DE GESCHIEDENIS VAN DEN GEVANGENE.

Een van de merkwaardigste verhalen uit de geschiedenis van Don Quixote

is dat van den gevangene, dien de held in een herberg ontmoet. Dit

verhaal is misschien niet een volkomen getrouw verslag van Cervantes'

eigen gevangenschap onder de Moorsche zeeroovers, maar het is er toch

zeker door geïnspireerd.

Op den 26en September 1575 werd het vaartuig Sol, waarop Cervantes

als vrijwilliger diende in de buurt van Marseille, gescheiden van het

overige gedeelte van het Spaansche eskadron en ontmoette een vloot van

Moorsche zeeroovers, wien het na een wanhopigen tegenstand in handen

viel. Cervantes zelf werd als slaaf verkocht aan een zekeren Dali Mami,

een Grieksch afvallige, die op zijn gevangene eenige zeer vleiende

brieven vond van Aartshertog Johan van Oostenrijk en den Hertog van

Sessa. De aard dezer brieven deed zijn nieuwen meester vermoeden,

dat Cervantes een persoon van gewicht was, en dat hij waarschijnlijk

wel in staat zou zijn, een hoogen losprijs te betalen. Maar hoewel

de grooten der aarde dikwijls zeer gaarne bereid zijn, het genie te

beloonen met welsprekende getuigschriften, die hun niets kosten dan

wat papier en inkt, zijn zij meestal volstrekt niet zoo vlug met het

neertellen van groote sommen gelds, om hunne lofspraken meer klem bij

te zetten, zoodat Cervantes in gevangenschap moest blijven zuchten. In

1576 gelukte het hem, met andere gevangenen te vluchten. Maar hun

Moorsche gids bedroog hen, en zij waren door den honger gedwongen,

naar Algiers terug te keeren. Het volgend jaar werd de broeder van

Cervantes bevrijd, en deze rustte een schip uit, om Miguel en zijne

vrienden te ontvoeren. Intusschen had de schrijver van Don Quixote

vriendschap gesloten met een Spaansch afvallige, een Navarreeschen

tuinman, Juan genaamd. Samen groeven zij in een tuin, die dicht bij de

zee gelegen was, een hol, en daarin verborgen zij één voor één veertien

Christenslaven, die gedurende verscheidene maanden in het geheim gevoed

werden, geholpen door een anderen heiden, El Dorador genaamd. Het

vaartuig, dat door Rodrigo de Cervantes gezonden was, lag bij de kust,

en was op het punt de slaven, die in het hol verborgen waren, op te

nemen, toen een Moorsche visschersboot voorbij voer, die de bevrijders

zoodanig verschrikte, dat zij weer zee moesten kiezen. Intusschen

had de valsche El Dorador het plan verraden aan Hassan Pasha, den

Dey van Algiers, en toen verscheidenen der bevrijders ten tweeden

male landden, om de vluchtelingen aan boord te nemen, omsingelden de

troepen van den Dey den tuin, en het geheele gezelschap Christenen

werd gevangen genomen. Cervantes nam, met de groote edelmoedigheid,

die zijn geheele leven kenmerkte, de volle verantwoordelijkheid voor

de samenzwering op zich. Toen hij gebonden voor Hassan gesleept werd,

volhardde hij in zijn verklaring; en ofschoon de ongelukkige tuinman

opgehangen werd, besloot Hassan Cervantes te sparen. Om een reden, die

slechts hemzelf bekend was, kocht Hassan den dichter voor vijfhonderd

kronen van Dali Mami. Misschien verwachtte de tiran een geweldigen

losprijs van iemand, wiens waardig optreden zeker niet heeft nagelaten,

indruk op hem te maken. Maar hoe het zij, Cervantes begon dadelijk

een derde plan tot ontvluchting te smeden. Hij zond een brief aan

den Spaanschen Gouverneur van Oran, wien hij om hulp vroeg. Maar deze

brief werd onderschept, en de dichter werd tot tweeduizend stokslagen

veroordeeld, die hij echter nooit heeft gekregen. Cervantes kwam toen

op het denkbeeld, de Christenbevolking van Algiers over te halen tot

een opstand, waarbij zij zich zouden meester maken van de stad. Bij dit

plan werd hij ondersteund door eenige kooplieden uit Valencia. Maar

zijn opzet werd verijdeld door het verraad van een Dominikaner

monnik, en de Valenciërs, die de gevolgen voor zich vreesden, smeekten

Cervantes te vluchten op een schip, dat op het punt stond, naar Spanje

te vertrekken. Maar Cervantes weigerde zijne vrienden in den steek te

laten, en toen hij nogmaals voor Hassan gesleept werd, met het koord

van den beul om den nek, en men hem dreigde met een onmiddellijken

dood, indien hij de namen zijner medeplichtigen niet wilde noemen,

was hij evenmin te bewegen, hen te verraden.

