Zooals gemakkelijk te begrijpen is, kwam de bijgeloovigheid, een
eigenschap, die in het Spaansche karakter zoo sterk is ontwikkeld,
en die eenigszins binnen de grenzen gehouden werd door de strenge
voorschriften der Heilige Kerk, weer op een ander gebied van het
occultisme te voorschijn. Wij zien bv. het algemeen verspreide geloof
in de macht van de dooden om weer terug te keeren naar het tooneel van
hun vroeger bestaan; en dit bijgeloof wordt goed geïllustreerd door
een griezelig gedeelte van het boeiende en geheimzinnige verhaal van
Goulart, die in zijn Trésor des Histoiris Admirables toont de kunst
van het schilderen van pakkende tooneelen zoo goed te verstaan. Hij
verhaalt ons dan, hoe Juan Vasquez Ayala, en twee andere jonge
Spanjaarden, die op weg waren naar een Fransche universiteit, er niet
in slaagden een geschikt onderkomen te vinden in een of ander dorp,
waar zij den nacht wilden doorbrengen, en hoe zij genoodzaakt waren te
overnachten in een eenzaam huis, waarvan de dorpsbewoners vertelden,
dat het er spookte.
De jongelieden besloten het er op te wagen; zij leenden allerlei
huisraad van verschillende buren, en spraken af, een eventueelen
bovennatuurlijken bezoeker een warme ontvangst te bereiden.
Maar in den eersten nacht van hun verblijf daar, waren zij nauwelijks
ingeslapen, toen zij gewekt werden door een geluid als van rammelende
ketenen, dat uit den kelder van hun tijdelijke woning scheen te komen.
Zonder een zweem van angst, sprong de jonge Ayala uit bed, trok
zijne kleederen aan, en begaf zich naar beneden om te onderzoeken
wat de oorzaak zou kunnen zijn van het rumoer, waardoor hij en zijne
makkers gewekt waren. Hij droeg in de ééne hand een getrokken zwaard,
en in de andere een brandende kaars, en toen hij bij de deur kwam,
die naar de binnenplaats leidde, ontdekte hij een vreeselijk spook,
een griezelig geraamte, dat bij den ingang stond. Het spook, dat hij
onverwachts tegenover zich vond, was beladen met ketenen, die met een
somber en dof geluid rammelden. De jonge student was echter volstrekt
niet verschrikt door dezen aanblik, en hij richtte de punt van zijn
zwaard op het spook, en vroeg den indringer waarom hij zijn rust was
komen verstoren.
De geestverschijning zwaaide met de armen, schudde het hoofd, en
noodigde Ayala door een handbeweging uit, mede te gaan. De student
zeide, dat hij bereid was het spook te volgen, waarop het de trap begon
af te dalen, terwijl het zijne beenen voortsleepte als iemand, wiens
gang belemmerd wordt door ijzeren boeien. Ayala volgde hem onbevreesd,
maar bij het loopen begon zijn kaars plotseling te flikkeren en doofde
zij uit, een omstandigheid, die niet zeer geschikt was om zijn moed
te verhoogen. »Halt!« riep hij het spook toe, »je ziet toch, dat mijn
kaars is uitgegaan! Als je even wachten wilt tot ik haar weer heb
aangestoken, kom ik dadelijk terug.« Hij begaf zich haastig naar de
hal, waar een lamp brandde, en stak zijn kaars weder aan; daarna keerde
hij terug naar de plek, waar hij het spook had achtergelaten. Hij
betrad den tuin, waar hij het spook in de nabijheid van een put zag
staan. Op haar wenken volgde de jonge student de verschijning weder,
maar toen zij een klein eindje hadden afgelegd, was zijn griezelige
begeleider plotseling spoorloos verdwenen.
