Toen Fernando zich dien avond ter ruste had begeven, maakte hij
de balans van den dag op. Deze menschen schijnen mij buitengewoon
vormelijk en conventioneel toe, dacht hij; maar daar tegenover
staat de luidruchtige babbelachtigheid van de Europeanen, hun
gebrek aan ingetogenheid en hun groote vrijpostigheid. Die Mullah
was vreeselijk lang van stof, maar zijn er onder ons ook niet een
menigte vervelende kerels? Komt het niet in alle werelddeelen voor,
dat iemand door zelfgenoegzaamheid en verwaandheid een schrik voor
zijn omgeving wordt? Ik geloof, dat een groot gedeelte der menschheid
zijne medemenschen slechts nabootst, en dat men maar zelden een sterke
persoonlijkheid aantreft.
Toen Fernando den volgenden morgen was opgestaan, bezocht hij de
groote moskee der stad. Het was voor het eerst, dat hij een Moorsche
kerk betrad, en het viel hem dadelijk op, dat daar eenzelfde stemming
heerschte als in een Christelijke Kathedraal. Er ging ook daar een
gedempt gefluister rond. Hier en daar stond een Mullah of leeraar,
die zijne leerlingen onderwees in de Mohammedaansche wetten en
godsdienstige gebruiken, en Fernando zag dit met groot genoegen, want
zulk een persoonlijk onderwijs in de leerstellingen van het Christelijk
geloof, werd in de kerken van zijn eigen land niet gegeven. Ook kon hij
zijn oogen niet sluiten voor de groote geleerdheid en ontwikkeling van
de redenaars. Deze schenen hem verre de meerderen van de bekrompen
priesters, die in zijn kerk leeraarden, van wie slechts enkelen
schrijven konden. Hij was zeer verbaasd te zien, dat in een vleugel
van de Moskee, die als schrijfkamer was ingericht, zich een aantal
oude en jonge Mullahs bevonden, die aan lessenaars gezeten, vloeiend
schreven, en bezig waren met het copieeren van exemplaren van den
Koran en andere godsdienstige werken.
Toen Fernando de Moskee verlaten had, bracht hij een bezoek aan de
universiteit, waar hij in groote bewondering geraakte voor het rijke
geestelijke leven, dat daar bloeide. In één der kamers was een leeraar,
gekleed in een witten kaftan, bezig een voordracht te houden over de
praktijk der geneeskunde, en hij deed dat met een scherpzinnigheid
en bekwaamheid, als Fernando nooit eerder had aangetroffen. Zijn
kennis van medicijnen en van de eigenschappen van planten en kruiden,
scheen uitgebreid en nauwkeurig te zijn, en toen Fernando dacht aan
de stumperige artsen, door wier onkunde jaarlijks zoovelen zijner
onderdanen ten gronde gingen, voelde hij zich diep beschaamd, dat
deze donkere geleerde vreemdelingen hun in theorie zoowel als in de
praktijk zoo ver vooruit waren. Maar hij was scherpzinnig genoeg om
in te zien, dat de spreker de medische wetenschap beschouwde als
iets, dat in het verleden reeds zijn hoogtepunt bereikt had. Hij
sprak van proefnemingen in den verleden tijd en vermeldde slechts de
groote leermeesters der oudheid: Galenus en Hippocrates, Avicenna en
Rhazes. Wanneer hij toevallig iets zeide van de leermeesters van zijn
eigen tijd, dan geschiedde dit altijd eenigszins geringschattend, en
nooit met een woord van waardeering; de oudheid was alles voor hem,
en de leerstellingen der oude meesters in de medicijnkunst waren hem
in zeker opzicht even heilig als de woorden van den Profeet.
In een schoollokaal, dat aan deze kamer grensde, bleef Fernando
eenigen tijd luisteren naar een leermeester in de astrologie. Deze
oude wetenschap had altijd een bijzondere bekoring voor hem gehad,
en hij was er zich volkomen van bewust, dat de Mooren tot hare groote
beoefenaren behoorden. De spreker beschreef uitvoerig den invloed, dien
de verschillende planeten op het lot van den mensch hadden, hoe haar
onderlinge stand het verloop van het menschelijk leven bepaalde, en hij
behandelde het karakter van personen, die onder bepaalde astrologische
voorwaarden geboren waren. Ook deze wetenschap was volgens den spreker
niet meer voor verdere ontwikkeling vatbaar; en terwijl Fernando
naar hem luisterde zeide zijn gezond verstand hem, dat hij veel
als waarheid hoorde verkondigen, dat absoluut niet wetenschappelijk
bewezen was. Er werd niets verteld van het wezen dezer planeten, niets
feitelijks over de beweging der sterren, of over hun verhouding tot de
aarde. In de aardrijkskunde-klasse heerschte echter een andere geest;
daar werd het onderwijs op moderner wijze gegeven. Er werd gewezen
op de werken van Arabische reizigers die Azië en Afrika doorkruist
hadden; de levensverhoudingen in verre landen werden besproken, en
over het algemeen veel nauwkeuriger dan in de Europeesche scholen,
die hij bezocht had; waar weinig vaststaande feiten geleerd werden,
waar de fantasie een groote rol speelde, en waar veel meer aandacht
geschonken werd aan het buitengewone dan aan het waarschijnlijke.
