Cervantes' »Don Quixote«.
Cervantes was een van de grootste satiristen, die de wereld heeft
voortgebracht, een man, die begaafd was met een fijn en merkwaardig
gevoel voor het belachelijke. Hijzelf zou de eerste geweest zijn,
die gelachen zou hebben om die moderne critici, die in hem een groot
dichter zagen, en inderdaad heeft hij op het eind van zijn leven,
toen hij zijn voornaamste werk, het humoristische heldengedicht De reis
naar den Parnassus, schreef, verklaard, dat hij de gave der dichtkunst
miste. Dat hij een merkwaardige fantasie had is wel duidelijk voor
iedereen, die de moeite neemt zijn Galatea te lezen, en Don Quixote
vloeit over van zeldzame vondsten en schitterenden geest, ofschoon
latere bladzijden van deze satire wel sterk herinneren aan sommige
stukken uit het eerste gedeelte.
Ik persoonlijk heb Don Quixote altijd een van de boeiendste en
merkwaardigste boeken gevonden, die ooit geschreven zijn; maar
waarschijnlijk om geheel andere redenen dan die het meerendeel van
het publiek voor zijn voorliefde voor dit werk heeft. Want voor
mij ligt de groote bekoring van het verhaal in het inzicht, dat
het ons geeft in de romantische literatuur en in de gewoonten van
dien tijd. Wanneer de spot gewettigd is, vermaakt hij mij kostelijk,
maar dikwijls voel ik er een onwaardigen beeldenstorm in, en heb ik
den indruk, dat zijn scherpe kritiek niet slechts gericht is op de
overdreven en belachelijke uitingen der ridderlijkheid, maar tegen den
geheelen geest en het karakter van de romance. Cervantes zou er wèl bij
gevaren zijn, wanneer hij zich uitsluitend gehouden had aan de satire;
want wanneer hij zich aan dat gedeelte der literatuur waagt, dat hij
met voorliefde belachelijk maakt, wordt hij dikwijls sentimenteeler
dan de zoetsappigste schrijvers, tegen wie hij te velde pleegt te
trekken. Zijne herders en herderinnen en zijne weggeloopen nonnetjes,
zijn lang van stof en ingebeeld, en hij was sterk beïnvloed door het
vervelende Arcadische tijdperk in de Europeesche letterkunde, dat zijn
hoogtepunt bereikte in het herdersverhaal met zijn onnatuurlijkheid
en zijn atmosfeer van nagebootsten landelijken eenvoud. Sannazaro was
met zijn Arcadia inderdaad het voorbeeld geweest, dat Cervantes langen
tijd volgde, totdat zijn eigen gezond verstand hem de minderwaardigheid
liet zien van de modellen, die hij nabootste.
De schrijver van de Pastor de Filida Luiz Galvez de Montalva, was zijn
intieme vriend, en het staat vast, dat deze een scherpe kritiek leverde
op minderwaardige rijmelaars, zooals Hebrao en Alonso Perez. Het werk
van hen, die deze school van pseudo-Arcadianisme vormden, had niets
van de bekoorlijkheid der schilderijtjes van Watteau of Fragonard,
hoe onnatuurlijk hunne herders en herderinnetjes in zijden en satijnen
kleederen ook mochten zijn. Het landschap van de Spaansche pastorale
had coulissen van bordpapier, en kunstmatige bliksemstralen schoten
over het tooneel. Het was bevolkt met onuitstaanbaar saaie wezens, die
inplaats van het werk te doen, waarvoor zij betaald werden, elkander,
en den rampzaligen reiziger, die het ongeluk had hen te ontmoeten,
gruwelijk verveelden met hun verliefd gejammer en eindelooze verhalen
over hun liefdessmart. Het was dan ook niet te verwonderen, dat het
aangeboren gezond verstand van Cervantes later in opstand kwam tegen
dezen onwaardigen en onmannelijken onzin. Maar toch is het merkwaardig,
dat hij, ondanks zijn scherpe kritiek van de ridderromance, een zwak
bleef behouden voor de dwaasheden van Arcadië, waarvan hij zich nooit
geheel heeft kunnen losmaken.
De omstandigheden des levens waren stellig van grooten invloed op
de denkbeelden van Cervantes. In zijn kwaliteit van ontvanger der
belastingen kwam hij dikwijls in aanraking met den schaduwkant van
het leven, en hij bracht een groot gedeelte van zijn tijd door in de
ongedwongen atmosfeer der herbergen, waar hij verblijf moest houden om
een hem toegewezen district te bewerken. Onder deze omstandigheden en
op deze plaatsen ontmoette hij mannen en vrouwen van vleesch en bloed,
en maakte hij kennis met de harde werkelijkheid. Zulk een ondervinding
is ongetwijfeld van groot nut voor iemand met een romantischen en
fantastischen aard en dichtersgaven. De omstandigheden temperen zijn
natuurlijken aanleg en verruimen zijn blik.