In de grootste verwarring keerde Ayala naar zijn kamer terug en hij
verzocht zijne makkers, hem naar den tuin te vergezellen. Maar hoe zij
ook zochten, zij konden niets vinden. Den volgenden dag berichtten zij
den alcade van het dorp, wat er dien nacht geschied was; deze liet
den tuin doorzoeken, met dat gevolg, dat er juist beneden de plek,
waar het spook verdwenen was, een geraamte werd opgegraven, dat met
ketenen beladen was. Toen men de overblijfselen een Christelijke
begrafenis bezorgd had, hielden de nachtelijke geluiden plotseling
op; maar het avontuur had de bijgeloovige Spanjaarden zóó hevig
aangegrepen, dat zij hals over kop naar huis terugkeerden, en van
hun voorgenomen reis afzagen.
Dit verhaal is een uitstekend voorbeeld van de typische
spookgeschiedenis in het primitieve stadium. Ik zal er niet verder over
uitweiden, want een boek over Spaansche romances en legenden is niet
de geschikte plaats voor een verhandeling over het occultisme. Maar
wij komen er langzamerhand toe, deze dingen uit een ander oogpunt
te beschouwen dan onze grootvaders uit een materialistisch
tijdperk deden, die met groote minachting alle bovennatuurlijke
verschijnselen voorbijgingen, zonder zich een oogenblik erin te willen
verdiepen. In elk geval behoort de schrijver van dit boek tot hen,
die er in gelooven, en die wenschen dat geloof te behouden, zoodat
de bespiegelingen van iemand, die zóó bevooroordeeld is, niet veel
waarde kunnen hebben.
Torquemada vertelt ons een griezelig verhaal van een zekeren Antonio
Costilla, een Spaansch edelman, die op zekeren dag voor familiezaken op
reis ging. Toen hij verscheidene mijlen had afgelegd, daalde de nacht
plotseling, en hij besloot weer naar huis terug te keeren. Maar tot
zijn grooten spijt kon hij door de duisternis niets onderscheiden,
en daar hij voor zich uit een licht zag branden, stuurde hij zijn
paard in die richting. Hij zag, dat het licht uit een kluizenaarshut
kwam, en nadat hij was afgestegen, trad hij de kleine kapel binnen,
en begon hij te bidden. Toen zijne oogen gewend waren geraakt aan de
duisternis, bemerkte hij, dat hij niet alleen was, want er bevonden
zich in de kapel drie personen, die op den grond lagen, in zwarte
mantels gehuld. Zij spraken geen woord tot hem, maar staarden hem met
woeste, sombere oogen aan. Door een onverklaarbaren angst gedreven,
sprong hij in het zadel, en reed weg. Na korten tijd kwam de maan
te voorschijn, en bij het licht daarvan herkende hij de drie mannen,
die hij nog in de kapel waande, maar die op zwarte paarden een eindje
voor hem uit reden.
Om een ontmoeting met hen te vermijden, sloeg hij een zijweg in,
maar tot zijn ontsteltenis zag hij hen weder eenige passen voor zich
uit. In razende vaart, en steeds voorafgegaan door de mannen, die hij
wilde ontloopen, kwam hij bij zijn eigen huis, waar hij van zijn paard
sprong, en het naar de binnenplaats bracht.... waar hij alweder de
drie mannen in hunne zwarte mantels vond. Hij rende naar binnen en liep
naar de kamer zijner vrouw, luidkeels om hulp roepende. Dadelijk kwam
het geheele gezin aangeloopen, maar ofschoon hij steeds schreeuwde,
dat de drie duivels of spoken naast het rustbed stonden, waarop hij
was neergevallen, kon niemand anders hen zien. Eenige dagen later
stierf de rampzalige Costilla, die tot het laatst toe volhield, dat
drie gestalten hem met vurige oogen aanstaarden en hem met vreeselijke
gebaren bedreigden!
Het is jammer, dat onze kennis van het bovennatuurlijke, dat zich in
Spanje zoo veelvuldig geopenbaard heeft, zoo onvolledig is. Maar de
vrees voor het lot, dat den toovenaar wachtte, leefde sterk in het
volk, en de angst voor de pijnbank en den brandstapel heeft er veel
toe bijgedragen, om de heks, den toovenaar, de fee en het spook uit
Spanje te verbannen.