Toen Othomar en Herman des avonds, in een stortregen, om half-elf uit
het Kanselarij-paleis terug kwamen, wist men ook bij de keizerin, dat
het ministerie zijn ontslag had aangeboden; de prinsen hadden bij graaf
Myxila de ministers ontmoet; de crizis had onder de uiterlijke
mondainiteit der soirée getrild als eene dreigende huivering. Ook was
er een telegram van den keizer aan den hertog van Xara:
“Ik draag uwe Keizerlijke Hoogheid op zich morgen naar
Altara te begeven.
Oscar.”
Het telegram was geene verrassing, maar het natuurlijk gevolg van het
ontslag der ministers, en de terugkomst van den keizer, want de keizer
wilde het terrein van de ramp niet verlaten zonder den troost, dat de
troonopvolger hem er vervangen zoû.
Othomar trok zich, na een oogenblik bij de keizerin, terug in zijne
eigen kamers. Hij ontbood zijn adjudant, prins Dutri, en hield met dien
een paar woorden van korte beraadslaging; de adjudant haastte zich
daarna met veel drukte weg. In de kleedkamer vond Othomar zijn
kamerdienaar, Andro, door een der kamerheeren gewaarschuwd, al bezig
met pakken.
—Pak niet te veel in, Andro, sprak hij, terwijl de kamerdienaar
eerbiedig van voor een koffer oprees; dat is maar ballast...
Zoodra hij dit gezegd had, wist hij eigenlijk niet waarom. De
kamerdienaar scheen er zich ook niet aan te storen; opnieuw geknield
voor den koffer pakte hij in, wat hem goed dacht. Het zoû wel goed zijn
zoo als Andro het deed, dacht Othomar.
En hij wierp zich neêr in een stoel van zijn kabinet. Een venster was
open; een enkele staande lamp, in een hoek, gaf niet veel licht. Buiten
stortte de woedende kletregen neêr; een vochtige adem van natte
bladeren dreef naar binnen.
De prins was moê, te moê, dan dat hij Andro zoû roepen om zijne
nauwsluitende verlakte laarzen uit te trekken. Hij droeg, wit met goud,
zijn uniform van kolonel der Garde van den Troon, de keizerlijke
lijfgarde; de keten van de Orde van den Rijksappel hing om zijn hals,
andere ridderorden bestarrelden hem hier en daar de borst. Voor zijn
oogen dwarrelde nog het feest van den Rijkskanselier; in zijne hersens
ruischten, tegelijk met den regen, de noodzakelijke gesprekken over de
crizis, het ministerie, het Huis van Adel. Hij zag zichzelven voor
zich: de kroonprins, altijd de kroonprins, altijd te neêrbuigend, te
minzaam, niet vrij genoeg, niet eenvoudig, niet gemakkelijk, als
Herman, en hij zag Herman, die zich met gemak bewoog in de zalen van
het Kanselarij-paleis, die zich, eenvoudig weg, liet voorstellen aan de
dames, nu eens door graaf Myxila, dan door een adjudant. En hij
benijdde zijn neef, die tweede zoon was. Herman deed niet als hijzelve,
de atmosfeer om zich heen bevriezen, aanstonds bevriezen, door den koud
keizerlijken glans van zijn kroonprinsschap.
Hij zag de ministers voor zich. De ministers, die zouden aftreden, elk
van hen met, in zijn hart, zijne eigen belangen, in plaats van Liparië;
hij vermoedde dit om hunne nederige wijze van zijn, tegenover hem, den
kroonprins, toen hij ze allen had aangesproken, allen... Hij voelde,
dat ze zich maar voordeden, dat er veel in hen was, dat ze niet
schijnen lieten en hij vroeg zich in eens af: waarom, waarom dit alles
zoo, waarom zooveel schijn, alles schijn...? Pijn deed het hem nu, diep
in zijne borst; de strakte van zijne bestarrelde uniform benauwde
hem...
De oude gravin Myxila zag hij voor zich en enkele andere dames die hij
had zien nijgen in het geknak harer slepen en het plotseling
neêrgeschitter harer diamanten; die hij had zien kleur krijgen van
genot, omdat de hertog van Xara haar had opgemerkt. Ook de vrouw van
den opperhofmaarschalk, de hertogin van Yemena, die zoo langen tijd van
het hof afwezig geweest was, in eene zelfverbanning op haar goed in
Vaza, hij zag ze voor zich, zooals ze naar hem toe was gekomen, geleid
door Prins Dutri. Want hij kende haar niet; toen zij vroeger aan het
hof geweest was, was hij een jongen geweest van vijftien jaar; streng,
militair opgevoed, weinig bij de keizerin en nooit op de feesten van
het hof, hij had toen de hertogin nooit gezien.
Nu, in de schemering van die éene lamp, met de woede van het weêr daar
buiten, zag hij haar weêr en ze werd als transparant in de stralen van
den regen; vreemd scheen ze door den regen heen, als door een gordijn
van natte mousseline. Eene groote vrouw, met hare rijke vormen, half
naakt onder het witte gevlam der rivière, zoo kwam ze naar hem toe, het
haar blauwzwart met glans er over, het gelaat wat bleek onder een licht
waas van roze poeier; zoo kwam ze nader, langzaam, weifelend, in haar
goudgeel broché satijn met zwaar sabelbont omzoomd; zoo boog ze voor
hem, in nederig diepe neiging voor keizerlijkheid; het hoofd knakte
haar op de borst, de tiara in het zwarte haar schoot stralen, haar
geheele gestalte golfde met ééne slangelijn van gratie naar beneden, in
de stof van goudglans, die haar boezem omglinsterd hield en op de dikke
plooien van den sleep scheen te breken met kantlijnen van licht. Hij
had tot haar gesproken. Ze was gerezen uit de golving harer gratie van
nederigheid; ze had hem geantwoord, hij wist niet meer wat; hare oogen
hadden als zwarte sterren geschitterd op de zijne. Zij had indruk op
hem gemaakt. Hij meende, omdat hij veel van haar had hooren spreken,
als van eene vrouw met een leven vol passie: iets, dat hem raadsel was.
