[1] De Moro latinado of de Spaansch sprekende Moor, is een voorname
figuur in de latere Spaansche geschiedenis.
[2] In Bisschop Odoor's testament (747) zien wij het verval van het
Spaansche Latijn aangetoond, en Karel de Kale zinspeelt in een edict
van 844 op de usitato vocabulo der Spanjaarden, hun »Spreektaal.«
Over het Gothische tijdperk zie men Père Jules Pailham, in het 4e deel
van Cahier en Martin's Nouveaux Mélanges d'Archéologie d'Histoire,
et de Littérature sur le Moyen Age (1877).
[3] Dit dialect was veel meer verwant aan de lingua rustica dan aan
het Gothisch, dat grooter invloed heeft gehad op de uitspraak en den
zinbouw van het Spaansch, dan op de woorden.
[4] »Over het geheel,« zegt Professor Saintsbury, »zijn het gemak,
de verfijndheid, en, binnen zekere grenzen, de verscheidenheid van
vorm, opmerkelijker dan de grootschheid van gevoel en van gedachten«
(Flourishing of Romance and Rise of Allegory, p. 308-369). Hij merkt
verder op, dat het Provençaalsche vers is een »uiting van kleine
kunst.«--»Knap, schoolsch, aangenaam, maar zelden uitstekende boven
het middelmatige.«
[5] Deze was getiteld El Arte de Trobar en een slecht uittreksel
daarvan vindt men in Mayan's Origenes de la Langua Española (Madrid
1737).
[6] Over Provençaalschen invloed op Castiliaansche letterkunde zie
men Manuel Mila y Fontanal Trovadores en España (Barcelona 1887); en
E. Baret, Espagne et Provence (1857), een meer beknopte verhandeling.
[7] Toch vonden zij verscheidene Spaansch sprekende bewoners van die
streken en het was de Romaansche taal van deze menschen, die tenslotte
in Spanje overheerschend was.
[8] Madrid, 1839.
[9] Cancionero de Romances (Antwerpen, 1555).
[10] Zie het artikel over Alfonso XI in N. Antonio, Bibliotheca
Hispana Vetus.
[11] Regeerde van 1407 tot 1454.
[12] Gaston Paris, La Littérature Française au Moyen Age (Paris 1888)
en Léon Gautier, Les Epopées Françaises (Paris 1878-'92), zijn de
voornaamste kenners van de Chansons de Gestes.
[13] Zie Manuel Milo' y Fontanal, Poesia heróico-populair Castellana
(Barcelona, 1874).
[14] Deze naam, die het eerst gebruikt werd door Graaf Willem van
Poitiers, den eersten troubadour, omvatte oorspronkelijk ieder werk,
dat in de inheemsche talen der Romance geschreven was. Later werd hij
in Spanje gebruikt als equivalent voor Cantar, en tenslotte duidde
men er mede aan lyrisch-verhalende gedichten in achtlettergrepige
assonanten.
[15] Don Quixote. Deel I, hoofdstuk VI.
[16] In het hoofdstuk, getiteld: »Moorsche Romances van Spanje«, zal
de lezer voorbeelden vinden van romantische verhalen van dit volk,
waaruit hem de verwantschap met de Spaansche romances zal blijken.
[17] Zie Dozy, History of the Moors in Spain (Engelsche vertaling)
en Recherches sur l'Histoire politique et littéraire de l'Espagne
(1881); F. J. Simonet, Inleiding tot zijn Glosario de Voces iberias
y latinas usadas entre los Muzárabes (1888); Renan, Averroës et
Averroïsme (1866).
[18] Ormsby (The Poem of the Cid), die zijne verhandeling in 1879
schreef, schijnt zeer eenvoudige begrippen te hebben gehad over wat een
Cantar was, en hij zegt, dat de Poema bijna gelijktijdig ontstond met
de »chansons de gestes«. Maar hij is waarschijnlijk minstens een eeuw
in de war, daar de eerste Chansons dateeren uit het midden der elfde
eeuw. Van trovadores en juglares had hij blijkbaar nooit gehoord. Toch
is hij allesbehalve oppervlakkig en over het geheel is zijn boek het
beste, dat in Engeland over de Poema geschreven is. Het is jammer,
zooals Saintsbury terecht opmerkt, dat noch Ticknor noch Southey,
die zoo uitvoerig over de oude Spaansche letterkunde schreven,
bekend waren met de »Chansons de gestes.« Nog betreurenswaardiger
is het, dat zooveel op het gebied van Spaansche vertalingen is
overgelaten aan Longfellow, die zoo menige mooie ballade schandelijk
verminkte. Waarschijnlijk was geen dichter beter in staat dan hij,
een ballade zoo te vertalen, dat hij haar beroofde van alle kern
en kracht. Maar hoe slecht zijne Spaansche vertalingen ook zijn,
zij zijn nog heilig, vergeleken bij wat de Italiaansche vertalers
ervan gemaakt hebben.
[19] Waarschijnlijk Anstruther in Fife.
[20] Er bestaat alle redenen te gelooven, dat deze reus Albadan
dezelfde is als de reus Albiona, één der twee monsters, »zonen
van Neptunus,« die volgens Pomponius Mela, Hercules in Ligurië
aanvielen. De naam Albion werd eens aan geheel Brittanje gegeven, en
later evenals Alba en Albany, aan Schotland, welks bevolking bekend
was als Albannach. Volgens sommigen beteekent dit »de Witte«, wat
betrekking zou hebben op de klippen van Dover! Veel waarschijnlijker is
het, dat het beteekent: »het rijk van den God Alba, het land van den
Witten God.« Alle Schotsche goden waren reuzen, evenals de Fomorianen
van Ierland.
[21] Eerst had zij Schotland bezocht, en zich vervolgens ingescheept
naar »Groot Brittanje«. Op deze tocht kwam zij bij de Kale Rots
terecht, die zich blijkbaar ergens in de Middellandsche Zee bevond. Het
is eigenaardig, dat de aardrijkskunde in dien tijd zulk een zwak
punt was voor een volk, dat zooveel gedaan heeft op het gebied van
ontdekkingen en zeevaart.
[22] William Stuart Rose, Amadis de Galliër: Een gedicht in drie
boeken.
[23] Tenzij wij een uitzondering maken voor de Anseis de Carthage--een
romance, die den ondergang van Spanje toeschrijft aan een zoon van
Karel den Groote, wiens daden overeenkomen met die van Roderick. De
Anseis is een Fransch werk.
[24] Behalve de verzameling romances, waarover wij hier spraken,
en waarin de voornaamste typen van dichtkunst vertegenwoordigd zijn,
waren er in het midden der zestiende eeuw nog bloemlezingen uitgegeven
te Antwerpen en Saragossa, respectievelijk door Martin Nucio en Esteban
de Nájera. De lezer kan ook de Primavera y Flor de Romance door Wolf
en Hofman raadplegen, waarvan een nieuwe uitgave verscheen bij Señor
Menéndez y Pelayo, de verzameling van Depping (2 dln. Leipzig 1844)
en de Engelsche vertalingen van Lockhart en Bowring.