Nadat Fernando de universiteit verlaten had, waarvan het plein
overstroomd was met leerlingen, die blijkbaar verschillende
wetenschappelijke onderwerpen bespraken, wandelde hij naar het
dichtbevolkte marktplein, waarvan een gedeelte was ingenomen door
verkoopers van manuscripten, en het viel hem dadelijk op, dat
dit gedeelte veel drukker bezocht was dan dat, waar etenswaren en
kleederen verkocht werden. Op de minder drukke plaatsen van de markt,
vertoonden goochelaars en koorddansers, meestal bijgestaan door
gedresseerde beesten, hunne kunsten. Hier en daar twistten kleine
groepen mannen over enkele onduidelijke plaatsen van den Koran, of
van de Mohammedaansche wet, terwijl anderen in schaduwrijke hoeken
terneder zaten onder het genot van verkoelende dranken. In de kramen,
die het marktplein omringden, zag hij allerlei ambachtslieden bezig:
smeden, sandaalmakers, kleermakers, timmerlieden; maar hij merkte op,
dat het werk slechts in een zeer langzaam tempo vorderde, en dat hunne
gereedschappen van een zeer verouderd model waren, in vergelijking
tot die, welke in zijn vaderland gebruikt werden. De hand van den tijd
drukte wel zeer zwaar op het geheele ras. Het scheen op velerlei gebied
de andere volken ver vooruit te zijn, terwijl het in andere opzichten
nog volkomen vast zat aan de oude denkbeelden van het duistere
verleden. Slechts op het gebied der wetenschap was het vooraanstaand,
maar zelfs hierin steunde het geheel op de onderzoekingen van een
oudere generatie. Het was echter eigenaardig, dat Fernando gevoelde,
hoe goed hij dit conservatisme begrijpen kon. Hebben deze menschen
geen gelijk, dacht hij, dat zij zichzelf getrouw blijven? Wanneer
zij een toestand geschapen hebben, die met hunne raseigenschappen
strookt, zou het dan geen dwaasheid zijn, methoden van andere volken
over te nemen, die voor hunne omstandigheden niet deugen? Zij zijn
eenvoudig, gelukkig en tevreden; stel, dat hun plotseling allerlei
werd opgedrongen van wat in mijn rijk gebruikelijk is, zou hun geluk
dan niet verkeeren in ellende? Een langdurige ondervinding heeft hun
waarschijnlijk geleerd, dat hun tegenwoordige levenswijze de meest
geschikte voor hen is. Zou het niet mogelijk kunnen zijn, dat hun
afkeer van ons het gevolg is van het verschil tusschen de gewoonten
en instellingen der beide volken? Maar zou dit verschil misschien
alleen maar aan de oppervlakte liggen? Hunne werkelijke sympathieën
en antipathieën zijn toch eigenlijk dezelfde als de onze. Zij zijn
volkomen afhankelijk van de weersgesteldheid en van den landbouw, wat
hun voedsel betreft; zij leven in voortdurende vrees voor oorlog; hunne
zorgen zijn gelijk aan de onze, zij hebben eenzelfde regeeringsstelsel
als wij. De verschillen berusten eigenlijk alleen maar op plaats en
omstandigheden, en het is voor hen even onmogelijk zich individueel
los te maken uit de sleur der gewoonte als het voor ons Spanjaarden
is. Wij verschillen niet van hen in de wezenlijke dingen van het leven,
maar slechts in oppervlakkige kleinigheden. Hun godsdienst leert, dat
de goeden beloond en de slechten gestraft zullen worden, en dat men
trouw moet zijn in zijn liefde voor vaderland en gezin. Ten slotte
zou elk van deze bruine mannen, wanneer hij in Spanje opgegroeid
was, dezelfde vooroordeelen hebben als ikzelf, en in alle opzichten
zoo aan mij gelijk zijn, dat hij van een gewonen Spanjaard niet te
onderscheiden zou zijn.
Fernando wandelde door een der poorten der stad naar buiten. Het
landschap vertoonde veel overeenkomst met het bouwland van zijn
eigen rijk, maar het was met meer zorg bewerkt. Hier en daar lagen
kleine sneeuwwitte boerenhofsteden in de dalen verborgen, en lange
rijen maaiers en arenlezers verspreidden zich van daaruit in alle
richtingen over de velden, want het was oogsttijd. Fernando voegde
zich bij één van deze groepen, en hij bemerkte tot zijn verwondering,
dat er weinig verschil was tusschen deze menschen en landlieden in
Christelijk Spanje. Zoo nu en dan werd het werk onderbroken, en de
maaiers zetten zich in een kring, en luisterden naar het zwaarmoedige
fluitspel van één hunner. Fernando merkte op, dat zij even eenvoudig
en weinig eischend waren als de boeren van zijn eigen land. Zij
deelden hun brood en kaas met hem, en boden hem een slok geitemelk
aan uit een grooten lederen zak, en het gelukte hem met veel moeite,
deze lekkernij met een benauwd gezicht naar binnen te werken, want
vorsten zijn niet gewoon aan de scherpe geuren van zulk een drank. Na
zich op deze wijze versterkt te hebben, wandelde hij langzaam verder
over de gloeiende velden, zoo nu en dan rustende in de schaduw der
boomen, die langs den weg groeiden.
