DE GESCHIEDENIS VAN DR TORRALVA.

Spanje was ook nog in de zestiende eeuw beroemd om zijne toovenaars,

bij wie nog iets was overgebleven van de occulte wetenschap der

Moorsche dokters van Toledo en Granada. Misschien was wel de beroemdste

van deze betrekkelijk moderne meesters in de tooverkunst Dr. Eugenio

Torralva, de arts van het gezin van den Admiraal van Castilië. Hij

was in Rome opgevoed en had reeds op jeugdigen leeftijd uitgesproken

sceptische neigingen. Hij sloot vriendschap met een zekeren meester

Alfonso, een man, die, nadat hij eerst zijn Joodsch geloof had

verwisseld voor den Islam, overging tot het Christendom, en ten

slotte vrijdenker geworden was. Een tweede ongeschikte kameraad

was een Dominikaner monnik, Broeder Pietro genaamd, die Torralva

vertelde, dat hij een goeden geest in zijn dienst had, Zequiel, die in

de geestenwereld zijn gelijke niet had als ziener, en die bovendien

zulk een edelmoedig karakter had, dat hij slechts hen wilde dienen,

die hem een volkomen vertrouwen gaven, en die zijn hulp en vriendschap

wisten te waardeeren.

Dit alles prikkelde de nieuwsgierigheid van Dr. Torralva in hooge

mate. Hij was één van die, misschien gelukkige menschen, in wie de

liefde voor het geheimzinnige sterk is ontwikkeld en toen Pietro hem

goedgunstig zijn dienenden geest aanbood, nam hij dit aanbod met beide

handen aan. Zequiel zelf had geen bezwaar tegen de verandering van

meester, en toen Pietro hem ontbood, verscheen hij, en verzekerde hij

Torralva, dat hij hem zou dienen zoolang hij leefde, en dat hij bereid

was hem overal te volgen. Er was niets opmerkelijks aan het uiterlijk

van den geest, die een vleeschkleurig gewaad en een zwart overkleed

droeg, en er uitzag als een jonge man met een overvloed van blond haar.

Van dien tijd af verscheen Zequiel bij zijn meester met elke wisseling

van de maan; en bovendien, wanneer de geneesheer hem noodig had,

hetgeen meestal het geval was, wanneer hij in korten tijd naar een

verafgelegen plaats wilde gebracht worden. Somtijds nam de geest de

gestalte aan van een kluizenaar, op andere oogenblikken weder van

een reiziger, en hij vergezelde zijn meester zelfs naar de kerk,

uit welk feit Torralva opmaakte, dat hij een goede en Christelijk

gezinde geest was. Maar Dr. Torralva moest helaas, zooals zoovelen,

ondervinden, dat het bijwonen van een godsdienstige plechtigheid niet

den minsten waarborg geeft voor vroomheid.

Torralva bleef vele jaren in Italië wonen, maar in het jaar 1502 kreeg

hij een sterk verlangen naar zijn vaderland. Hij keerde daarheen terug,

maar schijnt een jaar later Rome toch weer tot zijn hoofdkwartier te

hebben gekozen, waar hij zich onder de bescherming stelde van zijn

ouden patroon, den Bisschop van Volterra, die in dien tijd kardinaal

geworden was. Deze invloedrijke relatie was hem van groot voordeel,

en spoedig was hij dan ook wijd en zijd als geneesheer beroemd. Maar

noch de vrome kardinaal, noch een van de andere voorname patiënten,

die zijn hulp zochten, wist, dat hij feitelijk zijn geheele medische

kennis te danken had aan zijn onzichtbaren knecht, die hem de

geheime kracht leerde van jonge planten, die andere geneesheeren niet

kenden. Zequiel was echter vrij van alle winstbejag, want wanneer

zijn meester de klinkende munten in den zak stak, waarvan geen goed

geneesheer afkeerig is, berispte de geest hem, want, zeide hij,

aangezien de dokter zijn kennis gratis kreeg, behoorde hij haar ook

kosteloos aan te wenden. Wanneer Torralva daarentegen geld noodig had,

vond hij altijd een som in zijn particulier vertrek, en hij wist zonder

dat er over gesproken werd, dat zijn dienaar het daar had neergelegd.