Intusschen stelde zijn familie alles in het werk om hem te bevrijden;

en om medelijden op te wekken, met het doel, den losprijs gemakkelijker

bijeen te brengen, gaf zijn moeder zich uit voor een weduwe, ofschoon

haar echtgenoot, een hoog bejaard geneesheer, nog in leven was. Met

geweldige moeite verzamelden zijne verwanten tweehonderdvijftig

dukaten, die zij uitbetaalden aan een monnik, die geregeld naar

Algiers ging; maar Hassan weigerde dit aan te nemen, daar hij voor

een gevangene van hoogen rang, Palafox genaamd, duizend dukaten

eischte. Het schijnt, dat de monnik als officieel tusschenpersoon

optrad, en toen Hassan bemerkte, dat hij niet meer dan vijfhonderd

dukaten voor Palafox betalen wilde, bood hij aan, Cervantes vrij

te laten voor deze som, bij wijze van koopje. Op deze wijze werd de

schrijver van Don Quixote, na vijf jaren van slavernij in vrijheid

gesteld, en hij keerde naar zijn vaderland terug. Maar zoodra de

Dominikaner monnik, die het ontvluchtingsplan aan Hassan verraden

had, hoorde, dat hij in Spanje geland was, begon hij, bevreesd, dat

Cervantes hem wegens verraad zou aanklagen, valsche berichten over

zijn levenswandel te verspreiden. Cervantes was echter volkomen in

staat, deze berichten tegen te spreken, en zijn heldenmoed als leider

der gevangenen vond algemeene erkenning. Deze geschiedenis, waarvoor

Cervantes het twijfelachtige voorrecht had, persoonlijk de »lokale

kleur« te hebben kunnen verzamelen, wordt Don Quixote verteld door

een ontvluchten slaaf, die met zijn Moorsche geliefde in de herberg

aankwam, waar de Ridder van de Droevige Figuur verblijf hield. Ik

zal mij houden aan den verhaaltrant van Cervantes, die in de eerste

persoon spreekt. Maar daar dit verhaal een belangrijk stuk van het

eerste deel van zijn beroemd boek inneemt, ben ik wel genoodzaakt,

het aanmerkelijk te bekorten.

