Gedurende den eeuwenlangen strijd tusschen de Gothische en Arabische
rassen in Spanje, ontstonden er verscheiden kleine koninkrijken, die
even snel weer verdwenen, en waarvan de namen reeds lang vergeten
zijn. Ongeveer tweehonderd jaar nadat de heidenen vasten voet in
Spanje hadden gekregen, bestonden er in het midden van het land twee
miniatuur koninkrijken, of beter gezegd, vorstendommen, waarvan het
noordelijkste hardnekkig vasthield aan zijn Spaansche nationaliteit
terwijl het andere, dat eraan grensde, even sterk aan zijn Moorsche
zeden gehecht was. In dien tijd regeerde in het Spaansche vorstendom
een buitengewoon verlicht en bekwaam man, Don Fernando. Zijn opvoeding
was natuurlijk van dien aard geweest, dat hij zijne Moorsche buren met
den diepsten afkeer en het grootste wantrouwen beschouwde. Zij waren,
zoo hadden zijne leermeesters hem verteld, een menschenras, dat geen
naastenliefde of eer kende, een wreed, kwaadaardig en wraakgierig
volk, in het kort, het was niet te verwonderen, dat de jonge Fernando,
die voortdurend in dien geest over zijne buren had hooren spreken,
een geweldigen afkeer van hen had gekregen.
De lage heuvelrij, die de scheiding vormde tusschen de beide
vorstendommen, was eerder, een aanmoediging dan een beletsel voor
de eeuwigdurende invallen, die Moor en Christen in elkanders gebied
deden, want zij behoorde niemand toe, zoodat de troepen van beide
landen, zich daar gemakkelijk konden opstellen, voordat zij een
rooftocht ondernamen. Aan deze strooptochten nam Fernando zelf
ook deel, want het werd noodig geoordeeld, dat een vorst, die in
bijna voortdurend oorlogsgevaar leefde, goed op de hoogte was van
de praktijk der krijgskunst. Bij één van die vele miniatuurinvallen,
was de troep, die onder Fernando's bevelen stond, ver in het Moorsche
gebied binnengedrongen, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten, en
zoo kwam het, dat de manschappen ongedwongen en eenigszins zorgeloos
voortreden, totdat zij zich plotseling bevonden tegenover den vijand,
die hen in de flank aanviel en hunne gelederen verbrak. Het kleine
troepje Spanjaarden werd op deze wijze in tweeën verdeeld, en vluchtte
in tegenovergestelde richtingen, en Fernando, die slechts door een
klein aantal volgelingen vergezeld was, galoppeerde in de richting
van zijn eigen land, om buiten de gevechtslinie te komen.
Om zijn eigen gebied te bereiken, was hij nu gedwongen een grooten
omweg te maken, en daar hij en zijne mannen dien dag reeds veel
gereden hadden, waren hunne paarden na korten tijd zóó oververmoeid,
dat zij onmogelijk verder konden. Tot overmaat van ramp zagen zij, dat
de vijand hen dicht op de hielen zat. Zij besloten hun leven zoo duur
mogelijk te verkoopen, zooals dat Christelijke ridders betaamde, en zij
waren op het punt af te stijgen, en een gunstig terrein te zoeken voor
den komenden strijd, toen zij op eenigen afstand een gebouw zagen,
dat in ruwen steen op een kleinen heuvel was opgetrokken. »Als er
ergens een geschikte plek is, om ons te verdedigen, dan is het daar,«
zeide Fernando. »Laat ons daar stelling nemen, en gebruik maken van
de beschutting, die het gebouw ons biedt.«
Zij spoorden hunne paarden aan tot een uiterste krachtsinspanning, en
bereikten spoedig den top van den kleinen heuvel. Nadat zij afgestegen
waren, zocht Fernando den ingang van het vrij vervallen gebouw, en
hij was op het punt binnen te treden, toen hij tot zijn verbazing
een man ontdekte, die op den vloer geknield lag, in ernstig gebed
verzonken. Zijn lange baard, zijn schamele kleeding en zijn geheele
uiterlijk toonden duidelijk aan, dat hij een Moorsch kluizenaar was,
een van die vromen, die de nabijheid der menschen ontvluchten om in
vrede hunne godsdienstplichten te kunnen waarnemen. Fernando wilde
hem juist op barschen toon toespreken, en hem bevelen weg te gaan,
toen de kluizenaar, die in zijn overpeinzingen gestoord was door het
gestamp van den gespoorden voet op den vloer, opzag, en hem vroeg,
wat hij wenschte.
»Maak, dat gij wegkomt,« zeide Fernando, »want wij moeten deze plaats
tot het uiterste verdedigen tegen uwe afvallige broeders.«
De kluizenaar glimlachte. »Jonge man,« zeide hij, »hoe kunt gij een
oogenblik meenen, dat gij u in dit armzalige gebouw verdedigen kunt
tegen de velen, die u binnen enkele oogenblikken omsingelen zullen? Uw
zwaard en dat van uwe makkers zullen u evenmin kunnen beschermen
als deze vervallen muren, die in enkele minuten ineengestort zullen
zijn. Geloof mij, er is een vrij wat beter schild tegen het ruw geweld
der menschen, dan steen of staal«.
