FERNANDO ONTMOET ZIJN DUBBELGANGER.

Fernando vervolgde zijn weg; en de zoo juist beschreven dag moet

beschouwd worden als een voorbeeld van vele andere dagen; drie maanden

lang trok hij door het Moorsche land, bestudeerde er de instellingen

en de menschen met eigen oogen, en verkreeg op deze wijze een juist

inzicht in den volksaard.

Aan het einde van dit tijdperk, had hij zulk een hoogen dunk

gekregen van zijne vroegere vijanden, dat hij met oprecht verdriet

zijne schreden weder noordwaarts richtte naar de grenzen van zijn

eigen rijk. In zijn tegenzin om weer den vaderlandschen bodem te

betreden, besloot hij den nacht door te brengen in een kleine khan

aan de Moorsche zijde der heuvelen. Het was een armoedige herberg,

maar mooi gelegen bij den ingang van een vredig klein dal. Nadat hij

zijn paard had overgegeven aan den witgekaftanden waard, trad hij

binnen. Tot zijn groote verbazing was de eerste, dien hij ontmoette,

een jonge man, die zóó sprekend op hem geleek, dat hij verrast en

verschrikt achteruit week, want er was geen trek in het gelaat van

den vreemde, die niet weerspiegeld was in het zijne. De jonge man

schrikte eveneens, en staarde zijn evenbeeld aan; toen gleed een

glimlach over zijn vriendelijk gelaat, en hij zeide met een lach:

»Ik zie, edele heer, dat gij even verbaasd zijt als ikzelf, maar ik

hoop, dat gij niet vertoornd zijt, dat God ons zoo gelijk geschapen

heeft; want ik heb wel eens gehoord, dat menschen, die veel op elkaar

gelijken, een zeker wantrouwen tegen elkander plegen te hebben.«

»Daar is niet veel kans op, mijn vriend,« zeide Fernando, »want als

God onze geesten zoo gelijk geschapen heeft als onze lichamen, ben ik

ervan overtuigd, dat gij een oprecht en vriendelijk mensch zijt, en,«

voegde hij er lachend bij, op een tafel wijzende, »het spreekt vanzelf,

dat wij het brood samen breken.« »Uitstekend«, riep de ander uit. »Ik

neem uw uitnoodiging met het grootste genoegen van de wereld aan.«

Spoedig nadat zij aan de ruwe tafel hadden plaats genomen, waren zij

in een opgewekt gesprek gewikkeld. En waar zij reeds verrast waren

geweest over hun lichamelijke gelijkenis, waren zij het nog in veel

hoogere mate over de overeenkomst in smaak en karakter. Uren lang

bleven zij met elkander praten. Eindelijk zeide de vreemdeling: »Ik heb

het gevoel, dat wij elkander ons geheele leven gekend hebben, en daar

ik ervan overtuigd ben, dat ik u vertrouwen kan, wil ik u mijn geheim

openbaren. Weet dan, dat ik Muza ben, de Koning van dit land, en dat

ik zoo juist ben teruggekeerd van een langdurig verblijf in het land

der Christenen, wier karakter en levenswijze ik wilde bestudeeren.«

»Ik ben zeer gevleid door de vriendelijkheid en het vertrouwen van Uwe

Majesteit,« antwoordde Fernando, »en gij kunt er van overtuigd zijn,

dat uw geheim veilig bij mij is. Maar mag ik u vragen, wat uw indruk

is van de bewoners van Christelijk Spanje?«

»Ik heb zulk een achting voor hen gekregen,« antwoordde Muza, »dat

ik met den grootsten spijt hun land verlaat, want er heerscht onder

hen een geest, die zooveel meer aan den mijnen verwant is dan die

onder mijne eigen onderdanen, dat ik u de plechtige verzekering geef,

dat ik liever over hen zou regeeren dan over mijn eigen volk.«

»Uw wensch kan vervuld worden, edele Muza,« zeide Fernando opstaande;

