HET LEGER VAN SCHAPEN.

Maar het vermakelijkste van alle avonturen van Don Quixote is zeker

wel dat, waarin hij een kudde schapen aanziet voor een leger. Hij en

Sancho reden op een sukkeldrafje over een kale vlakte, toen zij op

eenigen afstand een dichte stofwolk zagen.

»De dag is gekomen,« riep de ridder uit, »de gelukkige dag, dien

de fortuin mij heeft beschoren, waarop de kracht van mijn arm mij

zulke overwinningen zal bezorgen, dat het verre nageslacht er nog

van spreken zal. Ziet gij daarginds die stofwolk? Weet dan, dat deze

wordt opgejaagd door een reusachtig leger, dat hierheen komt, en dat

bestaat uit een onnoemelijk aantal volkeren.«

De hersenen van den dwazen ridder waren natuurlijk volgepropt met

verhalen van allerlei merkwaardige gevechten van myriaden heidenen,

verhalen, waarvan, zooals wij gezien hebben, de oude romances zoo

dikwijls gewag maken, en hij was verrukt, toen Sancho hem er op

opmerkzaam maakte, dat twee verschillende legers van tegenovergestelde

kanten schenen te naderen.

»Mooi zoo«, riep Don Quixote, »dan zullen wij den zwaksten troep

helpen. Gij moet weten, Sancho, dat het leger, dat ons tegemoet komt,

wordt aangevoerd door den grooten Alifanfaron, Keizer van het Eiland

Taprobana. De bevelhebber van het leger, dat achter ons optrekt, is

zijn gezworen vijand, Pentapolin van de Opgestroopte Mouw, de Koning

der Garamanten.«

»Zeg eens, Heer,« vroeg Sancho, »wat is de reden van de vijandschap

tusschen die twee hooge vorsten?«

»Dat is in twee woorden gezegd«, antwoordde Don Quixote, »de heiden

Alifanfaron heeft de onbeschaamdheid gehad naar de hand te dingen

van de dochter van Pentapolin, die hem gezegd heeft, dat hij niets

van hem weten wil, tenzij hij zijn valsch geloof afzweert.«

»Wanneer er een gevecht op handen is«, zeide Sancho zenuwachtig,

»zal ik mijn ezel maar buiten schot brengen, want ik vrees, dat hij

niet veel waard is in den strijd«.

»Dat is waar«, antwoordde Don Quixote. »Zoodra de ridders uit

hunne zadels beginnen te vallen, zullen wij een strijdros voor u

uitzoeken. Maar laten wij hunne gelederen eens nagaan. Die ridder

met de vergulde wapenen en het schild, waarop een gekleurde leeuw aan

de voeten eener jonkvrouw ligt, is de dappere Luarcalco, Heer van de

Zilveren Brug. Ginds ziet gij den machtigen Micocolembo, den grooten

Hertog van Quiracië, die een wapenrusting draagt, bedekt met gouden

bloemen. De reusachtige gestalte aan zijn rechterkant is de vermetele

Brandabarbaran, de vorst van de Drie Arabië's, wiens wapenrusting

gemaakt is uit slangenhuid, en die als schild de poort van den tempel

draagt, dien Samson verwoest heeft in zijn stervensuur. Maar onze

bondgenooten komen ook naderbij. Ginds loopt Timonel van Carcaxona,

Prins van Nieuw Biskaje, die op zijn schild een goudkleurige kat in een

rood veld draagt, met het motto »Miauw«. Naast hem rijdt Espartafilardo

van het Woud, wiens blauw schild overdekt is met aspergeplanten. Maar

de heidenen dringen op. Rechts ziet gij een afdeeling van hen, die

uit den vriendelijken stroom Xanthus drinken; daar rijden de ruwe

bergbewoners van Massilia, daar achter de gouddelvers van Arabia

Felix, de verraderlijke Mundiërs, de boogschutters van Perzië, de

Meden en de Parthen, die vluchtende vechten, de zwervende Arabieren

en de zwarte Aethiopiërs«.

»Bij mijn ziel«, riep Sancho uit, »stellig zijn uwe toovenaars weer

aan den gang, want geen enkelen ridder, reus of soldaat zie ik,

van al die menschen, die gij opnoemt«.

»Stommeling!« riep Don Quixote uit, »luister dan naar het gehinnik

der ontelbare paarden, het trompetgeschal en het tromgeroffel.«

»Dat moet toovenarij zijn,« riep de verbaasde Sancho uit, »want ik

hoor niets dan het geblaat van schapen«.

»Verberg u dan, wanneer gij den strijd vreest,« antwoordde Don Quixote

schamper. »Mijn eigen arm is mij genoeg om de overwinning te brengen

aan het leger, dat ik met mijn hulp zal vereeren;« en met een luiden

strijdkreet zwaaide hij zijn lans, en wierp hij zich als een razende

in het veld, roepende: »Moed, dappere ridders! Dood aan den grooten

ongeloovige Alifanfaron van Taprobana!« Op hetzelfde oogenblik was

hij midden tusschen de schapen, links en rechts slagen uitdeelende, en

met elken lansstoot een dier doorborende. De hevig vertoornde herders

grepen hunne slingers, en begonnen op hem te mikken met steenen, zoo

groot als hun vuist. Maar vol verachting voor deze lichte artillerie,

bleef hij verwenschingen richten tot Alifanfaron, met wien hij zich

verbeeldde handgemeen te zijn, toen een steen, zoo groot als een

groote appel, zijne ribben trof. Daar hij meende levensgevaarlijk

gewond te zijn, haalde hij de aarden flesch te voorschijn, die zijn

toovermedicijn bevatte; maar juist toen hij die naar de lippen bracht,

werd hij geraakt door een steen uit den slinger van een der herders,

en zij werd totaal verbrijzeld; daarenboven brak de steen drie

zijner tanden, en wierp hij den ridder uit het zadel. De herders,

die bevreesd waren, dat zij hem gedood hadden, raapten vlug de doode

schapen op en maakten zich uit de voeten, Don Quixote meer dood dan

levend achterlatende.

Legenden en Romances van Spanje · 第 147 / 165 题