HOOFDSTUK XIII: HUMORISTISCHE SPAANSCHE ROMANCES.

Cervantes' »Don Quixote«.

Cervantes was een van de grootste satiristen, die de wereld heeft

voortgebracht, een man, die begaafd was met een fijn en merkwaardig

gevoel voor het belachelijke. Hijzelf zou de eerste geweest zijn,

die gelachen zou hebben om die moderne critici, die in hem een groot

dichter zagen, en inderdaad heeft hij op het eind van zijn leven,

toen hij zijn voornaamste werk, het humoristische heldengedicht De reis

naar den Parnassus, schreef, verklaard, dat hij de gave der dichtkunst

miste. Dat hij een merkwaardige fantasie had is wel duidelijk voor

iedereen, die de moeite neemt zijn Galatea te lezen, en Don Quixote

vloeit over van zeldzame vondsten en schitterenden geest, ofschoon

latere bladzijden van deze satire wel sterk herinneren aan sommige

stukken uit het eerste gedeelte.

Ik persoonlijk heb Don Quixote altijd een van de boeiendste en

merkwaardigste boeken gevonden, die ooit geschreven zijn; maar

waarschijnlijk om geheel andere redenen dan die het meerendeel van

het publiek voor zijn voorliefde voor dit werk heeft. Want voor

mij ligt de groote bekoring van het verhaal in het inzicht, dat

het ons geeft in de romantische literatuur en in de gewoonten van

dien tijd. Wanneer de spot gewettigd is, vermaakt hij mij kostelijk,

maar dikwijls voel ik er een onwaardigen beeldenstorm in, en heb ik

den indruk, dat zijn scherpe kritiek niet slechts gericht is op de

overdreven en belachelijke uitingen der ridderlijkheid, maar tegen den

geheelen geest en het karakter van de romance. Cervantes zou er wèl bij

gevaren zijn, wanneer hij zich uitsluitend gehouden had aan de satire;

want wanneer hij zich aan dat gedeelte der literatuur waagt, dat hij

met voorliefde belachelijk maakt, wordt hij dikwijls sentimenteeler

dan de zoetsappigste schrijvers, tegen wie hij te velde pleegt te

trekken. Zijne herders en herderinnen en zijne weggeloopen nonnetjes,

zijn lang van stof en ingebeeld, en hij was sterk beïnvloed door het

vervelende Arcadische tijdperk in de Europeesche letterkunde, dat zijn

hoogtepunt bereikte in het herdersverhaal met zijn onnatuurlijkheid

en zijn atmosfeer van nagebootsten landelijken eenvoud. Sannazaro was

met zijn Arcadia inderdaad het voorbeeld geweest, dat Cervantes langen

tijd volgde, totdat zijn eigen gezond verstand hem de minderwaardigheid

liet zien van de modellen, die hij nabootste.

De schrijver van de Pastor de Filida Luiz Galvez de Montalva, was zijn

intieme vriend, en het staat vast, dat deze een scherpe kritiek leverde

op minderwaardige rijmelaars, zooals Hebrao en Alonso Perez. Het werk

van hen, die deze school van pseudo-Arcadianisme vormden, had niets

van de bekoorlijkheid der schilderijtjes van Watteau of Fragonard,

hoe onnatuurlijk hunne herders en herderinnetjes in zijden en satijnen

kleederen ook mochten zijn. Het landschap van de Spaansche pastorale

had coulissen van bordpapier, en kunstmatige bliksemstralen schoten

over het tooneel. Het was bevolkt met onuitstaanbaar saaie wezens, die

inplaats van het werk te doen, waarvoor zij betaald werden, elkander,

en den rampzaligen reiziger, die het ongeluk had hen te ontmoeten,

gruwelijk verveelden met hun verliefd gejammer en eindelooze verhalen

over hun liefdessmart. Het was dan ook niet te verwonderen, dat het

aangeboren gezond verstand van Cervantes later in opstand kwam tegen

dezen onwaardigen en onmannelijken onzin. Maar toch is het merkwaardig,

dat hij, ondanks zijn scherpe kritiek van de ridderromance, een zwak

bleef behouden voor de dwaasheden van Arcadië, waarvan hij zich nooit

geheel heeft kunnen losmaken.

De omstandigheden des levens waren stellig van grooten invloed op

de denkbeelden van Cervantes. In zijn kwaliteit van ontvanger der

belastingen kwam hij dikwijls in aanraking met den schaduwkant van

het leven, en hij bracht een groot gedeelte van zijn tijd door in de

ongedwongen atmosfeer der herbergen, waar hij verblijf moest houden om

een hem toegewezen district te bewerken. Onder deze omstandigheden en

op deze plaatsen ontmoette hij mannen en vrouwen van vleesch en bloed,

en maakte hij kennis met de harde werkelijkheid. Zulk een ondervinding

is ongetwijfeld van groot nut voor iemand met een romantischen en

fantastischen aard en dichtersgaven. De omstandigheden temperen zijn

natuurlijken aanleg en verruimen zijn blik.

