Wij hebben nu alle wegen der Spaansche letterkunde bewandeld, den
ernstigen, den quasi-heroïschen en den humoristischen. Misschien is
wel geen enkel hoofdstuk van de letterkunde der wereld zóó rijk aan
kleur, zóó afwisselend en zóó gevoelig. Er klinkt een toon in van
hooge en edele schoonheid, van voorname ridderlijkheid, van grooten
ernst, hoffelijk, vlekkeloos, en niet bezoedeld door alledaagschheid
en bekrompenheid. De drinkbeker der Spaansche romantiek is gevuld met
het hartebloed van een groot, ridderlijk en dichterlijk volk, dat de
voorkeur heeft gegeven aan idealen boven de ruwe werkelijkheid, aan de
verhevenheid van een nationale aristocratie boven de leegheid eener
onware democratie. Arm Spanje! Hoe dikwijls gebruikt de Angelsakser
deze uitdrukking in medelijdende zelfgenoegzaamheid! Met de troost
van zulk een schatkamer van dichterlijken en romantischen rijkdom,
kan Spanje het vaste vertrouwen koesteren, dat de heerlijke dagen,
die door zijne trovadores bezongen, en door zijne dichters vereeuwigd
zijn in statige verzen, eenmaal zullen wederkeeren. Arm Spanje! Neen,
gelukkig Spanje! Betooverde spelonk, overvloeiende van heerlijke
liederen? Veelkleurige schatkamer der legende, glinsterend juweel
der onsterfelijke romance!