MOORSCHE TOOVERKUNST.

Bij geen enkel volk werd de tooverkunst met zulk een ernst bestudeerd

als bij de Mooren in Spanje, en het is daarom des te verwonderlijker,

dat ons slechts aanteekeningen over de desbetreffende werken

bewaard zijn gebleven. De uitspraak, dat zij beroemd waren als

toovenaren en alchemisten, vinden wij telkens door Europeesche

geschiedschrijvers herhaald. Maar de meesten hunner hebben zich niet

nader uitgesproken over hunne praktijken, en de Mooren zelf hebben

zóó weinig betrouwbare gegevens over hun werkwijze achtergelaten,

dat wij hierover betrekkelijk weinig positiefs weten, zoodat wij

onze kennis van dit geheimzinnige onderwerp met veel moeite moeten

verzamelen uit de losse aanteekeningen, die in de hedendaagsche

Europeesche en Arabische letterkunde te vinden zijn.

De eerste bekende naam, dien wij in de verweerde boeken over

Moorsch occultisme vinden, is die van den beroemden Geber, wiens

glansperiode viel in de jaren 720-750, en van wien vermeld staat,

dat hij meer dan vijfhonderd boeken schreef over den steen der

wijzen en het levenselixer. Het blijkt echter, dat hij evenmin als

zijne mede-alchemisten erin geslaagd is, deze wonderbare elementen

te vinden. Maar al is het hem niet gelukt den weg te wijzen naar de

aardsche onsterfelijkheid of onuitputtelijken rijkdom, toch schijnt

hij de menschheid zilvernitraat, sublimaat en salpeterzuur te hebben

geschonken. Hij geloofde, dat een goudpraeparaat alle ziekten moest

genezen, bij dieren zoowel als bij planten, en dat alle metalen in

een toestand van chronisch lijden waren, in zooverre, dat zij hun

oorspronkelijke en natuurlijke gestalte van goud verloren hadden. Zijne

werken, die alle in het Latijn geschreven zijn, worden niet authentiek

geacht, maar zijn Summa Perfectionis, een handboek voor den beoefenaar

der alchemie, is in verscheidene vertalingen verschenen.

De Moorsche alchemisten leerden, dat alle metalen zijn ontstaan

door samenvoeging van kwikzilver en zwavel in verschillende

verhoudingen. Zij werkten dag en nacht om allerlei praeparaten te

krijgen uit de verschillende mengsels en reacties van de weinige

scheikundige stoffen, waarover zij beschikten. Maar ofschoon zij

geloofden in de theorie der verandering der metalen, legden zij er

zich niet praktisch op toe. Het was voor hen meer een geloof, en

zij vertegenwoordigden vóór alles een school van wetenschappelijke

ambachtslieden en praktische onderzoekers. Zij hadden waarschijnlijk

hun alchemistische kennis te danken aan Bysantium, dat op zijn beurt

weer door Egypte was opgevoed in deze wetenschap; het is ook niet

onmogelijk, dat de Arabieren hun wetenschappelijke bezieling regelrecht

uit het land van den Nijl hadden gekregen, waar de »groote kunst«

der alchemie in ieder geval geboren werd.

Legenden en Romances van Spanje · 第 139 / 165 题