van

genot, omdat de hertog van Xara haar had opgemerkt. Ook de vrouw van

den opperhofmaarschalk, de hertogin van Yemena, die zoo langen tijd van

het hof afwezig geweest was, in eene zelfverbanning op haar goed in

Vaza, hij zag ze voor zich, zooals ze naar hem toe was gekomen, geleid

door Prins Dutri. Want hij kende haar niet; toen zij vroeger aan het

hof geweest was, was hij een jongen geweest van vijftien jaar; streng,

militair opgevoed, weinig bij de keizerin en nooit op de feesten van

het hof, hij had toen de hertogin nooit gezien.

Nu, in de schemering van die éene lamp, met de woede van het weêr daar

buiten, zag hij haar weêr en ze werd als transparant in de stralen van

den regen; vreemd scheen ze door den regen heen, als door een gordijn

van natte mousseline. Eene groote vrouw, met hare rijke vormen, half

naakt onder het witte gevlam der rivière, zoo kwam ze naar hem toe, het

haar blauwzwart met glans er over, het gelaat wat bleek onder een licht

waas van roze poeier; zoo kwam ze nader, langzaam, weifelend, in haar

goudgeel broché satijn met zwaar sabelbont omzoomd; zoo boog ze voor

hem, in nederig diepe neiging voor keizerlijkheid; het hoofd knakte

haar op de borst, de tiara in het zwarte haar schoot stralen, haar

geheele gestalte golfde met ééne slangelijn van gratie naar beneden, in

de stof van goudglans, die haar boezem omglinsterd hield en op de dikke

plooien van den sleep scheen te breken met kantlijnen van licht. Hij

had tot haar gesproken. Ze was gerezen uit de golving harer gratie van

nederigheid; ze had hem geantwoord, hij wist niet meer wat; hare oogen

hadden als zwarte sterren geschitterd op de zijne. Zij had indruk op

hem gemaakt. Hij meende, omdat hij veel van haar had hooren spreken,

als van eene vrouw met een leven vol passie: iets, dat hem raadsel was.

Zijne opvoeding was militair en streng zuiver geweest, zijne

jongelingsjaren waren kuisch gebleven te midden der gemakkelijke zeden

van het hof, misschien omdat zijne ouders, na eene lange scheiding,

voor henzelven, in stil geheim, weêr tot elkaâr gekomen waren, in eene

behoefte aan familieleven en steun op elkaâr; keizerin Elizabeth had

keizer Oscar vergeven en zich geschikt in zijn ontrouw als in een

noodlot. Om zich heen had Othomar niet gezien het leven der zinnen. Aan

de universiteit te Altara, waar hij gestudeerd had, had hij zich niet

dan officieel gemengd in de genoegens der studenten; hij was altijd de

kroonprins gebleven, niet uit hoogheid, maar uit niet anders kunnen,

uit gebrek aan gemakkelijkheid en tact.

En, als het onbekende, had iets in de hertogin indruk op hem gemaakt.

Hij voelde in deze vrouw, die met haar sfinxe-lach zoo diep voor hem

neeg, een wereld van gevoel en wetenschap, die niet in hem was; hij had

zich tegenover haar arm gevoeld, klein en onbeduidend. Wat was dat, dat

in haar was en niet in hem? Was het een raadsel der ziel? Waren er

zulke dingen, zieleraadsels, en was het de moeite waard zich er in te

verdiepen? Zoo eene vrouw als zij, was die niet geheel anders dan zijne

moeder en zijne zusters? Of spraken zijne adjudanten, onder hen, ook

over zijne zusters, zooals ze over de hertogin spraken? En dat leven

van passie, dat leven van liefde voor zoo velen, was dat eene waarheid?

Lasterden zij niet, de adjudanten, of minstens, lieten zij de waarheid

niet anders schijnen dan ze was, zooals ze altijd deden, in alles?

alsof om een vorst de waarheid altijd anders schijnen moest dan om een

onderdaan?

Hij voelde zich moê. En hij bleef zitten, de dwarreling der vreemde

beelden van dat feest door eene transparantheid van regen uit zich

pogende voort te drijven en tevergeefs. Voor hem, als in zijne kamer,

liepen daar allen door elkaâr, de ministers, de adjudanten, graaf

Myxila en de hertogin.

Een klop, een kamerheer.

—Prins Herman vraagt of hij Uwe Hoogheid even storen mag.

Hij knikte van ja. Prins Herman kwam na een oogenblik binnen.

—Je bent altijd welkom, Herman! sprak Othomar, en zijne stem klonk,

ondanks hemzelven, koud.

—Ik kom je even iets vragen, sprak Herman van Gothland. Ik zoû gaarne

met je meêgaan naar Altara, morgen. Maar ik wil verzekerd zijn, dat je

het goed vindt. Ik zoû het ook uit mezelven niet gevraagd hebben, als

tante er niet over gesproken had. Wat vindt je?

Othomar zag Herman aan; zijne koele stem mishaagde Othomar.

—Als je het doet uit belangstelling, omdat je nu toch te Lipara bent,

zeker... begon hij.

—Laat me je nog eens zeggen: ik doe het voornamelijk om... tante.

Zijne stem klonk zeer nadrukkelijk.

—Doe het dan om haar, antwoordde Othomar zacht. Het zal mij heel

aangenaam zijn, als je meêgaat terwille van mijn moeder.

Herman was zich bewust onnoodig koel en nadrukkelijk te zijn geweest.

Hij had er spijt van. De keizerin had hem verzocht Othomar te

vergezellen. Hij had eerst geaarzeld, wetende, dat er sympathie ontbrak

tusschen Othomar en hem. Toen had hij toegegeven, maar niet geweten hoe

het Othomar te vragen. Zijne gewone gemakkelijkheid had hem in den

steek gelaten, zooals altijd, tegenover Othomar.

—Goed dan... stamelde Herman onhandig.

Othomar stak zijne hand uit:

—Ik begrijp je bedoeling heel goed. Mama heeft gaarne, dat je met me

meê gaat, omdat ze dan weet, dat er iemand bij me is, dien ik álles zoû

kunnen vertrouwen. Niet waar?

Herman drukte zijne hand.

—Ja! sprak hij, blij, prettig; zonder afgunst, dat Othomar in dit

gesprek meester bleef, zeer verheugd, dat zijn neef het zoo opnam. Ja,

juist. Zoo is het. Laat me je nu niet meer ophouden, het is al laat.

Adieu...

—Adieu...

Herman ging. Het stortregende steeds. Othomar was weêr gaan zitten; de

kilte van den regennacht drong koud naar binnen en viel op zijne

schouders. Roerloos bleef hij staren op de punten zijner laarzen.

Andro kwam zacht binnen.

—Verlangt Uwe Hoogheid...?

Othomar knikte. De kamerdienaar sloot eerst het raam toe, liet den

gordijn vallen en knielde toen voor den prins, die hem met een gebaar

van afmatting, den voet toestak, en de hak van zijn laars rusten deed

op zijne knie.

Majesteit · 第 7 / 52 题