LAZARILLO DE TORMES.

De grootste humoristische roman, die in Spanje geschreven was,

voordat Don Quixote verscheen, was Lazarillo de Tormes van Diego

Hurfado de Mendoza, een veelzijdig man, die Spaansch gezant in

Engeland is geweest. Hij was zoowel van vaders als van moeders zijde

van adellijke afkomst, en werd in 1503 te Granada geboren. Daar

hij een jongere zoon was, werd hij voor de kerk bestemd en dus

studeerde hij aan de universiteit te Salamanca, waar hij reeds

gedurende zijn studententijd den roman schreef, die hem beroemd

heeft gemaakt. De levendige beschrijvingen, het diep doordringen in

de verschillende karakters en de frissche humor, bezorgden het werk

dadelijk een belangrijke plaats in de Spaansche letterkunde van dien

tijd. Maar Mendoza veranderde reeds spoedig van beroep, en koos de

politieke loopbaan. Karel V benoemde hem tot Gouverneur van Siena,

een kleine Italiaansche republiek, die onder Spaansche heerschappij

gekomen was. Mendoza had echter een trotsch en hardvochtig karakter,

en tyranniseerde het ongelukkige volk, dat aan zijne zorgen was

toevertrouwd, op ondragelijke wijze. Zij beklaagden zich bij den

Keizer bitter over zijn gedrag, en toen er geen verbetering in den

toestand kwam, trachtte men hem te dooden. Bij een dezer aanslagen op

zijn leven, werd zijn paard onder hem gedood door een schot, dat voor

hemzelf bestemd was. Gedurende zijn afwezigheid werd Siena ingenomen

door een Fransch leger, en daar de weerlooze toestand der stad werd

toegeschreven aan de omstandigheid, dat hij eenige troepen uit Siena

verwijderd had, werd hij in 1554 naar Spanje teruggeroepen.

Terwijl hij als staatsman en officier in Italië vertoefde, was

Mendoza echter steeds werkzaam geweest op letterkundig gebied, want

hij had zijne politieke aanteekeningen geschreven, een vertaling

van Aristoteles, een verhandeling over werktuigkunde, en andere

belangrijke werken, die er echter geen van alle toe bijdroegen,

de populariteit te verhoogen, die zijn eerste roman hem bezorgd had.

Lazaro, of beter gezegd Lazarillo (het verkleinwoord van dien naam)

was de zoon van een molenaar, die zijn beroep uitoefende aan de oevers

van de rivier de Tormes, aan welke omstandigheid hij zijn naam te

danken had. Toen Lazarillo slechts tien jaren oud was, werd zijn

vader gedood in een veldtocht tegen de Mooren, en daar zijn moeder

niet in staat was hem te onderhouden, vertrouwde zij hem toe aan de

zorgen van een blinden man, die bedelend door het land trok.

Toen zij bij de brug van Salamanca kwamen, zag de jongen daar een

steenen beest, dat den vorm had van een stier, en zijn meester zeide

hem, dat wanneer hij zijn oor tegen het beeld zou leggen, hij het zou

hooren brullen. Dit deed hij, maar de oude man duwde hem met zulk een

geweld tegen het steenen beest, dat hij bijna het bewustzijn verloor;

en zijn meester lachte hem nog op den koop toe uit, zeggende, dat

de jongen van een blinden man zich nooit voor den gek mocht laten

houden. »Ik kan je geen zilver of goud geven,« zeide hij, »maar wel

iets, dat vrij wat meer waard is, nl. de wereldwijsheid, die ik door

ondervinding gekregen heb.«

De kleine Lazarillo kon slechts met de grootste moeite genoeg te eten

krijgen. De oude bedelaar bewaarde zijn brood en vleesch in een linnen

knapzak, die van boven stevig gesloten was; maar de jongen maakte

een kleine torn onder in de zak, en verschafte zich op deze wijze

de uitgezochtste stukken vleesch, spek en worst. Ook was het zijn

taak de aalmoezen in ontvangst te nemen, die weldadige menschen den

blinden man toewierpen, en een gedeelte daarvan bewaarde hij in zijn

mond, totdat hij door langdurige oefening erin slaagde, een flinke

hoeveelheid koperen munten in deze spaarpot op te bergen.

Op een warmen dag ergerde het hem, te zien, dat de bedelaar wijn dronk,

terwijl hij dorst moest lijden. De wijn werd bewaard in een grooten

aarden kruik, en van tijd tot tijd gelukte het hem, een slok van den

verkoelenden drank te bemachtigen. Maar al heel gauw ontdekte zijn

meester de praktijken van den jongen, en daarna hield hij de kruik

tusschen zijne knieën en bedekte hij de opening met zijn hand. Daarom

boorde Lazarillo in den bodem der kruik een gaatje, dat hij met

was toestopte. Wanneer de blinde bedelaar aan den maaltijd bij het

vuur zat, smolt de was, en Lazarillo hield zijn mond voor het gat,

en dronk van den wijn. Zijn meester was woedend en verbaasd toen hij

bemerkte, dat de drank verdwenen was en hij schreef die verdwijning

toe aan toovenarij. Maar toen zijn pupil een volgend keer het kunstje

herhaalde, pakte de stevige oude bedelaar met beide handen de kruik

vast, en sloeg hem er zoo hevig mede op het hoofd, dat zij brak, en de

jongen ernstig gewond werd. Van dien dag af koesterde Lazarillo een

wrok tegen den blinden ouden dwingeland, en hij wreekte zich, door

hem langs de slechtste wegen en over de modderigste paden te leiden.