Bij zijn eerste ambtelijke reizen zal Cervantes stellig zijne
reisgenooten in de posadas, waar hij zijne tenten had opgeslagen,
hebben onthaald op hoogdravende verhalen van dolende herders
en rondtrekkende herderinnen. Wij kunnen ons gemakkelijk een
voorstelling maken van de wijze, waarop deze zoetsappige verhalen
ontvangen werden door den ruwen ezeldrijver, den eenvoudigen soldaat
en den marskramer. De kritiek van zulke menschen is niet slechts ruw,
zij is vernietigend. Is het een wonder, dat het gelach, waarmede
zijne eerste geestesproducten ontvangen werden door dit publiek,
de fantastische spinnewebben van de hersenen van Cervantes wegvaagde?
Ik heb er reeds op gewezen, dat in den tijd, waarin hij leefde, de
eigenlijke romance niet meer in de gunst van het volk stond. Dit was
gedeeltelijk het gevolg van de veranderde verhoudingen, en gedeeltelijk
van de opkomst van het Spaansche drama, dat van grooten invloed was
geweest op den smaak en het letterkundig ideaal van de bevolking. Zou
het niet mogelijk kunnen zijn, dat Cervantes, toen hij zag, dat zijne
toehoorders zijne verhalen van het Arcadische type niet bewonderden,
dit toeschreef aan de omstandigheid, dat deze eigenlijk thuis hoorden
bij de hoogere standen, en dat hij zich toen bepaalde tot de romance,
waarbij hij de droevige ondervinding opdeed, dat deze eveneens met
hoongelach begroet werd door de herbergbezoekers? Ligt het niet voor
de hand, dat te midden van de spotternijen zijner toehoorders, die zoo
in alles verschilden van de romantische personen, van wie hij gedroomd
had, het denkbeeld van Don Quixote bij hem geboren werd, en dat hij,
onder het gelach der boerenkinkels en ruwe werklieden leerde begrijpen,
dat een caricatuur van de ridderschap meer in den smaak zou vallen
bij dit publiek? Mij lijkt dit tenminste zeer waarschijnlijk toe.
Gedurende vele jaren had men groote minachting getoond voor de
onnatuurlijke ridderromance. Ernstige en degelijke schrijvers
waren ertegen te velde getrokken, en het staat vast, dat zij voor
een gedeelte van het Spaansche volk een beletsel vormde voor een
gezonde, geestelijke ontwikkeling. Zij had inderdaad verwarring
gesticht in de hoofden van dat gedeelte der bevolking, dat niet
gewoon was voor zichzelf te denken, en dat niet in staat was te
oordeelen over de fouten van een gedicht. In alle landen en in alle
tijden wordt deze groep van menschen aangetroffen, die bijzonder
gemakkelijk te beïnvloeden zijn en in bewondering komen voor de
prulligste sensatieverhalen. Het is geen overdrijving, wanneer wij
zeggen, dat in deze uiting van een ongezonde literatuur, een groot
gevaar schuilt voor de geestesgesteldheid van een volk. Zij leidt de
menschen af van hunne plichten, maakt hen ongeschikt voor ernstig werk,
maakt hen veeleischend inplaats van onafhankelijk, en brengt hen er
toe te gelooven, dat zij dezelfde deugden en gebreken hebben als de
onnatuurlijke helden en heldinnen uit hunne dierbaarste verhalen. Het
eenige wapen, dat het meer verstandige gedeelte der menschheid kan
gebruiken tegen zulk een verderfelijken toestand, is gezonde spot. Maar
het gevaar bestaat, dat bij het in opstand komen van de gevoelens van
het publiek tegen deze letterkundige buitensporigheden, niet alleen
de onzin verdwijnen zal, waardoor de onnadenkenden op een dwaalspoor
gebracht, en de verstandigen geërgerd werden, maar dat de deugden
en bekoorlijkheden, waarvan die dwaasheden de weerspiegeling zijn,
niet bewaard zullen blijven, maar tegelijkertijd zullen worden
vernietigd. Dit was tenminste het lot, dat de grootere romances
ondergingen, deze paarlen van menschelijke verbeelding, die ondanks
de reddingspogingen van iemand als Cervantes, bedolven werden bij
den ondergang der fantasie, van welke plant zij de bloesem waren;
totdat de smaak en het beter inzicht van een lateren tijd haar weder
opgroeven uit de zware aardlaag, waaronder zij begraven lagen.