»Mijn familie stamt uit de bergen van Leon, en ofschoon mijn vader

een flink inkomen had, was hij weinig overlegzaam geweest, en mijne

broeders en ik waren reeds op jeugdigen leeftijd gedwongen, ons

fortuin te zoeken. Een van mijne broeders besloot naar Indië te gaan,

de jongste werd priester, en ik wilde soldaat worden. Met duizend

dukaten in mijn zak, reisde ik naar Alicante, waar ik mij inscheepte

naar Genua. Vandaar trok ik naar Milaan, waar ik mij bij het leger

van den machtigen Hertog van Alva voegde, onder wien ik in Vlaanderen

diende. Eenigen tijd nadat ik in dat land was gekomen, hoorde ik,

dat Paus Pius I een verbond met Spanje had gesloten tegen de Turken,

die juist het eiland Cyprus op de Venetianen veroverd hadden. Toen ik

vernam, dat aan Aartshertog Johan v. Oostenrijk de leiding van deze

onderneming was opgedragen, keerde ik naar Italië terug, en nam ik

dienst in zijn leger; ik nam deel aan den grooten slag van Lepanto,

bij welke gelegenheid de fabel van onoverwinnelijkheid der Turken,

die zoolang de Christenen misleid had, een einde vond. Maar inplaats

van te kunnen bijdragen tot deze overwinning, was ik zoo ongelukkig

gevangen genomen te worden bij het gevecht. Nadat Rehali, de vermetele

zeeroover en Koning van Algiers, de galei Capitana van Malta genomen

had, kwam het schip van Andrea Doria, waarop ik dienst deed, de

bemanning te hulp. Ik sprong aan boord van het vijandelijk vaartuig,

dat er echter in slaagde, zich los te maken van de enterhaken, die men

uitgeworpen had en ik was in een oogenblik omringd door vijanden, die

mij overmeesterden. Ik werd naar Constantinopel gevoerd, en kwam als

slaaf op de veroverde Capitana te Navarino. Daar ik mijn vader niet

wilde vragen een losprijs voor mij te verzamelen, zond ik hem geen

bericht over mijne omstandigheden. Toen mijn meester Vehali stierf,

kwam ik in handen van een Venetiaansch afvallige, Azanaga genaamd, die

naar Algiers voer, waar ik in de gevangenis werd gezet. Daar men dacht,

dat er wel een losprijs voor mij zou worden betaald, zetten de Mooren

mij in een bagnio, en werd ik niet gedwongen tot arbeiden zooals die

gevangenen voor wie geen hoop op vrijheid bestond. Op de binnenplaats

der gevangenis zagen de vensters uit van het huis van een rijken Moor,

en op zekeren dag, toen ik daar rondliep, verscheen er uit één dier

vensters een lange stok, waaraan een linnen zak was gebonden. Deze

zak werd heen en weer bewogen, alsof men verwachtte, dat iemand haar

grijpen zou, en een van ons ging er dadelijk onder staan om te wachten

totdat de stok weer zou dalen. Maar juist toen hij hem grijpen wilde,

werd de stok weer omhoog getrokken en zijwaarts heen en weer bewogen,

als bij een ontkenning. Een tweede mijner makkers trad naar voren,

maar had evenmin succes. Dit ziende, besloot ik mijn geluk ook eens te

beproeven, en toen ik onder den stok kwam, viel hij voor mijne voeten

op den grond. Ik maakte de lap los, en vond er ongeveer tien gouden

munten, zoogenaamde zianins, in gebonden. Ik nam het geld, brak den

stok, en keek naar boven, waar ik een blanke hand zag, die haastig

het venster sloot. Korten tijd daarna vertoonde men uit hetzelfde

venster een klein houten kruis, en hieruit maakten wij op, dat een

of andere Christenvrouw in dat huis gevangen gehouden werd. Maar de

blankheid van de hand en de kostbaarheid der armbanden brachten ons

op het denkbeeld, dat wij misschien te doen hadden met een Christen

jonkvrouw, die tot den Mohammedaanschen godsdienst was overgegaan.

Gedurende de eerstvolgende weken kregen wij geen verdere bewijzen

van de aanwezigheid der jonkvrouw, ofschoon wij nauwkeurig op het

venster letten; maar wij vernamen, dat het huis behoorde aan een

hooggeplaatsten Moor, Agimorato geheeten. Maar na ruim veertien dagen

verscheen de stok opnieuw, en dit keer bevatte de linnen zak niet

minder dan veertig kronen van Spaansch goud, met een brief in Arabische

letters, waarboven een groot kruis geteekend was. Maar geen van ons

verstond Arabisch, en het was niet gemakkelijk iemand te vinden,

die den brief voor ons vertalen kon. Eindelijk besloot ik een Moor

uit Murcia in mijn vertrouwen te nemen, die mij reeds vele bewijzen

van zijn goede gezindheid had geschonken. Hij was bereid den brief

voor mij te vertalen, en zoo hoorde ik, dat de inhoud als volgt luidde:

»Als kind had ik een Christenvoedster, die mij veel over uw godsdienst

leerde, voornamelijk van Lela Marien, die gij de Maagd noemt. Toen

mijn goede slavin gestorven was, verscheen zij mij in den droom,

en beval mij, naar het land der Christenen te gaan, om de Maagd te

leeren kennen, die mij zeer genegen was. Ik heb vanuit dit venster vele

Christenen gezien, maar in geen hunner had ik dat groote vertrouwen,

dat ik in u heb. Ik ben jong en schoon, en beschik over veel geld

en andere kostbaarheden. Ik smeek u, overweeg de mogelijkheid met

mij te vluchten, en wanneer wij in uw vaderland zijn aangekomen,

zult gij mijn echtgenoot worden, wanneer gij dat begeert. Maar indien

gij dit niet wenscht, zijt gij geheel vrij, want de Maagd zal mij wel

een echtgenoot schenken. Spreek geen enkelen Moor over dezen brief,

want zij zijn allen onbetrouwbaar«.

