Korten tijd daarna kocht de afvallige een schip, dat groot genoeg
was om ruim dertig personen te bergen, en waarmee hij, volgens zijn
zeggen, van plan was, verscheiden reizen te maken met een Moorschen
deelgenoot, dien hij genomen had om argwaan te vermijden. Telkens
wanneer hij langs de kust voer, wierp hij het anker uit in een kleine
baai, dicht bij het huis, waar Zoraida woonde, opdat de bedienden
gewend zouden raken aan zijn aanwezigheid daar. Hij landde zelfs bij
verschillende gelegenheden bij het huis en verzocht Zoraida's vader
om vruchten, die hem nooit geweigerd werden, want de oude Moor was
zeer vrijgevig. Maar het gelukte hem nooit Zoraida zelf te spreken
te krijgen. Wij waren met onze plannen nu zoo ver gevorderd, dat hij
ons vroeg een dag vast te stellen, waarop wij de groote onderneming,
waarvan alles afhing, zouden wagen. Ik nam dus twaalf Spanjaarden in
dienst, die bekend waren als goede roeiers, en wier gangen niet al te
nauwkeurig werden nagegaan. Wij hadden afgesproken, dat wij in het
geheim de stad zouden verlaten in den avond van den eerstvolgenden
Vrijdag, en dat wij elkander dan zouden ontmoeten dicht bij het huis
van Agimorato. Maar het was noodig, dat Zoraida zelf ook in kennis
werd gesteld met ons plan, en dus betrad ik op zekeren dag haar tuin,
onder het voorwendsel, dat ik eenige kruiden wilde plukken. Maar bijna
op hetzelfde oogenblik ontmoette ik haar vader, die mij vroeg, wat
ik daar deed. Ik vertelde hem, dat ik een slaaf was van Arnaut Mami,
(van wien het mij bekend was, dat hij met hem bevriend was,) en dat ik
eenige kruiden noodig had voor een salade. Terwijl wij spraken kwam
Zoraida uit het tuinhuis, en daar het de gewoonte was, dat Moorsche
vrouwen zich vertoonden aan Christenslaven, riep haar vader haar tot
zich. Zij was buitengewoon kostbaar gekleed, en droeg een overvloed
van juweelen, en toen ik haar zoo voor het eerst aanschouwde, was ik
getroffen door haar groote schoonheid. Haar vader vertelde haar de
reden van mijn aanwezigheid, en zij vroeg mij, of ik spoedig losgekocht
zou worden. Gebruik makende van de lingua franca, vertelde ik haar,
dat ik reeds vrij was, en dat ik van plan was, mij den volgenden dag
op een Fransch vaartuig in te schepen.
Op hetzelfde oogenblik werd de Moor voor zaken weggeroepen, en ik
deelde Zoraida haastig mede, dat ik haar den volgenden dag zou komen
halen. Zij sloeg dadelijk hare armen om mij heen, en leidde mij naar
het huis; maar haar vader, die juist terug kwam, bespiedde ons; en
kwam hevig verschrikt op ons af. Oogenblikkelijk wendde Zoraida een
bezwijming voor, en zij vertelde Agimorato dat zij zich plotseling
onwel gevoeld had. Ik gaf haar aan haar vader over, en zij gingen
het huis binnen.
Den volgenden avond scheepten wij ons in, en lieten het anker vallen
tegenover Zoraida's woning. Toen de duisternis was ingevallen, betraden
wij onverschrokken den tuin, en daar wij de voordeur van het huis open
vonden, begaven wij ons naar de binnenplaats. Zoraida trad ons dadelijk
tegemoet met een kleinen koffer vol kostbaarheden, en zij vertelde ons,
dat haar vader sliep. Maar het ongeluk wilde, dat wij hem door een
onwillekeurig geluid, wekten, en hij kwam aan een venster, luidkeels
roepende: Dieven, dieven! Christenen, Christenen! De afvallige vloog
dadelijk naar boven en bond hem vast, en wij droegen vader en dochter
aan boord. Ook namen wij de enkele Mooren gevangen, die zich op het
schip bevonden, waarna wij de riemen grepen, en zeewaarts voeren.
