In deze betrekking maakte Guzman een prettigen tijd door, want
het ontbrak in het huis van den ridder niet aan vroolijkheid. De
jongen deed echter uitstekend zijn plicht, maar de ondeugd van het
spel kreeg hem te pakken, en dikwijls zat hij tot laat in den nacht
met de lakeien en livreiknechten aan de speeltafel. Op deze wijze
verloor hij het geld, dat hij verdiend had, dadelijk weer, en toen
hij niets meer had om aan zijn hartstocht voor het spel te voldoen,
begon hij allerlei kleinigheden, die hij in huis kon machtig worden,
te stelen, waarbij hij zijn geweten geruststelde met de overweging,
dat de anderen hetzelfde deden. Op zekeren dag had zijn meester voor
eenige vrienden een groot drinkgelag aangericht, en toen Guzman
de zaal binnenkwam, waar zij bijeen waren, vond hij hen allen in
vasten slaap. Toen zag hij op tafel een grooten zilveren drinkbeker
staan, dien hij zich vlug toeeigende. De vrouw van den kok miste het
voorwerp al heel spoedig, en er werd een onderzoek ingesteld naar de
verdwijning ervan, waarop de slimme knaap den beker naar een goudsmid
bracht, die hem zóó mooi oppoetste, dat hij geheel nieuw leek. Hij
bracht hem terug naar de koksvrouw, die in grooten angst verkeerde,
dat haar meester van het verlies zou hooren, en hij vertelde haar,
dat hij bij den juwelier juist zulk een beker gevonden had, dien hij
voor zes-en-vijftig reales kon koopen; en in haar verlangen, niet in
moeilijkheden te komen, gaf zij hem dadelijk deze som. Maar het geld,
dat op deze oneerlijke wijze verkregen was, werd oogenblikkelijk weer
aan de speeltafel verloren, zoodat Guzman even arm was als voorheen.
Eenigen tijd later kreeg de kok bevel, een schitterenden maaltijd aan
te richten voor een vreemden edelman, die eerst sedert kort in Madrid
vertoefde. De koksjongen moest hiervoor een grooten zak met wild in
ontvangst nemen, dien hij naar huis droeg. Maar daar het reeds laat
was, nam hij hem mede naar zijn eigen zolderkamer. Midden in den
nacht werd hij wakker, doordat katten vochten om een van de hazen,
die in den zak waren. Toen Guzman zag, dat men dezen haas niet miste,
en dat de lakeien links en rechts van de voorraden stalen, stak hij een
half dozijn eieren in zijn zak. Maar de chef-kok zag het en gaf hem
zulk een geweldigen schop, dat hij viel, waardoor de gebroken eieren
uit zijn zak dropen, tot groot vermaak van de omstanders. Het gelukte
hem echter, een paar patrijzen en eenige kwartels te verdonkeremanen;
deze wilde hij aan een anderen kok verkoopen; maar zijn meester,
die hem niet vertrouwde, volgde hem, en ontdekte, wat hij in zijn
schild voerde, waarop hij op staanden voet ontslagen werd, nadat hij
een flink pak ransel gekregen had.
Daarna bleef hem niets anders over dan weer terug te keeren tot zijn
vroeger beroep van boodschaplooper. Maar spoedig hoorde hij, dat
er binnenkort eenige troepen naar Genua zouden worden ingescheept,
en hij besloot zich ook te laten aanmonsteren. Een oude apotheker,
die nooit iets oneerlijks van hem ondervonden had, zond hem naar
een vreemden koopman met een groote hoeveelheid zilver, dat Guzman
in een diepen kuil bij de rivier verstopte. Toen hij den volgenden
morgen bij deze plaats terugkwam, en de zakken met geld opgroef,
ontdekte hij, dat zij vijf-en-twintig-honderd reales in zilver,
en dertig pistoles in goud bevatten. Hij nam de zakken op zijn rug,
opdat men ze voor de bagage van een reiziger zou aanzien, en begaf
zich op weg naar Toledo. Hij zorgde er echter steeds voor, den grooten
weg te vermijden, en slechts stille wegen te bewandelen.
Toen hij nog slechts twee mijlen van Toledo verwijderd was, liep hij
een bosch in, waar hij gedurende het overige gedeelte van den dag wilde
rusten, omdat hij niet in de stad wilde komen, voordat het donker was.