Zijne opvoeding was militair en streng zuiver geweest, zijne
jongelingsjaren waren kuisch gebleven te midden der gemakkelijke zeden
van het hof, misschien omdat zijne ouders, na eene lange scheiding,
voor henzelven, in stil geheim, weêr tot elkaâr gekomen waren, in eene
behoefte aan familieleven en steun op elkaâr; keizerin Elizabeth had
keizer Oscar vergeven en zich geschikt in zijn ontrouw als in een
noodlot. Om zich heen had Othomar niet gezien het leven der zinnen. Aan
de universiteit te Altara, waar hij gestudeerd had, had hij zich niet
dan officieel gemengd in de genoegens der studenten; hij was altijd de
kroonprins gebleven, niet uit hoogheid, maar uit niet anders kunnen,
uit gebrek aan gemakkelijkheid en tact.
En, als het onbekende, had iets in de hertogin indruk op hem gemaakt.
Hij voelde in deze vrouw, die met haar sfinxe-lach zoo diep voor hem
neeg, een wereld van gevoel en wetenschap, die niet in hem was; hij had
zich tegenover haar arm gevoeld, klein en onbeduidend. Wat was dat, dat
in haar was en niet in hem? Was het een raadsel der ziel? Waren er
zulke dingen, zieleraadsels, en was het de moeite waard zich er in te
verdiepen? Zoo eene vrouw als zij, was die niet geheel anders dan zijne
moeder en zijne zusters? Of spraken zijne adjudanten, onder hen, ook
over zijne zusters, zooals ze over de hertogin spraken? En dat leven
van passie, dat leven van liefde voor zoo velen, was dat eene waarheid?
Lasterden zij niet, de adjudanten, of minstens, lieten zij de waarheid
niet anders schijnen dan ze was, zooals ze altijd deden, in alles?
alsof om een vorst de waarheid altijd anders schijnen moest dan om een
onderdaan?
Hij voelde zich moê. En hij bleef zitten, de dwarreling der vreemde
beelden van dat feest door eene transparantheid van regen uit zich
pogende voort te drijven en tevergeefs. Voor hem, als in zijne kamer,
liepen daar allen door elkaâr, de ministers, de adjudanten, graaf
Myxila en de hertogin.
Een klop, een kamerheer.
—Prins Herman vraagt of hij Uwe Hoogheid even storen mag.
Hij knikte van ja. Prins Herman kwam na een oogenblik binnen.
—Je bent altijd welkom, Herman! sprak Othomar, en zijne stem klonk,
ondanks hemzelven, koud.
—Ik kom je even iets vragen, sprak Herman van Gothland. Ik zoû gaarne
met je meêgaan naar Altara, morgen. Maar ik wil verzekerd zijn, dat je
het goed vindt. Ik zoû het ook uit mezelven niet gevraagd hebben, als
tante er niet over gesproken had. Wat vindt je?
Othomar zag Herman aan; zijne koele stem mishaagde Othomar.
—Als je het doet uit belangstelling, omdat je nu toch te Lipara bent,
zeker... begon hij.
—Laat me je nog eens zeggen: ik doe het voornamelijk om... tante.
Zijne stem klonk zeer nadrukkelijk.
—Doe het dan om haar, antwoordde Othomar zacht. Het zal mij heel
aangenaam zijn, als je meêgaat terwille van mijn moeder.
Herman was zich bewust onnoodig koel en nadrukkelijk te zijn geweest.
Hij had er spijt van. De keizerin had hem verzocht Othomar te
vergezellen. Hij had eerst geaarzeld, wetende, dat er sympathie ontbrak
tusschen Othomar en hem. Toen had hij toegegeven, maar niet geweten hoe
het Othomar te vragen. Zijne gewone gemakkelijkheid had hem in den
steek gelaten, zooals altijd, tegenover Othomar.
—Goed dan... stamelde Herman onhandig.
Othomar stak zijne hand uit:
—Ik begrijp je bedoeling heel goed. Mama heeft gaarne, dat je met me
meê gaat, omdat ze dan weet, dat er iemand bij me is, dien ik álles zoû
kunnen vertrouwen. Niet waar?
Herman drukte zijne hand.
—Ja! sprak hij, blij, prettig; zonder afgunst, dat Othomar in dit
gesprek meester bleef, zeer verheugd, dat zijn neef het zoo opnam. Ja,
juist. Zoo is het. Laat me je nu niet meer ophouden, het is al laat.
Adieu...
—Adieu...
Herman ging. Het stortregende steeds. Othomar was weêr gaan zitten; de
kilte van den regennacht drong koud naar binnen en viel op zijne
schouders. Roerloos bleef hij staren op de punten zijner laarzen.
Andro kwam zacht binnen.
—Verlangt Uwe Hoogheid...?
Othomar knikte. De kamerdienaar sloot eerst het raam toe, liet den
gordijn vallen en knielde toen voor den prins, die hem met een gebaar
van afmatting, den voet toestak, en de hak van zijn laars rusten deed
op zijne knie.