»want ik ben Fernando, Koning der Christenen, die gedreven door

eenzelfden wensch als gij, in uw rijk heb omgezworven, en die zulk een

sympathie heb opgevat voor het karakter en de gewoonten van uw volk,

dat ik niets liever wil dan over hen te regeeren. Dat ik werkelijk

degeen ben, voor wien ik mij uitgeef, zult gij aan dit teeken kunnen

zien.« Dit zeggende, haalde hij van onder zijn burnous een gouden

keten te voorschijn, waaraan het koninklijk zegel hing. »Er bestaat

voor zoover ik zien kan, slechts één beletsel voor onze overeenkomst,

en dat is het verschil in godsdienst.«

»Neen Fernando,« zeide Muza met opgeheven handen, »ik zie de

moeilijkheid hiervan niet in, want volgens mijn opvatting, bestaat

het verschil slechts in uiterlijkheden. De innerlijke geest van ons

geloof is dezelfde, en slechts in de uitingen ligt het verschil. Beide

godsdiensten komen van den eenigen God, die ze bestemde voor het

gebruik van rassen, die verschillend van aard zijn; en wanneer gij

dit met mij eens zijt, zult gij moeten toegeven, dat het ons niet

moeilijker zal vallen elkanders godsdiensten aan te nemen dan elkaars

gewoonten.«

»Ik ben het volkomen met u eens,« antwoordde Fernando, maar ik

vrees, dat het ons niet zal gelukken onze respectieve onderdanen te

overtuigen van de eerlijkheid onzer bedoelingen. Zij moeten in geen

geval op de hoogte gebracht worden van onze overeenkomst.«--»De

buitengewone overeenkomst tusschen ons beiden, is er borg voor,

dat ons geheim bewaard blijft; maar het zal noodig zijn, dat wij

elkander eerst inlichten over de geschiedenis van ons volk en over

onze persoonlijke omstandigheden, opdat wij door onwetendheid in dit

opzicht, geen argwaan wekken.«

»Gij spreekt als een wijs man,« zeide Fernando, »laten wij dan maar

dadelijk beginnen.« Tot laat in den nacht zaten de jonge vorsten

bijeen, om elkander in te wijden in de geheimen der diplomatie van

hun land, en in hunne familieomstandigheden; en toen de dag aanbrak,

scheidden zij met alle teekenen van wederzijdsche achting. Zij

bestegen hunne paarden, en reden weg, Fernando naar de hoofdstad van

het Moorsche rijk, Muza naar die van de Christenen. Maar alvorens te

scheiden, spraken zij af, dat zij elkander tenminste eenmaal in de drie

maanden in deze herberg zouden ontmoeten.--Drie maanden vlogen voorbij,

en precies op den afgesproken dag ontmoetten de beide vorsten elkander

ten tweeden male in de herberg. De begroeting was eenigszins gedwongen.

»En hoe gaat het u, edele Muza, in het koninkrijk mijner vaderen«,

vroeg Fernando. »Helaas, uwe Majesteit,« antwoordde Muza, »het spijt

mij, te moeten zeggen, dat het maar matig is. Elken dag komen uwe

ministers met nieuwe plannen aan voor rooftochten in mijn vroeger rijk,

en ik weet niet, hoe ik mij daaronder moet houden; en dan doen zij mij

hevige verwijten over wat zij mijn trouweloosheid noemen«. »Precies

hetzelfde heb ik ondervonden«, zeide Fernando, en mag ik met alle

respect voor het ras, waaruit gij gesproten zijt, zeggen, dat zij

niet te vergelijken zijn, wat beschaving en verstand betreft, met mijn

eigen volk; dat zij vreeselijk behoudend en langzaam van begrip zijn.«

»Ik vind uwe onderdanen daarentegen veel te bewegelijk en onrustig,

en ik ontmoet bij hen niet die volslagen gehoorzaamheid, waaraan

ik tot nu toe gewoon ben geweest. Als ik het eerlijk zeggen mag,

ontbreekt het hun aan waardigheid«.

»Ik vind eenige van mijne persoonlijke omstandigheden ook verre van

aangenaam,« mopperde Fernando; »bv. uwe huwelijksinrichting.«

»En bij u het ontbreken daarvan,« antwoordde Muza.

»Over het geheel geloof ik«, zeide Fernando. »Ik ben het volkomen

met u eens«, antwoordde Muza.

»Als wij de zaak eens in de doofpot stopten«, merkte Fernando op. »Het

is beter voor een mensch, zelfs voor iemand met een ruimen blik,

onder zijn eigen volk te blijven, want hoe breed zijne opvattingen

ook mogen zijn, hij loopt onder vreemdelingen toch altijd kans veel

te ontmoeten, dat zijn vooroordeel versterkt en hem tot onaangename

vergelijkingen dwingt.«

»Ook dit ben ik met u eens,« zeide Muza. »Als eenmaal het nieuwtje

er af is«....

»Juist«, antwoordde Fernando; »ten slotte gaat er toch niets boven

het land, waarin men geboren is.«

Zoo scheidden de beide vorsten, en elk trok zijns weegs. Maar

ondanks alle smeekbeden en dreigementen van hunne ministers was geen

van beiden meer er toe te bewegen invallen in het naburige land te

doen, en er werd zelfs door kwaaddenkende menschen gefluisterd, dat

Fernando en Muza elkander zoo nu en dan bij de gemeenschappelijke

grenzen ontmoetten, om moeilijkheden op te lossen, die tusschen

hunne respectieve staten gerezen waren--een onnatuurlijke toestand,

die volgens hen vroeger of later in een politieke ramp moest eindigen.

Legenden en Romances van Spanje · 第 135 / 165 题