De heiden, wien ik den brief ter vertaling had gegeven, beloofde,

dat hij ons naar zijne beste krachten helpen zou, wanneer wij zouden

trachten te vluchten; en in ons aller hart werd de hoop weer levendig,

want wij begrepen, dat de invloed en de geldmiddelen der jonkvrouw,

die vriendschap voor mij had opgevat, ons van groot nut zouden

kunnen zijn bij onze pogingen tot ontvluchting. Ik dicteerde den

afvallige een antwoord, dat hij in het Arabisch vertaalde, zoodat

ik in de gelegenheid was, de jonkvrouw mijne diensten en die mijner

makkers aan te bieden, en haar op mijn woord van Christen beloofde,

haar te zullen huwen. Spoedig daarna werd de stok weer uit het venster

neergelaten. Ik bevestigde er den brief aan, waarna hij weder omhoog

werd gehaald. Dien nacht beraadslaagden wij gevangenen, over de beste

wijze tot ontvluchten, en eindelijk besloten wij het antwoord van

Zoraida (wij hadden ontdekt, dat dit de naam der jonkvrouw was) af te

wachten, daar wij ervan overtuigd waren, dat niemand beter dan zij ons

zou kunnen raden. Gedurende eenige dagen was het bagnio vol menschen,

en al dien tijd bleef de stok onzichtbaar; maar toen wij wederom aan

onszelf waren overgelaten, werd hij weder uit het raam gestoken,

en dit keer bevatte de zak een brief en honderd gouden kronen. De

afvallige vertaalde den brief voor ons, waarin ons werd medegedeeld,

dat de schrijfster wel is waar geen ontvluchtingsplan kon beramen, maar

dat zij ons voldoende geld kon verschaffen voor onzen losprijs. Zij

opperde het plan, dat, wanneer wij zóó onze vrijheid herkregen hadden,

één van ons naar Spanje zou gaan, daar een schip zou koopen, en de

anderen zou komen halen. Zij eindigde met de mededeeling, dat zij

binnenkort met haar vader naar buiten zou vertrekken, en dat zij den

geheelen zomer in een landhuis in de nabijheid der zee zou wonen,

en zij gaf een nauwkeurige beschrijving van de ligging en omgeving

van dit zomerverblijf.

Elk onzer verklaarde zich bereid naar Spanje te gaan voor den aankoop

van het schip, dat de anderen bevrijden zou; maar de afvallige, die

in dit opzicht een man van ondervinding was, verzette zich hiertegen,

want hij had teveel van zulke ondernemingen zien mislukken, doordat

men op een enkelen persoon vertrouwd had. Hij bood dus aan een schip

in Algiers te koopen; dan zou hij zich als koopman voordoen, en op deze

wijze zou het hem mogelijk zijn, ons uit het bagnio en het vijandelijk

land weg te voeren. Intusschen antwoordde ik Zoraida, dat wij allen

haar raad zouden opvolgen, en hierop gaf zij ons door middel van

den stok, nogmaals tweeduizend gouden kronen. Hiervan gaven wij den

afvallige vijfhonderd kronen om een schip te koopen, en door de goede

diensten van een koopman uit Valencia verkreeg ik mijn vrijheid voor

achthonderd kronen. Maar op raad van dezen koopman werd die som niet

dadelijk aan den Dey uitbetaald, opdat zijn argwaan niet gewekt zou

worden; wij deelden hem dus mede, dat het geld binnenkort uit Spanje

zou worden gezonden, en intusschen kreeg ik, op mijn eerewoord, verlof,

in het huis van den Valenciaanschen koopman te blijven. Voordat Zoraida

naar het buitenverblijf haars vaders vertrok, gaf zij ons nog duizend

kronen; deze gift was vergezeld van een brief, waarin zij ons vertelde,

dat zij de sleutels van haar vaders schatkamer in bewaring had;

en ditmaal nam ik maatregelen, om drie mijner makkers los te koopen.

Legenden en Romances van Spanje · 第 150 / 165 题