De deur werd geopend; de lakei wachtte stijfrecht met een strakken
blik, die voor zich uitzag, in de schemering der portière. Prinses
Thera en Othomar traden binnen; de prinses kwam blij en vriendelijk
naar haren neef toe, zij kusten elkaâr; ook Othomar omhelsde Herman met
een enkel woord. Maar tegen de natuurlijke uitingen van de keizerin en
van Thera, klonk dit enkel woord van den hertog van Xara bestudeerd en
glimlachend koud aan, niet intiem en als met een zweem van etiquette,
die niet noodig was. Het verborg niet eene doorglanzende onoprechtheid,
een doorzichtbaar vertoon, dat zich geene moeite gaf sympathie te
huichelen, maar eenvoudig-weg scheen, wat het op dit oogenblik niet
anders kon dan schijnen: een groet van gemaakte vriendelijkheid
tusschen neven van gelijke jaren. Prins Herman was dit gewend; tusschen
Othomar en hem bestond geen innigheid, en vooral den eersten keer, dat
zij elkaâr weêr ontmoeteden na maanden, trof dit: het deed de keizerin
onaangenaam scherp aan.
Opnieuw ging het gesprek door over de overstroomingen in het Noorden.
De keizerin toonde haren kinderen het laatste telegram, dat zij Herman
getoond had; het vermeldde nieuwe rampen: weêr nieuwe dorpen
weggespoeld, steden geteisterd door de gezwollene en overvloeiende
rivieren, na een maand van regen, die als een zondvloed was geweest. De
keizer was er om, drie dagen geleden, naar de Noordelijke
gouvernementen gegaan, maar ieder oogenblik verwachtte men nu aan het
hof zijn wensch, dat de kroonprins er hem vervangen zoû, daar hij zelve
naar Lipara terug zoû keeren, om de crizis in het Kabinet.
De kroonprins sprak hierover steeds een beetje vormelijk en koudweg.
Hij was een jonge man van een-en-twintig jaren, klein van gestalte,
slank, heel fijn van bouw, met een delicaat weemoedig gelaat en
stil-zwarte oogen, die meestal strak voor zich uitzagen; een jong
snorretje tinte zijn bovenlip als met een streep Oost-Indischen inkt.
Hij droeg het hoofd wat voorover op de borst en blikte dan zoo door
zijne wimpers onder-op; meestal zat hij zeer stil; zijne handen, die
klein en breed maar fijn waren, beide in eene gelijke houding op zijne
knieën, en hij had den tic zich de linkerhand soms onder het oog te
brengen en—hij was wat bijziende,—dan even te turen naar zijn ring. Hij
was strak omvangen in zijne blauw- en witte uniform van kapitein der
lanciers; uniform, waarin hij zich meestal vertoonde in het publiek, en
waarvan de zilveren brandebourgs eenige breedte leenden aan zijn
tengerheid; om den rechterpols droeg hij een smallen armband van dof
goud.
—Deze brief kwam eerst, sprak de keizerin; lees eens voor, Thera...
De prinses nam het epistel; de keizer schreef:
—“Het hart breekt mij dit alles te zien en er zoo weinig aan te kunnen
doen; de geheele streek ten Zuiden van den Zanthos, van Altara tot
Lycilië toe, is ééne watervlakte; waar dorpen waren, drijven nu de
ruïnes van bruggen en huizen, boomen, opeenstapelingen van daken, dood
vee, karren en huisraad, en terwijl wij over den Therezia-dijk gingen,
die God zij geloofd! bij Altara nog niet bezweek, spoelde een klomp van
lijken langzaam aan, vlak voor onze voeten, in één reuzenomhelzing van
den dood...”
