DE HELM VAN MAMBRINO.

Niet minder merkwaardig is het verhaal van Cervantes, hoe Don Quixote

er in slaagde, in het bezit te komen van den helm van Mambrino. Hij

zag in de verte een ruiter, die op het hoofd iets droeg, dat als goud

schitterde. Hij wendde zich tot Sancho, en zeide: »zie, ginds komt hij,

die op het hoofd den helm van Mambrino draagt, en ik heb gezworen,

dat ik dien bezitten zal.«

»In werkelijkheid,« zegt Cervantes, »was het echter als volgt:

Er waren in dat gedeelte van het land twee dorpen, waarvan het

ééne zóó klein was, dat er zelfs geen winkel of barbier te vinden

was, zoodat de barbier van het grootste dorp, ook het kleinste

bediende. En toen nu iemand adergelaten, en een ander geschoren moest

worden, ging de barbier daarheen, waar men hem noodig had, met zijn

koperen scheerbekken, dat hij omgekeerd op het hoofd had gezet om

zijn hoed te sparen, want deze was nieuw, en het regende; en daar

het bekken juist gepoetst was, kon men het op verren afstand zien

glinsteren. Zooals Sancho goed gezien had, bereed hij een ezel, dien

Don Quixote natuurlijk voor een appelschimmel aanzag, zooals hij den

barbier voor een ridder hield, en het koperen bekken voor een gouden

helm; want in zijn verward brein paste zich elk voorwerp aan bij zijne

romantische ideeën. Toen hij dus den armen denkbeeldigen ridder zag

naderen, greep hij zijn lans of werpspies, en zonder stil te houden

om zijn niets kwaads vermoedenden tegenstander toe te spreken, reed

hij zoo woest op hem toe, als Rozinante hem dragen wilde, vastbesloten

hem te doorboren, onderwijl luidkeels roepende: »Schurk, ellendeling,

verdedig u, of geef mij oogenblikkelijk mijn rechtmatig bezit over.«

De barbier, die deze vreeselijke verschijning zoo woedend op zich

zag afkomen, en die in doodsangst verkeerde, dat de lans van Don

Quixote hem zou doorsteken, liet zich haastig van zijn ezel op den

grond glijden, stond snel weer op, en liep weg, zoo vlug als zijne

voeten hem dragen konden, zijn ezel en scheerbekken achter latende.

»Bij mijn ziel,« zeide Don Quixote, »de heiden, die dezen helm

heeft achtergelaten, is even voorzichtig geweest als de bever, die,

bemerkende, dat men hem op de hielen zit, zijn leven redt, door met

de tanden datgene af te snijden, waarvan zijn natuurlijk instinct hem

zegt, dat het de aanleiding is tot de vervolging.« »In ieder geval

is het een prachtig scheerbekken,« zeide Sancho, »en minstens acht

stuivers waard.«

Don Quixote zette het dadelijk op zijn hoofd, maar hij kon het visier

niet vinden, en toen hij bemerkte, dat het er geen had, zeide hij:

»Stellig had de heiden, voor wien de helm oorspronkelijk gemaakt

werd, een reusachtig hoofd, maar helaas ontbreekt een gedeelte van

het hoofddeksel.«

Hierop barstte Sancho in lachen uit.

»Ik denk«, vervolgde Don Quixote, »dat deze betooverde helm door een

of ander toeval in handen is gekomen van iemand, die uit geldzucht,

en ziende, dat hij van zuiver goud is, de ééne helft gesmolten heeft,

en van de andere een hoofddeksel heeft gemaakt, dat, zooals gij

terecht opmerkt, eenige overeenkomst vertoont met een scheerbekken«.

Legenden en Romances van Spanje · 第 148 / 165 题