Vol geheimzinnigheden is het verhaal hoe Don Alfonso, Koning van
Galicië één van de Christelijke Staten, die het tegen de Mooren hadden
uitgehouden, vervolgd werd door een droom, die steeds zijne nachtwaken
verontrustte, en waarvan hij den diepen zin niet kon doorgronden,
zoodat hij eindelijk er toe moest overgaan, zich om raad te wenden
tot de beoefenaren der occulte wetenschap, diezelfde vijanden, tegen
wie de droom hem waarschuwde.
In het jaar 1086 werden er voortdurend invallen gedaan in het gebied
van Alfonso en andere Christelijke vorsten, door een groot leger van
Almoravide Mooren, die uit Afrika kwamen om Centraal- en Noordelijk
Spanje te bestoken. Toen het bericht van hun nadering tot Alfonso
kwam, lag hij juist met zijne troepen voor Saragossa, maar bij het
dreigende gevaar voegde hij zich bij zijne bondgenooten te Toledo, en
maakte hij zich gereed tot den strijd met de aanvallers, die, terwijl
zij uit zichzelf reeds talrijk waren, nog versterkt werden door de
Mooren uit de verschillende Mohammedaansche Staten van Spanje. Voordat
Alfonso Toledo verliet, werd hij bezocht door een van die vreeselijke
visioenen, die, zooals de geschiedenis ons leert, zoo menigmaal den
val van volkeren voorspeld hebben. Hij droomde, dat hij op een olifant
gezeten was, en dat naast hem, op zijde van het reusachtige dier, een
atambore of Moorsche trom hing, waarop hijzelf sloeg. Maar het geweld,
dat uit het instrument voortkwam, was zóó hevig en onrustbarend,
dat hij oogenblikkelijk doodelijk verschrikt ontwaakte. In het begin
sloeg hij weinig acht op dezen droom en beschouwde hem als een gewone
nachtmerrie, maar toen hij steeds hetzelfde droomde in de opeenvolgende
nachten van zijn verblijf te Toledo, begon hij te gelooven, dat er
een ernstige waarschuwing in verborgen was. Nacht op nacht ontwaakte
hij doodelijk verschrikt, badende in het zweet en met den nagalm
van den Oosterschen trom nog in zijne ooren, totdat hij eindelijk
in de grootste onrust besloot, de geleerden van zijn Hof te vragen,
wat de beteekenis van den droom zou kunnen zijn.
Met dit doel riep hij zijne geleerden en sterrenwichelaars tot zich,
evenals de priesters en zelfs de rabijnen der Joden, zijne vasallen,
die nog bedrevener waren in het uitleggen van droomen dan zijne
Christelijke onderdanen. Toen hij hen om zich heen verzameld had,
vertelde hij hun den inhoud van zijn droom, dien hij tot in de kleinste
bijzonderheden beschreef, en hij eindigde zijn verhaal aldus: »Wat
mij in dit alles het meest verbaast en verontrust, is de eigenaardige
omstandigheid, dat ik steeds van een olifant droom, een dier dat in
ons land niet voorkomt. En ook heeft de atambore een anderen vorm dan
die bij ons, of waar dan ook in Spanje, gebruikelijk is. Ik vraag u,
wat de beteekenis van dezen droom kan zijn, en verwacht ten spoedigste
hierop uw antwoord.«
De wijzen zonderden zich nu af en keerden na eenigen tijd tot den
Koning terug.
»Heer Koning,« zeiden zij, »wij zijn van meening, dat deze droom u
is toegezonden om u kenbaar te maken, dat gij het machtige leger,
dat de Mooren tegen u op den been hebben gebracht, zult overwinnen,
dat gij hun kamp zult vernielen en groote schatten zult buitmaken,
dat gij hun gebied zult bezetten en zegevierend zult terugkeeren,
overladen met roem en eer. Ook gelooven wij, dat uw overwinning in het
geheele Oosten bekend zal worden, want de olifant, die u elken nacht
verschijnt, kan niemand anders zijn dan Juzef Aben Taxfin, Koning
der Muzelmannen, en Heer over de uitgestrekte landen van Afrika,
die evenals het bedoelde beest is opgegroeid in de woestijnen van
dat land. De eigenaardig gevormde atambore, waarop gij in uw droom
zoovele nachten geslagen hebt, duidt op uw roem, die tot in de meest
afgelegen deelen der wereld verspreid zal worden.«
Alfonso luisterde met de grootste aandacht naar deze uitlegging,
en toen de wijzen zwegen, zeide hij: »Het schijnt mij toe, dat uw
verklaring niet de juiste is, want die, welke mijn eigen hart mij
geeft, is van geheel anderen aard en kondigt mij dood en verderf aan.«
Nadat de Koning deze woorden gesproken had, wendde hij zich tot eenige
Moorsche ridders, zijne vasallen, met de vraag, of hun wellicht een
Moorsch geleerde bekend was, bedreven in het uitleggen van droomen. Zij
antwoordden, dat zij zoo iemand kenden, en dat hij te Toledo in een
der Moskeeën leeraarde; deze wijze zou zeker tot tevredenheid van
den Koning een verklaring geven van het visioen.
