HET TWEEDE DEEL VAN DON QUIXOTE.

Wij kunnen uit de groote tijdsruimte, die Cervantes liet verloopen

tusschen het eerste en het tweede deel van zijn beroemden roman,

opmaken, hoe zorgvuldig hij ervoor waakte, dat niet een minderwaardig

vervolg zijn welverdiende reputatie zou bederven; en de romanschrijver

van dezen tijd, die zich door de sensatielust van het publiek, en zijn

eigen ijdelheid laat verleiden tot veelschrijverij, zou in dit opzicht

wel eens een voorbeeld mogen nemen aan hem. Er wordt dikwijls beweerd,

dat de moderne schrijver bij de heerschende letterkundige toestanden

den tijd mist, dien hij noodig zou hebben voor een goed overdachten

opzet, een zorgvuldig ontwikkelde techniek, en een zuiveren stijl. Dit

is helaas maar al te waar! De hedendaagsche schrijver, die succes

heeft, kan zich de luxe niet permiteeren tien maanden, laat staan

tien jaren te laten verloopen tusschen zijne verschillende werken,

en het is waarschijnlijk te danken aan de koortsachtige haast,

waarmede men tegenwoordig arbeidt, dat het vervolg op een goeden

roman zoo menigmaal een groote teleurstelling brengt. Onze eeuw is

waarlijk geen eeuw van fijnproevers. Wij eten, drinken en lezen

nagenoeg alles, wat ons wordt voorgezet, en al mopperen wij een

beetje over de kwaliteit van het gebodene, wij gevoelen zeer goed,

dat klachten geen verandering kunnen brengen in de omstandigheden,

die de oorzaak zijn van het verval der letterkunde. Het Spanje uit

de dagen van Cervantes was vrij wat kritischer; het zou geen slecht

of slordig gestijleerde werken hebben verdragen, maar er waren toch

elementen voorhanden, die dikwijls de publicatie van een volgend

boekdeel verhaastten, en de voornaamste reden van dit ongewenschte

verschijnsel was ongetwijfeld letterkundige diefstal. Het schijnt,

dat Cervantes aangespoord werd tot het uitgeven van het tweede

deel van Don Quixote, door de verschijning in 1614 van een boek van

Alonso Fernández de Avellaneda, dat een minderwaardig vervolg was

op het eerste deel van zijn groot werk, en welks inleiding allerlei

onbeschaamdheden van persoonlijken aard bevatten. Dat Cervantes zeer

verstoord was over dezen letterkundigen diefstal blijkt wel uit het

feit, dat hij al zijn ander werk liet liggen om zich geheel te geven

aan het beëindigen van Don Quixote.

De laatste hoofdstukken van Don Quixote moest hij haastig afmaken,

omdat zijn mededinger zijn plan gestolen had; en zoo was hij niet

alleen gedwongen, het geheel om te werken, maar ook, het zoo spoedig

mogelijk af te maken. Maar niettegenstaande dezen tegenspoed is een

belangrijk gedeelte van het tweede boek waarlijk grootsch. Don Quixote

moge hierin minder vermakelijk zijn, hij is veel diepzinniger geworden,

en Sancho Panza wordt steeds verstandiger en helderder van oordeel. Ook

de andere karakters zijn scherper geteekend dan in het eerste deel. Het

vervolg van Don Quixote is inderdaad een groote spiegel, waarin de

Spaansche maatschappij uit de dagen van Cervantes weerkaatst wordt

door middel van een wonderbaar genie. Het geweldige succes van het

werk moet wel de grootste voldoening zijn geweest voor den stervenden

schrijver, en zal hem stellig hebben getroost voor de teleurstellingen

van een leven, dat werd doorgebracht in ballingschap en armoede.

Legenden en Romances van Spanje · 第 153 / 165 题