In de Conde Lucanon, een veertiende-eeuwsche Spaansche verzameling
van verhalen en preeken, waarover wij reeds eerder spraken,
komt een geschiedenis voor over den Deken van Santiago, die naar
Illan, een toovenaar in Toledo, ging, om onderwezen te worden in
de tooverkunst. De toovenaar maakte eenige bezwaren, omdat, zooals
hij zeide, de Deken een invloedrijk man was, die ongetwijfeld in de
toekomst een hooge positie zou bekleeden, en dan waarschijnlijk al
zijne vroegere verplichtingen zou vergeten. De Deken beijverde zich te
verklaren, dat, hoe ver hij het ook in de wereld brengen zou, hij zijne
vroegere vrienden altijd zou gedenken en bijstaan, en dat hij zeker
zijn leeraar in de tooverkunst nooit zou vergeten. De toovenaar nam
genoegen met deze verzekering van den geestelijke, en bracht hem naar
een rustig vertrek, nadat hij eerst zijn huishoudster had opgedragen,
een paar patrijzen voor den avondmaaltijd te koopen, maar deze niet
te braden, voordat zij nadere orders hiervoor zou hebben gekregen.
Toen de Deken en zijn onderwijzer juist aan den arbeid wilden gaan,
werden zij gestoord door een boodschapper, die met een bericht voor
den geestelijke kwam, dat zijn oom, de Aartsbisschop hem aan zijn
sterfbed liet ontbieden. Daar de Deken echter weinig lust had, de juist
begonnen les te onderbreken, maakte hij zich van zijn plicht af. Vier
dagen later verscheen er weer een boodschapper met het bericht, dat de
Aartsbisschop overleden was, en nòg later bracht hij de mededeeling,
dat de Deken gekozen was tot opvolger van zijn oom. Toen Illan
dit hoorde, vroeg hij voor zijn zoon om de vacante betrekking van
Deken. Maar de nieuwe Aartsbisschop gaf den voorkeur aan zijn eigen
broeder, hoewel hij Illan en zijn zoon uitnoodigde om hem naar zijn
Hof te vergezellen. Later werd de begeerde plaats nog eens vacant, en
wederom vroeg de toovenaar er om voor zijn zoon. Maar de Aartsbisschop
wees het verzoek af, en gaf de plaats aan één van zijn ooms.
Twee jaar later werd de Aartsbisschop Kardinaal, en werd hij naar
Rome geroepen, terwijl hem werd toegestaan zijn eigen opvolger in het
Aartsbisdom te kiezen. Wederom werd Illan teleurgesteld. Eindelijk
werd de Kardinaal tot Paus gekozen, en Illan, die hem naar Rome
vergezeld had, herinnerde hem eraan, dat hij dit keer geen enkel
excuus had, om de belofte, die hij hem zoo menig keer gedaan had,
niet te vervullen. De Paus ontstak hierover in woede, en hij
dreigde Illan met de gevangenis en den hongerdood, omdat hij zich
met ketterij en toovenarij had ingelaten. »Ondankbare!« riep de
vertoornde toovenaar uit, »nu gij mij zóó wilt laten verhongeren,
ben ik wel genoodzaakt, de patrijzen te laten opdienen, die ik voor
den avondmaaltijd besteld heb.« Dit zeggende, zwaaide hij zijn
tooverstaf, en riep zijn huishoudster toe, de patrijzen klaar te
maken. Op hetzelfde oogenblik bevond de Deken zich weder in Toledo,
nog altijd als deken van Santiago. Want inderdaad waren de jaren,
die hij als Aartsbisschop, Kardinaal en Paus had doorgebracht,
schijn geweest en zij bestonden slechts in zijn verbeelding, als
een begoocheling van den toovenaar. Dit was het middel, waardoor de
wijze zijn karakter op de proef had gesteld, voordat hij hem zijn
vertrouwen schonk. De geestelijke was zoo verbouwereerd, dat hij
niets kon antwoorden op de verwijten van Illan, die hem wegzond,
zonder hem zelfs van de patrijzen te laten mee-eten.
Op het eerste gezicht lijkt het vreemd, dat juist geneesheeren
en priesters zulk een voorname rol spelen in Spaansche
tooververhalen. Maar de oorzaak hiervan wordt ons duidelijk, wanneer
wij er even aan denken, met welk een wantrouwen de stand der geleerden
beschouwd werd door de ongeletterde en bekrompen menigte. Torquemada
vertelt de geschiedenis van een hem bekenden jongeling, een zeer
bekwamen, jongen man, die later lijfarts werd van Keizer Karel V. Toen
hij te Guadalupe studeerde, en op reis was naar Granada, werd hij
door een als geestelijke gekleeden reiziger, dien hij een kleinen
dienst bewezen had, uitgenoodigd, bij hem achter op zijn paard te
stijgen, opdat hij hem naar de plaats zijner bestemming zou kunnen
brengen. Het paard zag er zielig uit, en scheen niet in staat, het
gewicht van twee stevig gebouwde mannen te torschen, en dus dankte
de student eerst voor het aanbod. Maar de man met het uiterlijk van
den geestelijke drong zóó bij hem aan, dat hij tenslotte toegaf en
zich achter hem in het zadel zette. De ruiter verzocht den student,
niet onder het rijden in slaap te vallen en zij sukkelden verder,
zonder dat hij den indruk had, dat zij bijzonder vlug reden. Maar
bij het aanbreken van den dag, bemerkte de jongeling tot zijn groote
verbazing, dat hij zich dicht bij de stad Granada bevond, en hij nam
afscheid van den ruiter, zich verwonderende over het feit, dat hij
den afstand tusschen twee zoo ver van elkander verwijderde plaatsen
in een enkelen nacht had kunnen afleggen.