Alfonso gaf dadelijk bevel, dat men den wijze in zijn tegenwoordigheid
zou brengen; en spoedig daarna keerden de Moorsche ridders terug met
den man over wien zij gesproken hadden, den Fakir Mohammed Aben Iza,
die echter beslist weigerde den droom van een afvallige te verklaren;
en toen hij hoorde voor welk doel hij ontboden was, wilde hij zelfs
niet het paleis betreden.
Ten einde raad vertelden de Moorsche ridders den Koning, dat
godsdienstige gemoedsbezwaren den Fakir beletten aan een Christelijk
Hof te verschijnen, en de Koning, die de Mohammedaansche wetten goed
kende, nam genoegen met hun belofte, dat zij hem de verklaring van den
wijze zouden overbrengen. Daarna legden zij den Fakir de vraag voor,
en toen zij op een verklaring bij hem aandrongen, zeide hij: »Gaat
naar Koning Alfonso, en zegt hem, dat de vervulling van zijn droom
zeer nabij is, en dat de beteekenis ervan deze is: Hij zal overwonnen
worden in een roemloozen strijd, en vreeselijke verliezen lijden. Hij
zal vluchten met slechts weinige getrouwen, en de overwinning zal
blijvend aan den kant van de zonen van den Profeet zijn. Zegt hem
verder, dat deze verklaring uit den Koran is afgeleid: »Weet gij niet,
wat God beschikt heeft over den krijgsman van den Olifant? Heeft hij
zijn kracht niet misbruikt en zijne booze bedoelingen niet nutteloos
zien worden? Ziet gij niet, dat hij de ellenden van Babel over hen
gebracht heeft?« Deze woorden--vervolgde de Fakir, voorspelden den
val van Ibrahim, Koning der Abbassiden, toen hij met zijn leger tegen
Arabië optrok, rijdende op een grooten Olifant. Maar God zond tot zijn
vernietiging de wilde horden van Babel, die kogels van gloeiend vuur
op het leger wierpen, en zijn heerlijkheid verkeerde in ellende en
asch. Wat de atambore betreft, die Alfonso beschrijft, deze beteekent,
dat het uur van zijn ondergang nabij is.«
De Moorsche ridders keerden, zooals zij beloofd hadden, tot den Koning
terug, en deelden hem de profetische woorden van den Fakir mede. De
Koning werd doodsbleek, en riep uit: »Bij den God, dien ik vereer,
het zal uw Fakir slecht vergaan, wanneer hij gelogen heeft, want gij
kunt er op aan, dat ik hem voorbeeldig zal straffen.«
Korten tijd daarna, verzamelde Alfonso zijn leger, bestaande uit
een onnoemelijk aantal divisies voetvolk, en meer dan tachtigduizend
ruiters, onder wie bijna dertigduizend Arabieren waren. Hiermede trok
hij op tegen Koning Taxfin en zijne bondgenooten, en hij ontmoette hem
in de nabijheid van Badajoz, tusschen de struiken en vlakten, Zalacca
geheeten, ongeveer twaalf mijlen van de stad verwijderd. De legers
waren door een rivier gescheiden, en Taxfin zond een beleedigende
boodschap naar den overkant, eischende dat Alfonso òf zijn Christelijk
geloof zou afzweren, òf zich als zijn Vasal zou onderwerpen. Toen
Alfonso deze boodschap gelezen had, wierp hij den brief woedend op den
grond, en zeide uit de hoogte tot den afgezant: »Zeg tegen Taxfin,
dat hij zich niet moet schuil houden tijdens het gevecht, opdat wij
met elkander kunnen afrekenen.«
Verschillende omstandigheden beïnvloedden den strijd. De Vrijdag was de
heilige dag der Muzelmannen, de Zaterdag was de Sabbath der Joden, die
ruim vertegenwoordigd waren in het Christenleger; en de Zondag was de
rustdag der Christenen. Alfonso had Taxfin reeds om een wapenstilstand