De kroonprins was plotseling bleek geworden; hij bleef zitten in zijne
gewone houding: hij tuurde naar zijn ring, met den tic, die hem eigen
was. Thera las verder. Toen de kroonprins opzag, ontmoette zijn blik
den blik zijner moeder. Zij knikte hem, zonder dat de anderen, die
luisterden, het zagen, met de wimpers toe; hij glimlachte: een glimlach
vol navranten weemoed en knikte als zij hem geknikt had, met die zelfde
onzichtbare trilling der wimpers; het was of hij dien zachten groet
begreep en er een vleugje troost uit putte voor een geheimzinnig
verdriet, dat hem stil drukte in hemzelven, dat op zijne borst lag, als
een beklemming van adem, als een cauchemar in het wakende leven.
Maar prins Herman sprak reeds over de ministerieele crizis; men
verwachtte ieder oogenblik, dat het autoritaire ministerie, na de
nieuwe verkiezingen onmachtig in het voor het meerendeel
constitutioneele Huis der Standen, den keizer zijn ontslag zoû bieden.
De quaestie liep als altijd over de Grondwetherziening, die de
constitutioneelen begeerden, de autoritairen,—op de hand van den
keizer—niet. Keizerin Elizabeth zuchtte er om met een zucht van
afmatting, hoe dikwijls was deze quaestie van Grondwetherziening,—in
Liparië altijd grondwetuitbreiding en beperking van het keizerlijk
gezag, in hunne regeering van meer dan twintig jaren al niet komen
opdoemen als een aanval tegen haren man zelven! Zijne lange reeks
Liparische voorouders gelijk, hereditair autocratisch, kon Oscar het
zijn vader, Othomar XI, nooit vergeven, dat onder diens liberale
regeering een Grondwet tot stand had kùnnen komen. En nu, in deze
crizis, ze wilden niet weinig, de constitutioneelen. Het Huis van Adel,
erfelijk autoritair, het Lichaam van den keizer zelve, dat alle te
constitutioneele wetsvoorstellen, komende uit het Huis der Standen, te
niet deed, ze wilden het niet meer boven zich, erfelijk en daardoor in
zijn erfrecht altijd autoritair; ze wilden het: gekozen! Zelfs Othomar
XI, modern, vóor een constitutie, zoû nooit hebben kunnen dulden dezen
aanval op eene der aloudste instellingen van het rijk, aanval, die
Liparië schudden zou in zijn fondament...
Terwijl Herman hierover sprak, ter loops, met zijne woorden deze hoogst
gewichtige quaestie vluchtig aanrakende, scheen het Othomar, alsof het
hem duizelde. Een wereld ging door zijn hoofd, als joeg het met snelle
wolken door zijne verbeelding heen, en uit die wolken doemden hem
vizioenen op, rossig, vaag, bliksemsnel, verschrikkelijk als iets van
een Apocalypse, einde van het heelal in eene ontploffing van dynamiet.
Uit die wolken flitste, gedurende eene seconde, op: een tafreel,
herinnering uit de historie van zijn erfrijk: een der keizers van
Liparië, eeuwen geleden vermoord door zijn gunsteling op een hoffeest.
Revoluties in andere landen van Europa, de Fransche omwenteling, ze
flikkerden met een weerschijn van bloedrood omhoog; de werkstakingen in
de kwikzilvermijnen der Oostelijke gouvernementen grijnsden hem er uit
aan, uit de wolk, de wereld van wolk, die stormde door zijne gedachte
heen... En nog zooveel, nog zooveel, alles zoo snel, met de snelheid
van hunne bliksems; hij kon ze niet grijpen, de rossige bliksems; het
flikkerde maar door hem heen en dan weg, weg was het verflikkerd,
ver!... En vreemd was het hem, dat hij daar zat, in den salon zijner
moeder, het prachtige park wemelend achter de spiegelruiten met tinten
van oud, middeneeuwsch goudleêr, nu in het lager schijnen der
zonnestralen; zijne moeder over hem, zoo lief, zoo delicaat zacht in
het intime van dit even alleen samen zijn; zijn neef, die sprak, en
zijne zuster, die antwoordde, en het hofdametje, dat toehoorde met een
glimlach... Hoe vreemd zoo te zijn, zoo gemakkelijk, zoo stil, zoo
rustig, in het geheim van hun paleis, of Liparië niet trilde als een
oude, wankele toren? O, ze spraken er over, over de crizis, Herman en
Thera, maar wat was spreken? Woorden, altijd woorden! Waarom altijd
aaneenschakelingen van woorden, mooie leêge woorden, die een vorst moet
samenschakelen en dan zeggen aan zijne onderdanen, nu bij deze
gelegenheid, dan bij gene! Neen, neen, hij had ze niet, redevoeringen!