Torralva keerde in 1520 naar Spanje terug, en leefde daar eenigen tijd

aan het Hof van Ferdinand den Katholieke. Op zekeren dag zeide Zequiel

hem in het geheim, dat de Koning binnenkort een zeer onaangename

tijding zou krijgen. Torralva deelde dit bericht oogenblikkelijk

aan Ximenes de Cisneros, Aartsbisschop van Toledo, en aan den Grande

Capitan, Gonzálvo Hernández de Cordova mede. Dienzelfden dag kwam er

een koerier uit Afrika aan met brieven, die de mededeeling voor Zijne

Majesteit bevatten, dat een veldtocht tegen de Mooren mislukt was,

en dat de opperbevelhebber, Don Garcia de Toledo, de zoon van den

Hertog van Alva, gedood werd. Het schijnt, dat Torralva in Rome de

onvoorzichtigheid had gehad, Zequiel voor zijn beschermheer, Kardinaal

Volterra, te laten verschijnen, die, toen hij bemerkte, op welke wijze

zijn protégé de nederlaag van het Spaansche leger »voorspeld« had,

den Aartsbisschop van Toledo inlichtte over de bron, waaruit de dokter

zijn wijsheid putte. Torralva wist hiervan echter niets, en hij ging

voort politieke en andere gebeurtenissen te »voorspellen«, waardoor

hij zich spoedig een groote reputatie als ziener verwierf. Onder hen,

die hem kwamen raadplegen, bevond zich de Kardinaal van Santa Cruz,

tot wien een zekere Donna Rosales zich om raad had gewend, omdat hare

nachten verontrust werden door een afzichtelijk spook, dat zich in de

gestalte van een vermoorden man vertoonde. Haar geneesheer, Morales,

had 's nachts bij de dame gewaakt, maar ofschoon zij de plek, waar

de griezelige verschijning opdook, nauwkeurig had aangewezen, had

hij niets kunnen zien.

Torralva vergezelde Morales naar het huis der dame, en terwijl zij

in een zijvertrek zaten, hoorden zij ongeveer een uur na middernacht

haar angstgeschrei. Zij traden haar vertrek binnen, en weer moest

Morales erkennen, dat hij de verschijning niet zag; maar Torralva,

die beter thuis was in de geestenwereld, ontdekte een gestalte,

gelijkende op een dooden man, en daarachter den wazigen vorm van

een vrouw. »Wat zoekt gij hier?« vroeg hij met luide stem, waarop

het voorste spook antwoordde: »Ik zoek een schat.« Op hetzelfde

oogenblik was de geestverschijning verdwenen. Torralva raadpleegde

Zequiel over het gebeurde, en op zijn aanraden werden de kelders

van het huis opgegraven, bij welke gelegenheid het lijk van een man

te voorschijn kwam, die door dolksteken vermoord was; en nadat men

hem een Christelijke begrafenis had bezorgd, hielden de nachtelijke

bezoeken op.

Onder de intieme vrienden van Torralva was een zekere Don Diego de

Zuñiga, een bloedverwant van den Hertog van Bejar, en een broeder van

Don Antonio, Prior-Overste van de orde van St. Jan in Castilië. Zuñiga

had den geleerden dokter geraadpleegd, hoe hij door toovermiddelen

geld zou kunnen verdienen, en Torralva zeide, dat dit mogelijk zou

zijn, door bepaalde letters op papier te schrijven met het bloed van

een vleermuis inplaats van met inkt. Dit toovermiddel moest hij om

zijn hals dragen, opdat hij aan de speeltafel geluk zou hebben.

