GUZMAN DE ALFARACHE.

Mateo Aleman, de schrijver van den grooten Schelmenroman Guzman de

Alfarache werd in Sevilla geboren. In zijn jeugd versmaadde hij een

gouvernementsbetrekking en stak hij naar Mexico over, waar hij in

1609 een werk uitgaf over Spaansche taalkunde, benevens verscheidene

Latijnsche verhandelingen. Maar zijn naam als romanschrijver verwierf

hij door zijn Vita del Picaro Guzman de Alfarache, een werk, dat

van zijn eerste verschijning in 1599 af, overgebracht is in elke

Europeesche taal. Ofschoon het geschreven is in de meest zuivere en

klassiek letterkundige stijl, is het toch los en natuurlijk, en het

vindt zijn weerga niet in de schildering van de laagste klassen der

Castiliaansche maatschappij en van de gewoonten en denkbeelden van

den tijd, waarin hij leefde.

»Mijne voorouders,« vertelt Guzman, »kwamen oorspronkelijk uit de

Levant. Maar zij vestigden zich te Genua, en oefenden in die stad het

beroep van koopman uit op zulk een wijze, dat zij beschuldigd werden

van woeker«.

De omstandigheid, dat deze levendige avonturier uit zulk een weinig

eerbiedwaardig geslacht voortkwam, leidde er wel toe, dat hij reeds op

jeugdigen leeftijd in aanraking kwam met allerlei schurkenstreken. Maar

al waren zijne bloedverwanten allesbehalve kieskeurig waar het den

handel betrof, zij verborgen hun schandelijk gedrag onder den mantel

van schijnheiligheid en maatschappelijk fatsoen. Zij ontbraken nooit

bij de Mis, en niemand zou iets hebben kunnen inbrengen tegen hun

particulier leven. Voor de geboorte van Guzman hoorde zijn vader,

dat één zijner correspondenten te Sevilla failliet was gegaan, en

toen hij daarheen ging om zelf orde op zaken te stellen, werd hij

gevangen genomen door een Algerijnschen zeeroover; hij ging over tot

den Mohammedaanschen godsdienst en huwde een Moorsche vrouw. Toen zijn

agent te Sevilla hoorde wat zijn voornaamsten schuldeischer overkomen

was, ordende hij zijne zaken zonder diens hulp, en zoo was hij in

korten tijd beter af dan ooit tevoren. Maar het gelukte den vader

van Guzman te ontsnappen, en toen hij te Sevilla aankwam, eischte

hij een afrekening van zijn oneerlijken handelsvriend, van wien hij

een flinke som loskreeg. Daarna vestigde hij een zaak te Sevilla, en

kocht een landgoed, dat hij St. Juan de Alfarache noemde. Hier leefde

hij in overvloed, en nadat hij de weduwe van een ouden ridder gehuwd

had, was ook zijn maatschappelijke positie uitstekend. Kort daarna

werd zijn zoon Guzman geboren. Maar de Alfarache was zeer gesteld op

vroolijk gezelschap, praal en uiterlijk vertoon, en nadat hij eerst

een groot gedeelte van zijn fortuin verkwist had, duurde het niet lang,

of hij ging zelf bankroet, waarna hij de tol aan de natuur betaalde.

Zijn weduwe en de kleine Guzman bleven onverzorgd achter, en toen

de knaap in zijn veertiende jaar was, besloot hij zijn fortuin te

zoeken; hij reisde dus naar Genua, in de hoop, dat de bloedverwanten

van zijn vader bereid zouden zijn hem te helpen. Spoedig bereikte hij

een herberg, waar hij iets te eten vroeg. Men bracht hem een ommelet,

die, zooals hij zeide, beter een »eierpap« zou kunnen heeten, maar

waarop hij toch aanviel »als een varken op eikels.« Bij het verlaten

van de herberg gevoelde hij zich ellendig, en in een toestand,

die de bezwijming nabij was, ontmoette hij een ezeldrijver, wien

hij het onsmakelijke maal beschreef, dat hij juist genuttigd had;

