HOOFDSTUK XII: VERHALEN OVER SPAANSCHE TOOVENARIJ.

Het schijnt, dat Spanje door de andere landen van West-Europa

beschouwd werd als de bakermat van bijgeloof, toovenarij en hekserij,

waarschijnlijk doordat er zulk een openbaarheid is gegeven aan de

ontdekkingen van de Moorsche alchemisten, de eerste scheikundigen

in Europa. Maar met de opkomst van de Inquisitie werden de occulte

wetenschappen naar den achtergrond gedrongen, want alles, wat

maar in de verte zweemde naar ketterij, werd op de strengste wijze

door deze onverdraagzame instelling onderdrukt. Daardoor zijn vele

volksliederen, die betrekking hadden op hetgeen de Spaansche boeren

geloofden, verloren gegaan, en ook menige boeiende legende is voorgoed

verdwenen. De Broeders hebben in hun zorg voor de zuivering der Kerk

niet alleen de heks, den toovenaar en den boozen geest verbannen,

maar ook de onschuldige fee, de nymphen van bosch en veld, het geheele

gezelschap vertrouwde geesten, die niemand kwaad deden en de huisvrouw

en dienstmaagd tot grooten steun waren.

Het werk, waarin voor het eerst vermeld wordt, dat de overheid van plan

was een veldtocht te ondernemen tegen de geheele wereld der geesten,

goede zoowel als kwade, is van Alfonso de Speria, een Franciscaner

monnik uit Castilië, die in 1458 of 1460 een boek schreef, dat

voornamelijk gericht was tegen ketters en ongeloovigen, en waarin ook

een hoofdstuk gewijd is aan de verschillende vormen van volksgeloof,

die hun oorsprong hadden in oude heidensche gebruiken. Het geloof in

heksen, die hij xurguine (jurguia) of bruxe noemt, schijnt afkomstig

te zijn uit de Dauphiné of Gascogne, waar zij volgens zijn verklaring,

overvloedig voor kwamen. Zij waren, zoo verhaalt hij ons, gewoon, des

nachts in grooten getale bijeen te komen op een hooggelegen vlakte,

elke heks bracht een kaars mede ter eere van Satan, die tot haar

kwam in de gestalte van een wild zwijn, en niet in die van een bok,

in welke gestalte hij meestal bij andere gelegenheden verscheen.

Llorente vertelt in zijn Geschiedenis van de Spaansche Inquistie,

dat de eerste auto-de-fé tegen de toovenarij in 1507 gehouden werd te

Calabarra, bij welke gelegenheid er dertig vrouwen, die beschuldigd

waren van hekserij, verbrand werden. In de eerste verhandeling over

Spaansche toovenarij, van Martinez de Castanaga, een Franciskaner

monnik (1529) vinden wij, dat Navarra beschouwd werd als bakermat

der hekserij, en dat deze provincie vele »zendelingen« naar Aragon

stuurde om daar de vrouwen tot de tooverkunst te bekeeren. Maar

wij lezen ook, dat de Spaansche godgeleerden van de zestiende

eeuw zóóveel verlichter waren dan die van andere landen, dat zij

toegaven, dat hekserij slechts een begoocheling was; en de straf die

zij toedienden aan hen, die er in geloofden, werd gegeven, omdat

deze afdwaling in strijd was met de voorschriften der Kerk. Pedro

de Valentin geeft in een verhandeling over dit onderwerp (1610)

toe, dat de daden, waarvan de heksen beschuldigd werden, slechts

denkbeeldig waren. Hij schreef ze gedeeltelijk toe aan de wijze,

waarop het onderzoek geleid werd, en aan den wensch van het domme

volk, dat ondervraagd werd, straffeloos uit te gaan, door datgene

te verklaren, wat hunne vervolgers blijkbaar wenschten te hooren,

en gedeeltelijk aan de uitwerking van de zalven en drankjes, die zij

moesten gebruiken, en waarin middelen voorkwamen, die slaap verwekten,

en invloed hadden op de verbeelding en de geestelijke vermogens.

Legenden en Romances van Spanje · 第 136 / 165 题