»Ik weet niet wat gij bedoelt, oude man«, zeide Fernando. »Maar ik
ben gewoon mijn vertrouwen te stellen in die zaken, die gij veracht«.
»Dat is treurig genoeg«, zeide de kluizenaar, »hebt gij in uw
eigen land niet geleerd, jonge man, dat God een beter beschermer
is voor hen, die op Hem vertrouwen, dan deze ijdele stoffelijke
bolwerken, die sterfelijke menschen opwerpen tegen de woede van hunne
medemenschen? Vertrouw op God, zeg ik u, en Hij zal u bijstaan door
middel van den minsten zijner dienaren«.
»Indien het de God der Christenen was, van wien gij spreekt«,
antwoordde Fernando, »zou ik moeten erkennen, dat gij woorden van
wijsheid hebt gesproken. Maar uit den mond van een ongeloovige klinken
zij mij godslasterlijk in de ooren«.
»Heer Ridder«, zeide de kluizenaar, »gij zijt nog jong, maar wanneer
gij ouder geworden zijt, zult gij, hoop ik, hebben leeren begrijpen,
dat God dezelfde is in alle landen, en dat verdeeldheid over Zijn
persoonlijkheid, één der middelen is, waarmede de Duivel vijandschap
zaait tusschen de geloovigen. Luister naar mijne woorden: Deze steenen
ruïne is de laatst overgebleven toren van een oude vesting, waaronder
zich een labyrinth van kerkers bevindt. Verberg u zoo spoedig mogelijk
in de duisternis van deze onderaardsche gewelven, opdat gij aan de
vervolging uwer vijanden ontkomen kunt; wanneer de nacht gedaald zal
zijn, kunt gij naar uw eigen land terugkeeren.«
»Wees voorzichtig, Don Fernando,« riep een van de metgezellen van
den Prins uit; »deze heiden tracht u in een valstrik te lokken,
opdat zijne rasgenooten ons op hun gemak kunnen vermoorden.«
»Neen,« antwoordde de Prins, »want ik kan zien, dat deze brave en vrome
man het goed met ons voorheeft, en ik vertrouw mij met een gerust hart
aan hem toe. Wijs mij den weg, goede vader, naar de plaats waarvan
gij spreekt.«
Hierop verzocht de kluizenaar de ruiters binnen te treden, en hij
wees hun een donkeren en hellenden gang, waarlangs zij hunne paarden
leidden. Nauwelijks hadden zij zich in de donkere schuilhoeken,
waarheen de gang voerde, verborgen, of de heidenen, die hen
vervolgd hadden, naderden onder luid geschreeuw. Hun aanvoerder
riep den kluizenaar toe, of hij een troepje Christenridders had zien
voorbijkomen. »Neen, er zijn hier geen Christenridders voorbijgegaan,
mijn zoon,« antwoordde de vrome man, »ga heen in vrede.« De Moorsche
kapitein besteeg daarop met een ernstigen groet zijn paard weer,
en de troep reed verder.
De kluizenaar onthaalde de Christenridders zoo goed mogelijk, en keerde
binnen enkele uren tot hen terug met de mededeeling, dat de duisternis
was ingevallen. »Nu kunt gij veilig naar uw eigen land terugkeeren«,
zeide hij.
»Hoe kan ik u beloonen?« riep Fernando uit, die diep getroffen was
door den vriendelijken eenvoud van den ouden man.
»Het eenige wat gij voor mij doen kunt, jonge man, is in het vervolg
mijne rasgenooten zachter te beoordeelen.«
»Wat gij mij vraagt is niet gemakkelijk,« zeide de Prins droevig,
»want de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen, dat ik veel kwaads en
weinig goeds van de Mooren gehoord heb.«
»Dat verwondert mij niets,« zeide de kluizenaar glimlachend, »want
gij zult mij moeten toegeven, dat gij hen slechts ontmoet hebt met
het zwaard in de hand of als gevangenen, wier harten verbitterd waren
door hun nederlaag. Ontsluit uw geest, jonge man, of liever, bid,
dat zijne poorten, die tot nu toe gesloten waren, opengeworpen mogen
worden, om de stralen van goddelijke wijsheid binnen te laten. Tracht
het goede te zien in uwe vijanden, en geloof mij, dan zult gij genoeg
goeds in hen vinden.«
Terwijl hij sprak had Fernando inderdaad het gevoel, dat de poorten
van zijn geest, die tot nu toe vastgeroest waren met vooroordeel,
ontgrendeld werden. »Ik zal uw raad niet vergeten,« zeide hij, »want
het is niet mogelijk, dat van zulk een vroom en edel mensch iets kwaads
komt,« en met een eerbiedigen groet besteeg hij zijn paard en reed weg,
vergezeld van zijne makkers.