deze lachte hartelijk om het verhaal en bood hem vriendelijk aan,

een zijner muilezels te bestijgen waarna zij spoedig in Oostelijke

richting draafden. Korten tijd daarna ontmoetten zij twee monniken,

en kwamen zij bij een herberg, waar zij weer een slecht maal kregen,

dat door den waard echter zóó werd opgehemeld, dat de arme jongen wel

gedwongen was, het zonder veel drukte te verorberen. Maar tot zijn

grooten schrik ontdekte hij later, dat het gerecht bereid was van het

vleesch van een jongen muilezel. Toen de herbergier hiervan beschuldigd

werd, was hij zoo woedend, dat hij een groot zwaard greep, waarop de

ezeldrijver een hooivork nam, en er zou zeker een moord gebeurd zijn,

wanneer niet de stedelijke politie de vechtenden gescheiden had. De

oneerlijke waard werd naar de gevangenis gebracht, maar ofschoon hij

bekende den muilezel te hebben geslacht, wilde hij niet toegeven,

dat hij den mantel van Guzman gestolen had, die spoorloos verdwenen

was, en de knaap was dus genoodzaakt de herberg te verlaten zonder

dit uitrustingstuk.

Toen Guzman en de ezeldrijver hun weg vervolgden, werden zij spoedig

achterhaald door twee personen, die op muilezels gezeten waren,

en die hen met de grootste opmerkzaamheid monsterden. Plotseling

wierpen zij zich op den ongelukkigen knaap, bewerende, dat hij eenige

kostbare juweelen gestolen had. De ezeldrijver kwam tusschen beiden,

maar ook hij werd ruw aangegrepen, en de vreemdelingen bonden de beide

reiskameraden aan hunne ezels vast. Op hetzelfde oogenblik kwamen de

twee monniken weder opdagen, die zich vermaakten met het doen van

verhalen, waarvan de strekking neerkwam op de wisselvalligheid van

's menschen lot. Maar deze verhalen zijn veel te lang om ze hier te

vertellen en daarenboven hebben zij weinig te maken met den draad

van ons verhaal.

Het gezelschap kwam toen bij de poorten van Cazalla, waar het gerecht

uitmaakte, dat Guzman ten onrechte gevangen genomen was, en waar hem

dus de vrijheid weergegeven werd. Hij nam zijn intrek in de beste

herberg, die de stad er op nahield en den volgenden morgen begaf hij

zich te voet op weg naar Madrid.

In een herberg in een der buitenwijken der hoofdstad ontmoette hij een

weldadigen monnik, die zijn maal met hem deelde. Maar den volgenden

morgen trachtte de waard hem met zijn rekening te bedriegen, en hij was

op het punt hem bij wijze van betaling zijn jas af te nemen, toen de

ezeldrijver, die zich weer bij hem gevoegd had, tusschenbeiden kwam, en

als zijn meening te kennen gaf, dat Guzman van huis was weggeloopen. De

slechte waard zag hierin een kans om zich te verrijken, en bood aan,

den jongen in zijn dienst te nemen als staljongen; hij zou dan de

ezeldrijvers, die in de herberg overnachtten, moeten helpen bij het

stallen en voederen der ezels. Hier werd de jonge Guzman dan ingewijd

in allerlei oneerlijke praktijken, want wanneer een voorname gast

de herberg bezocht, kregen zijne muilezels of paarden slechts een

handvol voer, terwijl hem de gewone prijs berekend werd. Inderdaad

was deze herberg een broeinest van ongerechtigheden, en het leven

daar werd Guzman zóó ondragelijk, dat hij met het kleine beetje geld,

dat hij gespaard had, en de opbrengst van zijn jas en vest, met de

noorderzon vertrok, en zich bij een troep voorbijtrekkende bedelaars

voegde. Deze menschen leidden een kostelijk leven van hetgeen zij

bedelden en stroopten; het waren onverbeterlijke spelers, en 's avonds

had Guzman volop gelegenheid, valsch te leeren spelen. Later nam hij

echter dienst als koksjongen bij een adellijk heer.

Legenden en Romances van Spanje · 第 155 / 165 题