II.

De deur werd geopend; de lakei wachtte stijfrecht met een strakken

blik, die voor zich uitzag, in de schemering der portière. Prinses

Thera en Othomar traden binnen; de prinses kwam blij en vriendelijk

naar haren neef toe, zij kusten elkaâr; ook Othomar omhelsde Herman met

een enkel woord. Maar tegen de natuurlijke uitingen van de keizerin en

van Thera, klonk dit enkel woord van den hertog van Xara bestudeerd en

glimlachend koud aan, niet intiem en als met een zweem van etiquette,

die niet noodig was. Het verborg niet eene doorglanzende onoprechtheid,

een doorzichtbaar vertoon, dat zich geene moeite gaf sympathie te

huichelen, maar eenvoudig-weg scheen, wat het op dit oogenblik niet

anders kon dan schijnen: een groet van gemaakte vriendelijkheid

tusschen neven van gelijke jaren. Prins Herman was dit gewend; tusschen

Othomar en hem bestond geen innigheid, en vooral den eersten keer, dat

zij elkaâr weêr ontmoeteden na maanden, trof dit: het deed de keizerin

onaangenaam scherp aan.

Opnieuw ging het gesprek door over de overstroomingen in het Noorden.

De keizerin toonde haren kinderen het laatste telegram, dat zij Herman

getoond had; het vermeldde nieuwe rampen: weêr nieuwe dorpen

weggespoeld, steden geteisterd door de gezwollene en overvloeiende

rivieren, na een maand van regen, die als een zondvloed was geweest. De

keizer was er om, drie dagen geleden, naar de Noordelijke

gouvernementen gegaan, maar ieder oogenblik verwachtte men nu aan het

hof zijn wensch, dat de kroonprins er hem vervangen zoû, daar hij zelve

naar Lipara terug zoû keeren, om de crizis in het Kabinet.

De kroonprins sprak hierover steeds een beetje vormelijk en koudweg.

Hij was een jonge man van een-en-twintig jaren, klein van gestalte,

slank, heel fijn van bouw, met een delicaat weemoedig gelaat en

stil-zwarte oogen, die meestal strak voor zich uitzagen; een jong

snorretje tinte zijn bovenlip als met een streep Oost-Indischen inkt.

Hij droeg het hoofd wat voorover op de borst en blikte dan zoo door

zijne wimpers onder-op; meestal zat hij zeer stil; zijne handen, die

klein en breed maar fijn waren, beide in eene gelijke houding op zijne

knieën, en hij had den tic zich de linkerhand soms onder het oog te

brengen en—hij was wat bijziende,—dan even te turen naar zijn ring. Hij

was strak omvangen in zijne blauw- en witte uniform van kapitein der

lanciers; uniform, waarin hij zich meestal vertoonde in het publiek, en

waarvan de zilveren brandebourgs eenige breedte leenden aan zijn

tengerheid; om den rechterpols droeg hij een smallen armband van dof

goud.

—Deze brief kwam eerst, sprak de keizerin; lees eens voor, Thera...

De prinses nam het epistel; de keizer schreef:

—“Het hart breekt mij dit alles te zien en er zoo weinig aan te kunnen

doen; de geheele streek ten Zuiden van den Zanthos, van Altara tot

Lycilië toe, is ééne watervlakte; waar dorpen waren, drijven nu de

ruïnes van bruggen en huizen, boomen, opeenstapelingen van daken, dood

vee, karren en huisraad, en terwijl wij over den Therezia-dijk gingen,

die God zij geloofd! bij Altara nog niet bezweek, spoelde een klomp van

lijken langzaam aan, vlak voor onze voeten, in één reuzenomhelzing van

den dood...”