Want wat moesten ze dan toch uitdrukken, dit of dat? Wat was het goede,
het ware, het goed-ware voor hun rijk, dit of dat? Hoe het te weten,
hoe zeker te zijn, hoe niet meer te weifelen, te zoeken, te tasten,
geblinddoekt! Had hij dan duizend oogen door het geheele rijk heen, zoû
hij alles kunnen zien, wat gebeuren zoû, en was hij alwetend: zoû hij
alles kunnen weten wat goed zoû zijn? De grondwet... was het dan goed
voor een rijk een grondwet te hebben, of niet? In Rusland... was het in
Rusland goed? Een republiek, zou een republiek beter zijn? En wie had
gelijk; had zijn vader gelijk, die absoluut wilde regeeren, met zijn
erfelijk Huis van Adel, waarin hij, Othomar, zich nu zijne intrede
herinnerde als hertog van Xara, achttien jaren oud, met de hertogelijke
kroon, en den mantel en de keten van de Orde van den Rijksappel. Of had
het Huis der Standen gelijk: zoû het goed zijn, beperking van het
absolutisme? Het was wel moeilijk te beslissen... De overstroomingen:
“Het hart breekt me dit alles te zien en er zoo weinig aan te kunnen
doen... tot Lycilië toe eene watervlakte, een klomp van lijken, in
omhelzing van den dood...”
Het lichtte.
Zwaar doffe rommelingen gingen door de lucht; dikke druppelen vielen
hard als liquide hagel neêr op de bladeren der platanen; het geheele
park scheen te sidderen, angstig voor de wolkbreuk, die komen zoû.
Hélène was opgestaan en sloot het open venster.
Toen hoorde Othomar een vreemde klank: Syrië... Spraken zij al niet
meer over het Huis van Adel? Syrië, Syrië...
—De koning en koningin zouden de volgende week gekomen zijn, maar ze
hebben nu hun bezoek uitgesteld, zei de keizerin.
—Om de overstroomingen, vulde Thera aan. Ze gaan nu eerst naar
Constantinopel. Ik woû, dat ze maar bij den Sultan bleven...
—Die visite lijkt me tenminste nog al een corvée, lachte Herman, en hoe
lang blijven ze, tante?
Keizerin Elizabeth haalde hare schouders op, om te zeggen, dat ze niet
wist: het aanstaand bezoek van den koning en de koningin van Syrië was
haar, zoowel als den keizer, tegen, maar het was niet te ontduiken...
Om Hélène echter wilde zij er niet veel over spreken en zeide:
—Alle hoffeesten zijn nu, zooals je weet, uitgesteld, Herman, alles om
die ontzettende ramp. Je zal het stil hebben, mijn jongen. Ga van avond
met Othomar meê naar graaf Myxila...
Graaf Myxila, de Rijkskanselier, vierde dien dag zijn zestigsten
verjaardag. Hij was de voornaamste gunsteling van den keizer; dien
morgen was hij bij de keizerin zijne gelukwenschen komen ontvangen; de
kroonprins, op verlangen van den keizer, zoû dien avond een oogenblik
op het feest in het Kanselarij-paleis verschijnen.
Prins Herman zag naar Othomar, vragend, als verwachtte hij ook een
woord van dezen:
—Natuurlijk... haastte de hertog van Xara zich te zeggen; Myxila zal er
wel op rekenen Herman te zien...