verzocht gedurende deze dagen, en de Moor had daarin toegestemd. Maar
Alfonso vond zich gerechtigd den aanval te beginnen des Vrijdags,
op het uur van zonsopgang. Hij verdeelde zijn leger in twee divisies,
en overviel daarmede den vijand. De Moorsche Koning van Sevilla had
zijn sterrenwichelaar gevraagd een horoscoop te trekken om den afloop
van den dag te weten te komen, en daar deze zeer ongunstig voor de
Muzelmannen was uitgevallen, waren zij eenigszins ontmoedigd. Maar
toen het hun gelukt was den eersten aanval van Alfonso te weerstaan,
trok de sterrekundige een nieuwen horoscoop en bij deze gelegenheid
luidde zijn voorspelling vrij wat gunstiger. De Koning van Sevilla,
bezield door de gelukkige profetie, zette zich neder in zijn tent,
nam pen en perkament, en dichtte de volgende regels, die hij ter
bemoediging aan zijn bondgenoot Taxfin zond:
Door Godes toorn en 't Moorsche zwaard,
Wordt 't Christenvolk verjaagd van de aard',
Terwijl het sterrenbeeld voorspelt
Uw grooten roem op 't oorlogsveld.
Taxfin was zeer gesterkt door deze dichtregels, en hij reed langs
de gelederen, terwijl hij zijne manschappen toesprak. Maar hij
had hiervoor niet veel tijd, want Koning Alfonso kwam aan het
hoofd zijner troepen aangereden, en viel hem aan met alles, wat in
Christelijk Spanje een wapenrusting droeg. Er volgde een woedend en
bloedig gevecht. De Mooren hielden dapper stand, maar de geweldige
ruiterschaar der Spanjaarden rukte op hen aan en overrompelde hen
van alle kanten. Nu kwamen de Moorsche bondgenooten der Christenen in
actie; zij omsingelden de Arabieren van Andalusië, en de geschiedenis
vermeldt, dat de duisternis, die door deze reusachtige menschen- en
paardenmassa veroorzaakt werd, zóó geweldig was, dat de strijdenden
elkander niet meer konden zien, en in het blinde worstelden, alsof het
in het diepst van den nacht was. Tenslotte begonnen Taxfins troepen
zich in groote wanorde terug te trekken, terwijl het paardevolk der
Christenen steeds verder opdrong. Slechts de Mooren van Sevilla hielden
stand. Toen stelde Taxfin zich aan het hoofd van zijne reservetroepen,
en reed met zijne ruitercolonnes recht op het paviljoen van Koning
Alfonso toe, dat slechts zeer onvoldoende beschermd was, en dus
zonder veel moeite met alle kostbaarheden, die zich daarin bevonden,
den Mooren in handen viel. Alfonso, die zag, hoe Taxfin vooruitdrong,
viel hem in de flank aan, en de beide opperbevelhebbers waren spoedig
in een woedend gevecht gewikkeld. De Moorsche aanvoerder begaf
zich onder zijne manschappen, spoorde hen aan tot standvastigheid,
en riep hun toe, dat de belooning voor hun moed de kroon van het
paradijs zou zijn. Tengevolge van zijne herhaalde aanvallen, begon
het leger der Christenen achteruit te wijken, en bij een hernieuwden
aanval van Taxfins bondgenooten, die eerst verslagen waren, gaf
het allen tegenstand op. Toen Alfonso zag, dat alles verloren was,
vluchtte hij, slechts vergezeld van vijfhonderd volgelingen, voor
de zegevierende Mooren uit. Hij bereikte met moeite de stad Toledo,
waar hij met slechts honderd man aankwam.
Van dezen dag af was Alfonso een gebroken man, en toen hij eenige jaren
later het bericht kreeg van den dood van zijn zoon en de nederlaag
van zijn volk in een oorlog met de heidenen, werd hij ziek en stierf
hij. Zoo werd dus de profetie van den Fakir vervuld.