Eerst trachtten wij Majorca te bereiken, maar er stak een hevige
wind op; wij werden naar de kust gedreven, en waren zeer bevreesd,
dat wij een der groote kruisers zouden ontmoeten, die zich in de
buurt bevonden. Ik haastte mij, Agimorato te verzekeren, dat wij hem
bij de eerstkomende gelegenheid zijn vrijheid zouden hergeven, en ik
vertelde hem, dat zijn dochter Christin geworden was, en de rest van
haar leven in een Christelijk land wilde doorbrengen. Toen de oude
man dit hoorde, scheen het, alsof hij plotseling waanzinnig geworden
was. Hij stond op, en wierp zich in zee, en het gelukte ons slechts
met de grootste moeite, hem te redden. Korten tijd daarna liepen wij
een kleine baai binnen, waar wij Agimorato aan wal zetten. Nooit zal
ik de vervloekingen vergeten, waarmede hij zijn dochter overlaadde;
maar toen wij wegzeilden, vervulde hij de lucht met zijn geklaag,
en hij smeekte haar, terug te keeren. Maar zij verborg het gelaat in
de handen, en bad de Heilige Maagd, hem te behoeden.
Wij waren nog niet ver van de kust verwijderd, toen de maan verduisterd
werd, en bijna waren wij in botsing gekomen met een groot vaartuig,
waarvan men ons in het Fransch toeriep, bij te draaien. Daar wij
bemerkten, dat het een Fransch zeerooverschip was, gaven wij geen
antwoord, maar voeren zoo snel mogelijk verder, waarop de bemanning
een boot uitzette, ons schip enterde, en ons aan boord sleepte;
Zoraida werd van al hare juweelen beroofd, en wij werden in het ruim
van het schip geworpen. Toen wij den volgenden morgen de Spaansche kust
bereikten, zetten zij ons in hun sloep, met twee kruiken water en een
kleine hoeveelheid beschuiten, en de kapitein gaf in een opwelling
van medelijden de bekoorlijke Zoraida bij het afscheid ongeveer
veertig gouden kronen. Wij roeiden in de morgenschemering verder,
en kwamen eenige uren later aan land. Nadat wij verscheidene mijlen
geloopen hadden, ontmoetten wij een herder, die bij het zien van onze
Moorsche kleederen, wegliep en alarm maakte. Niet lang daarna zagen
wij een troep ruiters naderen, onder wie toevallig een bloedverwant
van een onzer makkers was. Zij namen ons bij zich op hunne paarden,
en spoedig bereikten wij de stad Velez Malaga. Daar begaven wij ons
regelrecht naar de kerk, om God te danken voor de groote genade, die
Hij ons betoond had, en daar zag en herkende Zoraida voor de eerste
maal de Heilige Maagd.
»Met een gedeelte van het geld, dat Zoraida van den zeeroover
gekregen had, kocht ik een ezel, en ik besloot te gaan onderzoeken,
of mijn vader en broeders nog in leven waren. Dit is, edele heeren, het
geheele verhaal van mijne ondervindingen«. Nauwelijks had de ontvluchte
gevangene uitgesproken, of een schitterende koets hield voor de herberg
stil. Een kostbaar gekleede heer en dame stapten uit, en traden de
posada binnen, waar Don Quixote hun met groote hoffelijkheid tegemoet
trad. De Christen vluchteling herkende in den heer zijn broeder,
die nu rechter was aan het Hof van Mexico. Deze begroette hem recht
hartelijk, en stelde hem de dame voor als zijn dochter. De man, die
zooveel ondervonden had, besloot met zijn Moorsche bruid naar Sevilla
terug te keeren, waar zij hun vader alles konden mededeelen, wat hun
overkomen was. Tevens zou die oude man dan getuige kunnen zijn van den
doop en het huwelijk van Zoraida; de grande verklaarde zich bereid voor
haar toekomst en die van zijn zwaar beproefden broeder zorg te dragen.