De ware aard van Don Quixote komt misschien het best uit in dat
hoofdstuk, waarin verteld wordt, wat hem overkwam in de herberg, die
hij voor een kasteel aanzag. Het schijnt een doodgewone Spaansche
posada te zijn geweest. De waard en waardin waren vriendelijke
menschen, die door den ridder verheven werden tot slotheer en
slotvrouwe, en in de slordige dienstmaagd, die onsterfelijk is
geworden onder den naam van Maritornes, zag hij een dame van hoogen
rang, die bij hem woonde. Na het gruwelijke pak ransel, dat hij
van de Yangueesche paardenkoopers had gekregen, was de ongelukkige
ridder dankbaar, zijne pijnlijke ledematen te kunnen uitstrekken
in een armelijke zolderkamer, terwijl Sancho de herbergbezoekers
een beschrijving gaf van het leven van een dolenden ridder en de
wisselvalligheden van zijn bestaan, dat hem den éénen dag dwong tot
het ondergaan van een ellende, zooals de Don nu doormaakte, en hem
een volgenden dag verhief tot heerscher over vele keizerrijken. Deze
uitleggingen werden bijgewoond door den Ridder van de Droevige Figuur
in eigen persoon, die vanuit zijn bed de waardin en haar dienstmaagd
onthaalde op een toespraak in zulke verheven bewoordingen, dat zij in
de grootste bewondering voor zulk een welsprekendheid, hem beschouwden
als iemand uit een hoogere wereld. Maar Don Quixote, die ernaar
verlangde, van zijne verwondingen te genezen, droeg zijn knecht op,
den »heer van het kasteel« te verzoeken, hem eenige bestanddeelen
van een tooverdrank te verschaffen, waarvan hij in een of ander
ridderboek gelezen had; en Don Quixote begaf zich aan het werk, om
het toovermiddel te brouwen, terwijl hij vele credo's en paternosters
opzegde. Daarna dronk hij een flinke hoeveelheid van het afschuwelijke
vocht, hetgeen treurige gevolgen had, en Sancho, die zijn voorbeeld
volgde, ondervond dezelfde narigheid in nog heviger mate, en kreeg
van zijn meester te hooren, dat het middel hem niet goed bekomen was,
omdat hij niet tot ridder geslagen was.
Nadat hij zijn paard gezadeld had, wilde de ridder zijn reis vervolgen;
maar voordat hij wegreed, verzekerde hij den »heer Gouverneur van
het Kasteel«, hoe buitengewoon erkentelijk hij hem was voor de
eerbetuigingen, die hij onder zijn dak ontvangen had. De herbergier
waagde de opmerking, dat hij zijn rekening nog betalen moest, maar Don
Quixote antwoordde, dat hij dat onmogelijk kon doen, daar hij nooit
gelezen had, dat het de gewoonte van dolende ridders was, voor kost
en inwoning te betalen. De waard protesteerde hevig, waarop de ridder
Rozinante de sporen gaf, en de poort uitreed. Toen trachtte de waard
zijn geld los te krijgen van Sancho Panza, maar zonder succes, daar de
schildknaap met dezelfde beweringen aankwam als zijn meester, waarop
eenige gasten hem beetpakten en hem in een beddelaken jonasten. Toen
Don Quixote hem hoorde schreeuwen, keerde hij terug, maar ofschoon
hij hevig opspeelde, gingen de reizigers voort, Sancho te jonassen,
totdat zij eindelijk, door vermoeidheid gedwongen, ophielden en hem
lieten loopen.