In 1520 ging Torralva weer naar Rome. Voordat hij Spanje verliet,

vertelde hij Zuñiga, dat hij in staat was op een bezemsteel daarheen

te rijden, terwijl een wolk van vuur hem den weg zou wijzen. Bij zijn

aankomst te Rome had hij een gesprek met kardinaal Volterra en den

Prior-Overste van de Orde van St. Jan, die er ernstig op aandrongen,

dat hij alle verkeer met zijn dienenden geest zou opgeven. Naar

aanleiding van hunne vermaningen verzocht Torralva Zequiel zijn

dienst te verlaten, maar hij stuitte op heftigen tegenstand. De geest

raadde hem echter aan, naar Spanje terug te keeren, en hij beloofde

hem, dat hij de betrekking van geneesheer bij de Infante Eleanora,

Koningin-Weduwe van Portugal, en de latere echtgenoote van Frans I van

Frankrijk, krijgen zou. Op zijn raad vertrok Torralva wederom naar zijn

geboorteland, en hij kreeg inderdaad de beloofde post. In 1525 gebeurde

er iets, dat Torralva's roem als profeet nog zeer verhoogde. Op den

vijfden Mei van dat jaar, vertelde Zequiel hem, dat het leger van den

Keizer den volgenden dag Rome zou innemen. Torralva beval den geest

hem naar Rome te brengen, opdat hij met eigen oogen deze belangrijke

gebeurtenis zou kunnen aanschouwen. Zequiel gaf hem een knoestigen stok

in de hand, en zeide hem, de oogen te sluiten. Torralvo deed, wat zijn

dienaar hem bevolen had, en toen de geest hem na eenigen tijd zeide de

oogen weder te openen, bevond hij zich in Rome, boven op een hoogen

toren. Het was middernacht toen zij daar aankwamen, en toen het dag

werd, was hij, zooals hij het gewenscht had, getuige van de vreeselijke

gebeurtenissen, die volgden, den dood van den Konstabel van Bourbon,

de vlucht van den Paus naar het Kasteel St. Angelo, den moord op de

inwoners en de drinkgelagen der overwinnaars. Nadat hij op dezelfde

wijze als waarop hij gekomen was, te Valladolid was teruggekeerd,

maakte Torralva oogenblikkelijk alles wat hij gezien had, openbaar;

en toen ongeveer een week later het nieuws van den val van Rome tot

het Hof van Spanje doordrong, was men natuurlijk buitengewoon verbaasd.

Vele personen van hoogen rang waren met den geleerden dokter

betrokken in de beoefening van de zwarte kunst en één van hen,

gekweld door berouw, deelde de Heilige Inquisitie alles mede over

zijne bovennatuurlijke praktijken. Ook Zuñiga, die zooveel voordeel

had getrokken van de occulte wetenschap van Torralva, keerde zich

tegen hem, en lichtte de Heilige Inquisitie van Cuença over hem in,

waarna de dokter gevangen genomen werd. De verschrikte toovenaar

bekende dadelijk zijn geheele verhouding tot Zequiel, dien hij bleef

beschouwen als een goeden geest, en hij schreef in de gevangenis niet

minder dan acht verklaringen over zijne bovennatuurlijke handelingen,

waarin hij zichzelf voortdurend tegensprak. Daar zijne vervolgers niet

tevreden waren met deze bekentenissen, legden zij den ongelukkigen

toovenaar op de pijnbank, en men ontlokte hem dan ook spoedig een

volledige erkenning van den duivelschen aard van zijn dienaar.

In Maart 1529 stelden de Inquisitoren zijn proces voor een jaar uit,

een gebruikelijke methode bij dit lichaam, om de slachtoffers te

temmen. Maar tot grooten schrik van Torralva verscheen er een nieuwe

getuige, die verklaarde, dat de dokter zich ook reeds in zijn jonge

jaren te Rome had bezig gehouden met de occulte wetenschappen, zoodat

Torralva in Januari 1530 opnieuw voor de rechters verschijnen moest. De

Inquisitie wees twee knappe godgeleerden aan, om zijn bekeering

te bewerken, en Torralva beloofde hun, boete te doen voor al zijne

zonden. Slechts wilde hij den dienenden geest niet verzaken, met wien

hij zoolang verbonden was geweest, en hij zeide tot zijne geestelijke

leiders, dat hij niet bij machte was Zequiel te ontslaan. Nadat hij het

eindelijk had laten voorkomen, alsof hij zijn dienaar ontsloeg, en zijn

ketterijen afzwoer, werd hij losgelaten, en trad hij in dienst van den

Admiraal van Castilië, die al zijn invloed gebruikt had om vergeving

voor hem te verkrijgen. Doordat hij in de geschiedenis van Don Quixote

voorkomt, is hij onsterfelijk geworden en is hij voor alle tijden

het type gebleven van den Spaanschen toovenaar der zestiende eeuw.

Legenden en Romances van Spanje · 第 138 / 165 题