De kroonprins was plotseling bleek geworden; hij bleef zitten in zijne

gewone houding: hij tuurde naar zijn ring, met den tic, die hem eigen

was. Thera las verder. Toen de kroonprins opzag, ontmoette zijn blik

den blik zijner moeder. Zij knikte hem, zonder dat de anderen, die

luisterden, het zagen, met de wimpers toe; hij glimlachte: een glimlach

vol navranten weemoed en knikte als zij hem geknikt had, met die zelfde

onzichtbare trilling der wimpers; het was of hij dien zachten groet

begreep en er een vleugje troost uit putte voor een geheimzinnig

verdriet, dat hem stil drukte in hemzelven, dat op zijne borst lag, als

een beklemming van adem, als een cauchemar in het wakende leven.

Maar prins Herman sprak reeds over de ministerieele crizis; men

verwachtte ieder oogenblik, dat het autoritaire ministerie, na de

nieuwe verkiezingen onmachtig in het voor het meerendeel

constitutioneele Huis der Standen, den keizer zijn ontslag zoû bieden.

De quaestie liep als altijd over de Grondwetherziening, die de

constitutioneelen begeerden, de autoritairen,—op de hand van den

keizer—niet. Keizerin Elizabeth zuchtte er om met een zucht van

afmatting, hoe dikwijls was deze quaestie van Grondwetherziening,—in

Liparië altijd grondwetuitbreiding en beperking van het keizerlijk

gezag, in hunne regeering van meer dan twintig jaren al niet komen

opdoemen als een aanval tegen haren man zelven! Zijne lange reeks

Liparische voorouders gelijk, hereditair autocratisch, kon Oscar het

zijn vader, Othomar XI, nooit vergeven, dat onder diens liberale

regeering een Grondwet tot stand had kùnnen komen. En nu, in deze

crizis, ze wilden niet weinig, de constitutioneelen. Het Huis van Adel,

erfelijk autoritair, het Lichaam van den keizer zelve, dat alle te

constitutioneele wetsvoorstellen, komende uit het Huis der Standen, te

niet deed, ze wilden het niet meer boven zich, erfelijk en daardoor in

zijn erfrecht altijd autoritair; ze wilden het: gekozen! Zelfs Othomar

XI, modern, vóor een constitutie, zoû nooit hebben kunnen dulden dezen

aanval op eene der aloudste instellingen van het rijk, aanval, die

Liparië schudden zou in zijn fondament...

Terwijl Herman hierover sprak, ter loops, met zijne woorden deze hoogst

gewichtige quaestie vluchtig aanrakende, scheen het Othomar, alsof het

hem duizelde. Een wereld ging door zijn hoofd, als joeg het met snelle

wolken door zijne verbeelding heen, en uit die wolken doemden hem

vizioenen op, rossig, vaag, bliksemsnel, verschrikkelijk als iets van

een Apocalypse, einde van het heelal in eene ontploffing van dynamiet.

Uit die wolken flitste, gedurende eene seconde, op: een tafreel,

herinnering uit de historie van zijn erfrijk: een der keizers van

Liparië, eeuwen geleden vermoord door zijn gunsteling op een hoffeest.

Revoluties in andere landen van Europa, de Fransche omwenteling, ze

flikkerden met een weerschijn van bloedrood omhoog; de werkstakingen in

de kwikzilvermijnen der Oostelijke gouvernementen grijnsden hem er uit

aan, uit de wolk, de wereld van wolk, die stormde door zijne gedachte

heen... En nog zooveel, nog zooveel, alles zoo snel, met de snelheid

van hunne bliksems; hij kon ze niet grijpen, de rossige bliksems; het

flikkerde maar door hem heen en dan weg, weg was het verflikkerd,

ver!... En vreemd was het hem, dat hij daar zat, in den salon zijner

moeder, het prachtige park wemelend achter de spiegelruiten met tinten

van oud, middeneeuwsch goudleêr, nu in het lager schijnen der

zonnestralen; zijne moeder over hem, zoo lief, zoo delicaat zacht in

het intime van dit even alleen samen zijn; zijn neef, die sprak, en

zijne zuster, die antwoordde, en het hofdametje, dat toehoorde met een

glimlach... Hoe vreemd zoo te zijn, zoo gemakkelijk, zoo stil, zoo

rustig, in het geheim van hun paleis, of Liparië niet trilde als een

oude, wankele toren? O, ze spraken er over, over de crizis, Herman en

Thera, maar wat was spreken? Woorden, altijd woorden! Waarom altijd

aaneenschakelingen van woorden, mooie leêge woorden, die een vorst moet

samenschakelen en dan zeggen aan zijne onderdanen, nu bij deze

gelegenheid, dan bij gene! Neen, neen, hij had ze niet, redevoeringen!

