Toen Guzman Genua verlaten had in dezen ellendigen toestand, waarin
hij zich vergelijkt bij een van die soldaten, die nog levend uit
den slag bij Roncevalles gekomen waren, besloot hij naar Rome te
gaan. »Italië«, zoo redeneerde hij, »is het weldadigste land van
de wereld, en iedereen, die kan bedelen, kan binnen de grenzen
van dat land reizen, zonder zich te bekommeren over zijn volgenden
maaltijd«. Een paar weken later bevond hij zich dan ook inderdaad te
Rome, met genoeg geld in zijn zak, om een nieuw pak kleeren te koopen;
maar hij weerstond de verleiding en zwierf bedelend door de straten
der keizerlijke stad. Hij ontmoette reeds spoedig een lotgenoot,
die hem inlichtte over de werkwijze en gewoonten van de bedelaars
van Rome, en die hem zooveel goeden raad gaf, dat hij al heel gauw
meer geld ontving dan hij kon uitgeven. In korten tijd was Guzman een
meester in de bedelkunst. Nadat hij op deze wijze eenige weken had
doorgebracht, maakte hij kennis met den chef-bedelaar van de stad,
die hem op de hoogte bracht van de wetten der bedelarij, die hij in
zijn autobiographie uitvoerig bespreekt. Deze wetten leerde Guzman
uit het hoofd. De bedelaars woonden te zamen, en vergaderden des
avonds om nieuwe bedelmanieren te bedenken, en zich te oefenen in
allerlei praktijken, waardoor zij medelijden konden opwekken. Des
morgens vochten zij er meestal om, wie het dichtst bij het wijwater
bij den ingang der kerken kon komen, want daar was altijd de rijkste
oogst; en 's avonds maakten de bedelaars meestal een tocht langs de
landhuizen in de buurt van Rome, vanwaar zij beladen met levensmiddelen
terugkeerden. Bijna al deze bedelaars wendden lichaamsgebreken en
ongeneeslijke ziekten voor. Eens simuleerde Guzman in de stad Gaeta
een vreeselijke hoofdziekte, en de Gouverneur, die juist voorbijkwam,
gaf hem een aalmoes. Den volgenden dag zat hij bij den ingang van
een kerk met iets, dat een pijnlijke ziekte van het been moest
voorstellen, en het geld stroomde hem toe; maar ongelukkig kwam de
Gouverneur weer voorbij, en daar hij hem herkende, beloofde hij hem
eenige afgelegde kleeren, wanneer hij met hem mede naar huis wilde
gaan. Daar aangekomen, vroeg de Gouverneur hem, welk merkwaardig
geneesmiddel hij gebruikt had, om hem binnen een dag af te helpen van
zijn vroegere ziekte; en zonder het antwoord af te wachten, ontbood hij
een geneesheer, die het been onderzocht, en den Gouverneur verzekerde,
dat de bedelaar volkomen gezond was. Toen gaf de Gouverneur hem over
aan zijne lakeien, die hem een flink pak ransel gaven, en hem daarna
de stad uitjoegen.
Op zekeren dag had de schelm zich opgesteld bij het hek van een
Kardinaal, die bekend was om zijn medelijdend hart, en toen deze hem
hoorde klagen, gaf hij zijne bedienden bevel, den zieke naar een kamer
in zijn huis te brengen, en hem daar te verplegen. Guzman had wederom
een ernstige beenziekte voorgewend, en dus ontbood de Kardinaal
twee der beroemdste geneesheeren van Rome. Hunne voorbereidingen
waren van dien aard, dat Guzman vreesde, dat zij van plan waren,
het been af te zetten, en toen de medici dus in een aangrenzend
vertrek het geval bespraken, ging hij naar de deur om het gesprek
af te luisteren. Een van beiden gaf als zijn meening te kennen,
dat de ziekte voorgewend was, maar de andere was dit niet met hem
eens. Eindelijk kwamen zij overeen, het geval aan den Kardinaal voor
te leggen, en zij waren op het punt dit te doen, toen Guzman de
kamer, waarin zij zich bevonden, binnentrad, zijn bedrog bekende,
en hun voorstelde met hem te zamen den Kardinaal te bedriegen. De
geneesheeren stemden hierin toe, en toen Zijne Eminentie verscheen,
gaven zij een verontrustend en aandoenlijk verslag van de ernstige
ziekte van Guzman. De Kardinaal, die een edel en goedgeloovig man was,
drukte hun op het hart, niets te verzuimen, wat zou kunnen bijdragen
tot het herstel van den patiënt. De geneesheeren waren zóó verlangend
een hooge rekening te kunnen uitschrijven, dat zij Guzman dwongen
drie maanden het bed te houden; die maanden schenen hem drie eeuwen
toe, want het zwervende leven was hem een behoefte geworden, en het
viel hem zwaar daar tijdelijk afstand van te moeten doen. Aan het
einde van dien termijn, dienden de geneesheeren bij den Kardinaal hun
rekening in met de verklaring, dat de patiënt volkomen hersteld was,
en de geestelijke was zóó verrukt over deze wonderbaarlijke genezing,
en zóó ingenomen met den levendigen geest van Guzman, dat hij den
jeugdigen bedrieger aannam als zijn persoonlijken dienaar.
Guzman was echter maar matig ingenomen, met het nieuwe leven,
dat voornamelijk bestond in het wachten in een voorvertrek,
en tafeldienen. De tucht was er streng en alles wat hij stelen kon
bestond uit een paar eindjes kaars. Maar eens ontdekte hij, dat er een
groote hoeveelheid heerlijke ingemaakte vruchten in een kast bewaard
werden, en daaraan deed hij zich toen te goed. De Kardinaal ontdekte
de verduistering, doch kon den dader niet vinden. Maar toen Guzman
een volgend keer de kast plunderde, kwam Zijne Eminentie juist binnen
en betrapte hem op heeterdaad. Hij kreeg een geweldig pak slaag van
den Major-domo, zoodat hem voorloopig de lust tot stelen vergaan was.