Bij zijn eerste ambtelijke reizen zal Cervantes stellig zijne

reisgenooten in de posadas, waar hij zijne tenten had opgeslagen,

hebben onthaald op hoogdravende verhalen van dolende herders

en rondtrekkende herderinnen. Wij kunnen ons gemakkelijk een

voorstelling maken van de wijze, waarop deze zoetsappige verhalen

ontvangen werden door den ruwen ezeldrijver, den eenvoudigen soldaat

en den marskramer. De kritiek van zulke menschen is niet slechts ruw,

zij is vernietigend. Is het een wonder, dat het gelach, waarmede

zijne eerste geestesproducten ontvangen werden door dit publiek,

de fantastische spinnewebben van de hersenen van Cervantes wegvaagde?

Ik heb er reeds op gewezen, dat in den tijd, waarin hij leefde, de

eigenlijke romance niet meer in de gunst van het volk stond. Dit was

gedeeltelijk het gevolg van de veranderde verhoudingen, en gedeeltelijk

van de opkomst van het Spaansche drama, dat van grooten invloed was

geweest op den smaak en het letterkundig ideaal van de bevolking. Zou

het niet mogelijk kunnen zijn, dat Cervantes, toen hij zag, dat zijne

toehoorders zijne verhalen van het Arcadische type niet bewonderden,

dit toeschreef aan de omstandigheid, dat deze eigenlijk thuis hoorden

bij de hoogere standen, en dat hij zich toen bepaalde tot de romance,

waarbij hij de droevige ondervinding opdeed, dat deze eveneens met

hoongelach begroet werd door de herbergbezoekers? Ligt het niet voor

de hand, dat te midden van de spotternijen zijner toehoorders, die zoo

in alles verschilden van de romantische personen, van wie hij gedroomd

had, het denkbeeld van Don Quixote bij hem geboren werd, en dat hij,

onder het gelach der boerenkinkels en ruwe werklieden leerde begrijpen,

dat een caricatuur van de ridderschap meer in den smaak zou vallen

bij dit publiek? Mij lijkt dit tenminste zeer waarschijnlijk toe.

Gedurende vele jaren had men groote minachting getoond voor de

onnatuurlijke ridderromance. Ernstige en degelijke schrijvers

waren ertegen te velde getrokken, en het staat vast, dat zij voor

een gedeelte van het Spaansche volk een beletsel vormde voor een

gezonde, geestelijke ontwikkeling. Zij had inderdaad verwarring

gesticht in de hoofden van dat gedeelte der bevolking, dat niet

gewoon was voor zichzelf te denken, en dat niet in staat was te

oordeelen over de fouten van een gedicht. In alle landen en in alle

tijden wordt deze groep van menschen aangetroffen, die bijzonder

gemakkelijk te beïnvloeden zijn en in bewondering komen voor de

prulligste sensatieverhalen. Het is geen overdrijving, wanneer wij

zeggen, dat in deze uiting van een ongezonde literatuur, een groot

gevaar schuilt voor de geestesgesteldheid van een volk. Zij leidt de

menschen af van hunne plichten, maakt hen ongeschikt voor ernstig werk,

maakt hen veeleischend inplaats van onafhankelijk, en brengt hen er

toe te gelooven, dat zij dezelfde deugden en gebreken hebben als de

onnatuurlijke helden en heldinnen uit hunne dierbaarste verhalen. Het

eenige wapen, dat het meer verstandige gedeelte der menschheid kan

gebruiken tegen zulk een verderfelijken toestand, is gezonde spot. Maar

het gevaar bestaat, dat bij het in opstand komen van de gevoelens van

het publiek tegen deze letterkundige buitensporigheden, niet alleen

de onzin verdwijnen zal, waardoor de onnadenkenden op een dwaalspoor

gebracht, en de verstandigen geërgerd werden, maar dat de deugden

en bekoorlijkheden, waarvan die dwaasheden de weerspiegeling zijn,

niet bewaard zullen blijven, maar tegelijkertijd zullen worden

vernietigd. Dit was tenminste het lot, dat de grootere romances

ondergingen, deze paarlen van menschelijke verbeelding, die ondanks

de reddingspogingen van iemand als Cervantes, bedolven werden bij

den ondergang der fantasie, van welke plant zij de bloesem waren;

totdat de smaak en het beter inzicht van een lateren tijd haar weder

opgroeven uit de zware aardlaag, waaronder zij begraven lagen.

Legenden en Romances van Spanje · 第 143 / 165 题