Hij had misschien 1 1/2 mijl afgelegd, toen hij bij een open vlakte
kwam, waar een troep ruiters militaire oefeningen verrichtte. Hij
volgde de manoeuvres met de belangstelling van den krijgsman, en
zag al dadelijk dat deze licht gewapende soldaten met hunne vlugge
bewegingen verre de meerderen waren van zijne eigen krijgslieden
met hun zware wapenrusting. Op commando zwenkten de eskadrons, en
legden met groote snelheid en verbluffende gelijkheid aan; en toen
het bevel »halt« gegeven werd, gehoorzaamden zij oogenblikkelijk,
zonder den regelmaat hunner rijen te verbreken. De oefeningen van één
der eskadrons brachten het dicht bij de plek, waar de Prins stond,
en de bevelvoerende officier, die hem waarschijnlijk voor een Moorsch
priester hield, groette hem hoffelijk.
»Gij kijkt met zulk een klaarblijkelijk genoegen naar ons, eerwaarde
heer,« zeide hij, »dat ik meen te mogen aannemen, dat gij vroeger
zelf soldaat zijt geweest.«
»Dat is zoo,« antwoordde Fernando; »ik was vele jaren soldaat, en heb
lang in een ander gedeelte van het land gediend; maar nu is de oorlog
niets meer voor mij, en de tijden, waarin ik voor mijn genoegen ten
strijde trok, liggen achter mij.«
»Maar«, zeide de officier, »de oorlog is toch het eenige, waartoe
een edele geest zich voelt aangetrokken. Gij zijt jong, en hebt het
leger blijkbaar te vroeg verlaten.«
»Neen,« antwoordde de Prins, »wanneer het noodig is, ben ik bereid het
zwaard weder op te vatten, maar alleen om een onrechtmatigen inval
te keeren of een beleediging te wreken. Zooals ik reeds gezegd heb,
de oorlog, om den strijd zelf, trekt mij niet meer aan.«
»Maar,« zeide de krijgsman glimlachend, »gij meent toch niet, dat wij
ons niet moeten oefenen voor het geval, dat wij aangevallen worden. Wij
weten toch niet vooruit, wanneer de onbeschaafde en woeste Christenen
uit het Noorden ons zullen overvallen?«
»Evenmin als zij weten, mijn vriend, wanneer het bij ons zal opkomen,
een strooptocht in hun rijk te ondernemen,« zeide Fernando.
»Maar,« zeide de officier weder, »wanneer wij dat doen, is het ten
slotte toch slechts een verdedigingsmaatregel, want het blijkt toch
wel, dat zij ons nooit met rust zullen laten.«
»Hebben wij wel eens getracht dat te weten te komen?« vroeg Fernando,
»ik geloof van niet, maar wij hebben wel verdragen met hen gesloten,
doch die schijnen gemaakt te zijn om verbroken te worden.«
»Ja,« zeide de officier verachtelijk, »het zijn verraderlijke honden,
deze Spanjaarden, op wier woord geen eerlijk man vertrouwen kan;
zij hebben het eene verdrag na het andere verbroken.«
»Als ik mij niet vergis,« zeide Fernando, »hebben wij hetzelfde gedaan,
alleen zorgen onze regeerders er goed voor, dat het volk niet te
weten komt, hoe oneerlijk wij ons tegenover onze vijanden gedragen,
en dat het vast gelooft, dat wij niet anders konden handelen, omdat
onze tegenstanders zoo absoluut onbetrouwbaar zijn. Mag ik U vragen,
edele heer, of gij ooit in Christelijk Spanje gereisd hebt, of andere
Christenen ontmoet hebt dan die, welke gij toevallig gevangen genomen
hebt?«
De ruiter schudde ontkennend het hoofd. »Nu ik erover nadenk«, zeide
hij, »heb ik met meer Spanjaarden het zwaard gekruist dan met hen
gesproken; maar ik wil gaarne op uw gezag aannemen, dat er onder dat
volk edele geesten zijn, want ik weet uit eigen ondervinding, dat
het dappere krijgslieden zijn, en een goed soldaat kan niet anders
dan een eerlijk man zijn. Maar gij moet mij verontschuldigen waarde
heer: ik kan niet langer blijven. In den naam van God wensch ik u
een aangename reis toe«.