I.

Over Lipara, anders eene stad als marmer wit; lange witte villa-reien

aan zuidblauwe zee; eindelooze elegante wandelkaden daarvoor, met

palmen, die groen verlakt aftrilden op een atmosfeer van levend blauwen

ether;—dreef, zwaar, van onweêr zwoel en van tragedie, eene sombere

lucht vol grauw, als een gevaarte aan den hemel. En die grauwe lucht

was vol geheim, was vol van toekomst, van vreemde toekomst; ze stortte

geen onweêr uit, maar bleef hangen over de stad; ze sloeg alleen vale

schaduwen neêr over de blankheid harer paleizen, over de breedte harer

pleinen en straten, over de blauwte van hare zee, heure haven, waar de

schepen recht, stil, angstig, opboomden naar omhoog.

Wit, vierkant, massief, in het groen der Elizabethparken, in het

intimere mysterie van zijn eigen groot platanenpark—het park der

beroemde platanen van Lipara, boomen van roem—lag het Imperiaal, het

keizerlijk paleis, quasi Moorsch met witte arcaden van puntbogen, lag

het als de stedekroon zelve der hoofdstad; éen groot juweel van

architectuur, van die stad, al lag het er midden in, afgesloten door al

dat parkengroen.

De keizerin, Elizabeth van Liparië, zat in den intimen salon harer

vertrekken aan den rechtervleugel; ze zat met eene hofdame: gravin

Hélène van Thesbia. De vensters waren open; ze openden op het park; de

beroemde platanen rezen daar, knoestig-oud, breed, angstig, roerloos

met hunne uitgeknipte bladeren, waartusschen eene dofgroene schemering

zeefde op de gazons neêr, die liepen, zacht en gelijk gerold, naar de

verte weg, als strak-gespannen, einde- en eindeloos uitgemeten fluweel,

weg naar eene violette verschiet-verte; met, ergens, als ééne gillend

witte vlek, éen beeld.

Een groot zwijgen suisde uit het park zijne vreemde hoorbaarheid van

stilte naar binnen; het suisde rond om de keizerin. Zij zat daar,

glimlachend; zij luisterde naar Hélène, die las; zij poogde te

luisteren, zij verstond niet altijd. Eene nerveuze vrees was in haar,

omving haar geheel als met een niet zichtbaar net van mazen,

onbreekbaar. Die vrees was om haren man, hare kinderen: haren oudsten

zoon, hare dochters, haren jongsten jongen. Die vrees, ze kroop over

het tapijt, onder hare voeten; ze hing van het plafond, boven haar

hoofd; sloop om haar rond, door geheel de kamer. Die vrees was in het

park; ze kwam van ver, uit de violette verschieten; langs de gazons

streek ze en over de open vensters klom ze naar binnen; ze viel uit de

boomen; uit de lucht, de grauwe lucht van onweêr, viel ze neêr. Door

Lipara, door heel Liparië, het geheele rijk, trilde die vrees, trilde

ze naar binnen, in de keizerin, vulde ze haar geheel...

Toen haalde Elizabeth diep adem, en glimlachte. Hélène had, bij een

zin, tot haar opgekeken, met een licht effect van stem en oogen voor

den dialoog in den roman; daarom glimlachte de keizerin en luisterde ze

nu weêr. De angst bleef in haar, maar ze doofde dien met veel

berusting, berusting in wat zijn zoû, zijn moest.

De roman, dien Hélène las, was Daniële Cortis, een werk, dat opgang

maakte aan het hof, omdat de prinses Thera het mooi had gevonden.

Zorgvuldig en vol intonatie las de gravin voor; de arabesken van het

Italiaansch ontspitsten aan hare lippen met eene elegance van heel

puntig Venetiaansch glaswerk, bloemerig en doorglanzend. En de keizerin

verwonderde zich er om, dat Hélène zoo mooi kon lezen en niet scheen te

voelen dien angst, die toch overal omsloop, als een spook.

Er werd geklopt aan de deur van de antichambre, een lakei opende en

eene hofdame verscheen tusschen de portière, met eene buiging.

—Zijne Hoogheid, prins Herman... diende zij aan met eene stem, die wat

weifelde, als wist zij, dat dit namiddaguur van de keizerin bijna

heilig was.

—Verzoek den prins hier te komen! antwoordde de keizerin; hare stem

klonk hoog vriendelijk en toch innemend sympathiek;—wij wachten den

prins al zoo lang...

De deur bleef open, de hofdame ging, de lakei wachtte bij de portière,

onbewegelijk, tot de prins komen zoû. Zijn stevige tred klonk, gauw

naderend aan, door de antichambre en aangenaam kwam hij binnen,

vriendelijkheid op zijn gezond rood gezicht, pleizier van weêrzien in

zijn groote grijze oogen, waarin een zwarte pupil blonk. De lakei deed

de deur achter hem toe.

—Tante!

De prins trad, met zijne beide handen toegestoken, naar de keizerin;

zij was opgestaan, evenals Hélène, en zij kwam hem een pas tegemoet,

zij nam zijne beide handen aan en duldde, dat hij haar op beide wangen

hartelijk zoende.

Hélène boog.