Hij was van plan naar Genua te gaan, en zijne bloedverwanten op
te zoeken, en hij dacht er juist over, hoe hij zijn geld het best
zou kunnen besteden om bij hen te komen en een goeden indruk op
hen te maken, toen hij een geluid hoorde, en toen hij zich haastig
omkeerde, zag hij een jongen man, ongeveer van zijn eigen leeftijd,
die achterover op den grond lag, met het hoofd tegen een boom. Guzman
deelde zijn wijn met hem, en de jongeling vertelde hem, dat hij
geen cent bezat. Guzman bood hem aan, eenige van zijne kleederen
te koopen, die hij in een bundel bij zich droeg, en hij maakte een
van zijne geldzakken open, om hem te laten zien, dat hij in staat
was te betalen. Voor honderd reales ging een prachtig pak kleeren
in zijne handen over, en nadat Guzman afscheid genomen had van
den vreemdeling, begaf hij zich naar Toledo, waar hij dadelijk
zijn intrek nam in de beste herberg. Den volgenden dag schafte
hij zich allerlei kleedingstukken aan, die hij noodig had, maar
zijn ijdelheid werd hem de baas, en hij bestelde een prachtig pak,
dat hem een schat kostte. Des Zondags ging hij naar de Cathedraal,
waar hij een bekoorlijke dame ontmoette die hem vroeg haar naar haar
huis te geleiden, om daar den avondmaaltijd te gebruiken. Guzman
bestelde voor deze gelegenheid allerlei kostbare spijzen en dranken,
maar het paar had zich nauwelijks aan tafel gezet, of er werd luid op
de deur geklopt, en de dame riep hevig verschrikt, dat haar broeder
thuisgekomen was, en dat Guzman zich zoo vlug mogelijk verbergen
moest. De eenige plaats, waar hij zich behoorlijk verstoppen kon,
was een groot, omgekeerd bad, en vanuit deze schuilplaats had hij het
genoegen te zien, hoe de heer, die zoo juist was binnengekomen, alle
kostbare gerechten, die hij betaald had, opat, en de vier flesschen
wijn, die hij voor zijn eigen gebruik had gekocht, tot op den laatsten
droppel ledigde. Spoedig na dit overvloedig maal, viel de heer in
een diepen slaap, en Guzman maakte van deze gelegenheid gebruik weg
te sluipen als een armer doch wijzer man.
Daar Guzman hoorde, dat een alguazil bijzonder belangstellend naar
hem gevraagd had, vertrok hij haastig uit Toledo, en voegde zich te
Almagro bij de soldaten, die naar Genua gingen. Hun kapitein, die
onder den indruk kwam van zijn net voorkomen, begroette hem als zijn
wapenbroeder, en behandelde hem als zijn gelijke. Guzman had in Toledo
een knechtje in zijn dienst genomen, en deze kleine schelm vertelde
overal rond, dat zijn meester een voornaam heer was. Maar de beurs
van onzen held geraakte al aardig leeg, ofschoon hij nog ongeveer de
helft van zijne oneerlijk verkregen bezittingen had. Inplaats dat het
gezelschap dadelijk scheep ging, bleef het nog ongeveer drie maanden
in Barcelona, zoodat zijne geldmiddelen spoedig uitgeput raakten,
en hij door de officieren verwaarloosd en door de soldaten gemeden
werd. Zijn kapitein had echter medelijden met hem, en bood hem een
plaats aan zijn bediendentafel aan; dit was, volgens zijn zeggen,
het eenige wat hij voor hem doen kon, want hij was zelf genoodzaakt
buitenshuis te gaan eten omdat hij niet in staat was, zijne vrienden
thuis te ontvangen. Guzman betuigde hem zijn dankbaarheid, en gaf
hem te kennen, dat hij misschien later in de gelegenheid zou zijn,
hem weer te helpen. De soldaten waren in het dorp ingekwartierd,
en Guzman verzon het systeem van in elk huis meer manschappen onder
te brengen dan noodzakelijk was; hij dreigde tenminste dit te doen,
zoodat de beangste inwoners al heel blij waren, wanneer zij hem konden
afkoopen. Op deze wijze herstelde hij den geschokten geldelijken
toestand van den kapitein volkomen, en daar hem vele geschenken
in den vorm van levensmiddelen door de angstige dorpsbewoners
werden toegezonden, hadden de jeugdige schelm en zijn chef een
goed leven. Maar nu werd hij overmoediger, en met zes van de meest
roekelooze mannen van zijn compagnie, begon hij de voorbijgangers
op den heirweg te berooven. Toen zijn kapitein dit echter hoorde,
maakte hij dadelijk een einde aan dit gevaarlijke spelletje.
Op zekeren dag bemerkte Guzman, dat onder de weinige kostbaarheden,
die den kapitein nog waren overgebleven, zich een bijzonder mooi
gouden relikwieën-kastje bevond, met diamanten versierd, en hij
vroeg hem dit voor eenige dagen te leen. De overmoedige jongeling
ging er dadelijk mee naar een juwelier, wien hij het kostbare stuk
aanbood voor tweehonderd kronen. Maar de man wilde hem er niet meer dan
honderdtwintig voor geven, op welk aanbod Guzman niet wilde ingaan. De
juwelier kwam den volgenden dag weer bij hem en hernieuwde zijn aanbod,
dat nu door den jongen man aangenomen werd. Guzman overhandigde hem
het foedraal waarin het kastje bewaard werd, en ontving hiervoor
in ruil de honderdtwintig kronen. Maar nauwelijks had de oude man
het huis verlaten, of de jonge avonturier begon te roepen: »Houd den
dief! houd den dief!« Eenige soldaten grepen den juwelier, en Guzman
riep opgewonden, dat hij hem het relikwieën-kastje van den kapitein
ontstolen had. De juwelier verzekerde de politiemannen, dat hij het
voorwerp voor honderdtwintig kronen had gekocht, doch dit werd door
Guzman ontkend. De ongelukkige goudsmid werd voor den rechter gebracht,
en daar hij wegens woekerhandel een slechte reputatie genoot, werd
hij gedwongen het kostbare voorwerp terug te geven. Maar ofschoon de
kapitein heel blij was met het geld, dat zoo onrechtmatig verkregen
was, vreesde hij toch, dat een verdere omgang met zulk een schurk als
de Alfarache, hem ten gronde zou richten. Eenige dagen later scheepten
de troepen zich in naar Genua, en toen zij daar waren aangekomen,
zeide zijn chef hem, dat het beter was, dat zij scheidden, en hij
drukte hem een pistole in de hand.