Want wat moesten ze dan toch uitdrukken, dit of dat? Wat was het goede,

het ware, het goed-ware voor hun rijk, dit of dat? Hoe het te weten,

hoe zeker te zijn, hoe niet meer te weifelen, te zoeken, te tasten,

geblinddoekt! Had hij dan duizend oogen door het geheele rijk heen, zoû

hij alles kunnen zien, wat gebeuren zoû, en was hij alwetend: zoû hij

alles kunnen weten wat goed zoû zijn? De grondwet... was het dan goed

voor een rijk een grondwet te hebben, of niet? In Rusland... was het in

Rusland goed? Een republiek, zou een republiek beter zijn? En wie had

gelijk; had zijn vader gelijk, die absoluut wilde regeeren, met zijn

erfelijk Huis van Adel, waarin hij, Othomar, zich nu zijne intrede

herinnerde als hertog van Xara, achttien jaren oud, met de hertogelijke

kroon, en den mantel en de keten van de Orde van den Rijksappel. Of had

het Huis der Standen gelijk: zoû het goed zijn, beperking van het

absolutisme? Het was wel moeilijk te beslissen... De overstroomingen:

“Het hart breekt me dit alles te zien en er zoo weinig aan te kunnen

doen... tot Lycilië toe eene watervlakte, een klomp van lijken, in

omhelzing van den dood...”

Het lichtte.

Zwaar doffe rommelingen gingen door de lucht; dikke druppelen vielen

hard als liquide hagel neêr op de bladeren der platanen; het geheele

park scheen te sidderen, angstig voor de wolkbreuk, die komen zoû.

Hélène was opgestaan en sloot het open venster.

Toen hoorde Othomar een vreemde klank: Syrië... Spraken zij al niet

meer over het Huis van Adel? Syrië, Syrië...

—De koning en koningin zouden de volgende week gekomen zijn, maar ze

hebben nu hun bezoek uitgesteld, zei de keizerin.

—Om de overstroomingen, vulde Thera aan. Ze gaan nu eerst naar

Constantinopel. Ik woû, dat ze maar bij den Sultan bleven...

—Die visite lijkt me tenminste nog al een corvée, lachte Herman, en hoe

lang blijven ze, tante?

Keizerin Elizabeth haalde hare schouders op, om te zeggen, dat ze niet

wist: het aanstaand bezoek van den koning en de koningin van Syrië was

haar, zoowel als den keizer, tegen, maar het was niet te ontduiken...

Om Hélène echter wilde zij er niet veel over spreken en zeide:

—Alle hoffeesten zijn nu, zooals je weet, uitgesteld, Herman, alles om

die ontzettende ramp. Je zal het stil hebben, mijn jongen. Ga van avond

met Othomar meê naar graaf Myxila...

Graaf Myxila, de Rijkskanselier, vierde dien dag zijn zestigsten

verjaardag. Hij was de voornaamste gunsteling van den keizer; dien

morgen was hij bij de keizerin zijne gelukwenschen komen ontvangen; de

kroonprins, op verlangen van den keizer, zoû dien avond een oogenblik

op het feest in het Kanselarij-paleis verschijnen.

Prins Herman zag naar Othomar, vragend, als verwachtte hij ook een

woord van dezen:

—Natuurlijk... haastte de hertog van Xara zich te zeggen; Myxila zal er

wel op rekenen Herman te zien...

Majesteit · 第 6 / 52 题