—Freule van Thesbia... groette de prins.

—Eindelijk dus! zei de keizerin, schertsend ontevreden; ze schudde haar

hoofd, maar ze kon niet anders dan vriendelijk blijven kijken naar zijn

prettig mooi, gezond gezicht. Waarom heb je niet zéker willen

telegrafeeren wanneer je kwam? Othomar was dan aan het station geweest,

maar nu...

Ze haalde, ongelukkig glimlachend, hare schouders op, als om te zeggen

dat het nu niet anders had kunnen zijn, of zijne ontvangst was maar tel

quel geweest...

—Tante! sprak Herman; de klank van zijne stem wilde zeggen, dat hij dit

nooit van Othomar zoû willen eischen; ik ben uitstekend ontvangen

geworden: de generaal Ducardi, Leoni, Fasti, onze waarde ambassadeur en

Siridsen...

—Het zal Othomar toch spijten; zei de keizerin; hij is nu gaan toeren

met Thera; Thera ment haar nieuwe vossen. Ik begrijp niet, dat ze

gegaan zijn; ze zullen regen krijgen!

De keizerin was weêr gaan zitten met een angstigen blik naar het weêr

buiten; de prins en Hélène zetten zich eveneens. Een kruisvuur van

vragen naar de beide families ontvonkte tusschen de keizerin en haren

neef; men had in enkele maanden elkaâr niet gezien; er was veel te

bespreken; het waren tijden vol ramp en de keizerin toonde een lang

telegram, dat de keizer uit Altara gezonden had, omtrent de

overstroomingen. Hare vingers, die het papier bleven vasthouden,

trilden.

Zij was eene vrouw van bijzondere schoonheid nog, niettegenstaande hare

groote kinderen. Maar de charme van hare schoonheid zagen maar

weinigen; in het publiek kreeg die schoonheid iets straks als van een

camee; mooie fijne lijnen, groote koude bruine oogen, zonder expressie;

een kouden mond van geslotenheid; voor de menschen kreeg haar rank

figuur iets stijfs en automatisch; zelfs vertoonde zij zich zoo voor de

intimere kringen van het hof. Maar zag men haar als nu in het geheim

van haar eigen salon, met niemand samen dan met haren neef, wien zij

bijna even liefhad als hare eigen kinderen, en éen hofdametje, dat zij

bedierf, dan was zij, trots den angst, dien zij terugduwde diep in haar

hart, als eene andere vrouw; in haar eenvoudig grijs zijden toilet—een

lichten rouw voor een bloedverwant—werd het stijf automatische van haar

figuur verbogen tot eene gracieuze lenigheid van zich houden en

bewegen, even spontaan, als dat andere bestudeerd was; de camee van

haar gelaat bezielde zich; in de oogen kwam bijna weemoed en een lach

vooral om dien kouden mond van strakheid was als een glans van

sympathie, waarin zij onherkenbaar scheen voor wie haar eerst gezien

had, koud, stijf en strak.

Prins Herman van Gothland was de tweede zoon harer zuster, de koningin

van Gothland. Een groote soliede jongen in zijn klein-uniform van

luitenant-ter-zee met het gezond Germaansch blonde van het Huis van

Gothland: een stevige nek, breede schouders, de gebombeerde borst van

een gymnast, de besliste levendigheid van beweging eener vitale natuur,

meer dan genoeg verstand in zijn groote grijze oogen met de zwarte

pupil, en met nu en dan een enkelen, prettig zachten toon in zijn

baritonstem: een toon, die even lichtjes verwonderde om haar geklank en

hem sympathiek maakte, als ze week was in zijne viriliteit. En nu hij

daar zat, gemakkelijk, eenvoudig, aangenaam, en toch met iets van

gezag, dat al te groote jovialiteit in zichzelven niet duldde, nu hij

met zijne lieve stem sprak over zijn vader, zijne moeder, zijne broêrs

en zusters, vroeg naar zijn oom, keizer Oscar van Liparië, vroeg naar

Othomar, Thera, nu, o nu wekte hij bij de keizerin een fijn gevoel op

van het sympathieke van familie, iets van een geheimen band van bloed,

een zeer stevigen steun van verwantschap, in het izolement hunner

onderlinge hoogheden, de hoogheden van Liparië en van Gothland; zij

voelde daar, aan het andere einde van Europa, vér, vér van haar en toch

zoo nabij door het magnetisme van dit fijne gevoel, dat Gothland liggen

als éen groót veld van liefde, waarna zij hare gedachten kon laten

toedrijven; zij duizelde niet meer van weemoed en van angst, dat zij

zoo hoog was met die haar lief waren, haar man en hare kinderen, want

zij was niet alleén hoog: in hare hoogte steunde zij tegen een andere

hoogte, Liparië tegen Gothland, Gothland tegen Liparië; iets vochtigs

van tranen kwam er om over haren blik, een weemoed van geluk klom er om

op haren adem; het spook van angst was verdwenen; zij had haren neef

kunnen omhelzen; zij had hem dit willen zeggen: alleen zijne

aanwezigheid reeds gaf haar dit gevoel, gevoel van troost en van

kracht; in maanden had zij het gemist.

Majesteit · 第 5 / 52 题