Lazarillo besloot een dienst te verlaten, waar hij wel schoppen maar

geen geld kreeg, en dus bracht hij zijn meester naar de Arcade van

Escalona, waarlangs een snelle beek vloeide. Wanneer men deze wilde

oversteken, moest men òf springen, òf er tot den nek doorwaden. De

bedelaar koos de eerste methode. De slimme Lazarillo zeide hem,

dat het smalste gedeelte tegenover een grooten steenen pilaar was,

en de ongelukkige bedelaar ging een paar schreden achteruit om een

aanloop te kunnen nemen, en sprong toen met zulk een kracht over de

beek, dat hij tegen den pilaar vloog, en bewusteloos neerviel. Met

een triomfkreet holde Lazarillo weg, en nooit zag hij den blinde weer.

Zijn volgende meester was een priester, en hoe ongelukkig zijne

ondervindingen met den bedelaar ook waren geweest, zij waren niets

in vergelijking met wat hij nu te verdragen had. Want de vrome

man was boven alle beschrijving gierig en liet hem schandelijk

hongerlijden. Hij bewaarde zijn brood in een groote houten kist,

en toen de priester afwezig was, liet Lazarillo door een reizenden

ketellapper een valschen sleutel er op maken, zoodat hij zich dagelijks

kon te goed doen, totdat de gierige meester het tekort opmerkte. De

priester dacht, dat de ratten hem bestalen, en omdat er verscheidene

gaten in de kist waren, stopte hij deze zorgvuldig met kleine stukjes

hout; maar het brood bleef verdwijnen, en daar een der buren een

slang gezien had in de woning van den priester, kwam hij tot de

conclusie, dat die de boosdoener was. Om niet ontdekt te worden,

sliep Lazarillo met den sleutel van de kist in zijn mond; maar op

zekeren nacht maakte hij bij het ademhalen een fluitend geluid op de

opening van dit instrument, en de oude priester, die dacht, dat het

het gesis van een slang was, gaf zulk een hevigen slag in de richting

vanwaar het geluid kwam, dat hij Lazarillo voor geruimen tijd kreupel

maakte. Toen de jongen hersteld was, nam de oude priester hem bij de

hand, bracht hem naar buiten, en zeide: »Lazarillo, mijn zoon, gij hebt

groote natuurlijke gaven: gij zijt werkelijk veel te knap voor zulk

een oud man als ik ben, en ik wensch je nooit terug te zien. Vaarwel!«

Lazarillo vond spoedig een nieuwen meester, die een voornaam en

beschaafd man scheen. Maar hij bemerkte, dat hij nog ellendiger

bezeild was dan vroeger, want al was zijn meester een deftig heer,

hij bezat geen cent in de wereld, en hij was voor zijn dagelijksch

brood volkomen afhankelijk van hetgeen de jongen kon loskrijgen van

weldadige menschen. Op zekeren dag vroeg de waard om betaling, en de

heer vertrok, volgens zijn zeggen om geld van zijn bankier te halen;

maar hij keerde nooit terug, zoodat de ongelukkige deugniet weer

zonder meester was.

Toen kwam hij onder de goede zorgen van een verkooper van aflaten,

die van stad tot stad trok. Op een dezer reizen bevonden zij

zich in een herberg, waar zijn meester vriendschap sloot met een

alguazil of konstabel. Op een keer hielden de vrienden tot laat in

den nacht te zamen een drinkgelag, dat met een twist eindigde. En

toen de priester den volgenden dag een inleidende preek hield om

zijn waren aan te prijzen, trad de alguazil binnen en beschuldigde

hem van bedrog. De verkooper van aflaten bad onder groot vertoon van

vroomheid, dat de hemelsche machten zouden oordeelen en den alguazil

straffen, en deze viel onder hevige stuiptrekkingen ter aarde. Enkele

kerkbezoekers smeekten den monnik, dat hij zijn invloed zou gebruiken,

opdat de toorn des hemels den verrader minder zwaar zou treffen, en

de vrome man daalde van de preekstoel, en legde een bul, die hij,

naar hij zeide, van den Paus had ontvangen, op het voorhoofd van

den lijder. De man stond oogenblikkelijk quasi genezen op, en de

gemeente was zoozeer overtuigd, dat er een wonder was geschied, dat

zij den geheelen voorraad van den priester opkocht. Maar de slimme

Lazarillo begreep dadelijk, dat het een opgezette vertooning van het

tweetal was geweest. De laatste meester, dien Lazarillo kreeg, was de

Aartspriester van Salvador, in wiens dienst het hem uitstekend ging;

hij huwde een van diens dienstmaagden, maar zij bracht schande over

zijn huis, en bij den dood zijner vrouw was hij armer dan ooit.

Hier eindigt het verhaal. Het is onmogelijk in zulk een korte

schets, recht te doen wedervaren aan de groote mate van kennis van

het menschelijk hart, die uit dit kleine werk spreekt. Lazarillo de

Tormes was de voorlooper van de geheele school van Schelmen-romans,

die in lateren tijd het type van de Spaansche geestesvoortbrengselen

werd, en waaruit meesterwerken als Guzman de Alfarache, de Gil Blas van

Le Sage en de verhalen van Scarron voortkwamen, die denzelfden geest

ademen als de boeken van den Engelschen schrijver Laurence Sterne;

en nog steeds is de invloed van dit roman-type duidelijk merkbaar in

sommige werken van Maurice Hewlett en Jeffery Farnol.

Legenden en Romances van Spanje · 第 154 / 165 题