In den vroegen morgen bereikte hij veilig de hoofdstad, en nadat hij
zich gebaad had, en eenig voedsel had genuttigd, begaf hij zich naar
de raadszaal, waar zijne ministers met de grootste belangstelling
naar het verslag van zijne ondervindingen luisterden.
»Gij moogt van geluk spreken, uwe Majesteit,« zeide één van zijne
raadslieden; »zonder de hulp van dezen vromen man zoudt gij nu stellig
de gevangene zijn van uwe vijanden. Er zullen niet veel van zulke
geesten in Moorsche lichamen huizen.«
»Hoe zoo, Señor,« antwoordde de Prins; »is het niet mogelijk dat gij
u vergist? Wat weten wij eigenlijk van de Mooren, behalve wat wij in
een voortdurenden strijd met hen hebben gezien? Zou het niet goed zijn,
wanneer wij trachtten hen beter te leeren kennen?«
»Wat,« riep de Minister uit, »kennen wij hen niet als honden en
afvalligen, als meineedige godslasteraars en aanbidders van valsche
goden? De hemel verhoede, dat wij anderen van hun soort zouden leeren
kennen dan den heraut, wiens taak het is, ons in het gemeenschappelijk
strijdperk te roepen, opdat wij onze lansen op hun trouwelooze borst
kunnen richten«.
»Uwe woorden schijnen mij goed noch verstandig toe,« zeide Fernando
vriendelijk; »en ik wil u vertellen, heeren, dat ik dezen morgen
huiswaarts rijdende, het besluit heb genomen, deze Mooren beter
te leeren kennen. Ik zal mij daartoe naar hun land begeven, hun
instellingen en godsdienst bestudeeren, en hun als menschen inplaats
als vijanden tegemoet treden.«
»Dwaasheid,« riep de Kanselier uit; »dat is een onbekookt besluit
van een jong en onervaren vorst.«
»Ik denk er anders over,« antwoordde Fernando; »maar om
noodeloos gevaar te vermijden, heb ik besloten mij als Muzelman te
vermommen. Zooals gij weet, spreek ik de Moorsche taal als een geboren
Muzelman, en ik ken de levenswijze en de godsdienstige gebruiken
onzer buren van hooren zeggen. Ik heb mijn besluit genomen en laat
mij daar niet van afbrengen.«
»De wil van uwe Majesteit is wet«, antwoordde de Kanselier, die in
het besluit van den Prins een mogelijkheid zag voor de uitbreiding
van zijn eigen macht. Andere leden van het gevolg trachtten nog
Fernando's besluit aan het wankelen te brengen, doch tevergeefs. De
voorbereidende maatregelen waren spoedig getroffen en drie dagen nadat
hij zijn voornemen te kennen had gegeven, trok Fernando als Moor
vermomd, over de grenzen van het land zijner vijanden. Hij besloot
zich eerst naar de hoofdstad te begeven, een vrij belangrijke plaats;
daar aangekomen, steeg hij af en zocht een khan of herberg op. Hij
trof daar allerlei soorten van reizigers aan: de koopman zat aan
dezelfde tafel als de Mullah of priester, en de soldaat deelde zijn
maal met den pelgrim. Het eerste wat Fernando bij dit volk opviel,
was hun groote matigheid. Zij aten slechts weinig en dronken niets dan
melk of water. De atmosfeer van ernst, die in de herberg heerschte,
verraste hem. Deze bescheiden, bleek uitziende mannen zaten voor het
meerendeel met neergeslagen oogen, weinig en rustig sprekende met
zachte en beschaafde stem. Wanneer hun iets gevraagd werd, spraken
zij niet dadelijk, maar zij schenen eerst rustig na te denken,
voordat zij beleefd, en in goed gekozen zinnen antwoordden. Al hunne
handelingen waren beschaafd en waardig. Fernando merkte op, dat
zij ook buitengewoon zindelijk waren, niet alleen in hun kleeding,
maar zij waschten zich voortdurend, hetzij in de herberg gedurende
de voorgeschreven uren van gebed, hetzij in de schitterend ingerichte
openbare baden der stad.
Aan den anderen kant bleek het den vermomden Prins, dat deze mannen
slaven waren van een vormendienst, hetgeen ten gevolge had een
bekrompenheid van denkbeelden, die duidelijk te voorschijn trad in
alle hunne handelingen en uitlatingen. Er scheen in hun leven geen
plaats te zijn voor eenige individualiteit. Fernando knoopte een
gesprek aan met één van de geschoren Mullahs, die zich in een hoek
van de herberg teruggetrokken had om rustiger den Koran te kunnen
lezen. Eerst toonde hij slechts weinig lust tot spreken, maar toen
hij bemerkte, dat de Prins met hem van gedachten wilde wisselen,
bracht hij het gesprek op dat onderdeel van de Mohammedaansche wet,
dat hij bezig was te bestudeeren, en hij verviel daarbij in zulk
een haarkloverij, dat het den ongelukkigen Fernando diep berouwde,
hem ooit te hebben aangesproken.