DE GELOFTE VAN DEN HEIDEN.

Het volgende verhaal werpt een helder licht op de verdraagzaamheid,

en zelfs edelmoedigheid, die in het oude Spanje somtijds tusschen Moor

en Christen betracht werd. Het betreft de geschiedenis van Narvaez,

den generaal, die het bevel voerde over het garnizoen van Medina

Antequara, een Moorsche stad, die in handen van de Spanjaarden gevallen

was. Narvaez maakte de stad tot een middelpunt, vanwaar hij een reeks

invallen deed in het naburige district Granada, met het doel provisie

machtig te worden, en de ongelukkige bewoners van dezen streek alles

te ontnemen, wat hun nog was overgebleven.

Bij één van deze gelegenheden had Narvaez een groote ruiterschaar

uitgezonden om de omgeving te plunderen. Zij waren in den vroegen

morgen, terwijl het nog duister was, uitgetrokken, zoodat zij bij

zonsopgang reeds diep in het vijandelijk land waren doorgedrongen. De

bevelvoerende officier reed eenige honderden meters voor den troep

uit, en ontmoette tot zijn verwondering een Moorsch jongeling, die

in het duister verdwaald was, en nu huiswaarts keerde. De jonge man

hield moedig stand tegen de Spaansche ruiters, maar hij werd spoedig

overrompeld, en toen zij van hem hoorden, dat de landstreek, waarin

zij zich bevonden, niet veel meer was dan een verlaten vlakte, daar

de vroegere bewoners bij hun vlucht alles hadden meegenomen, keerden

zij naar Antequara terug, waar zij hun gevangene voor Narvaez voerden.

De gevangene, een jonge man van ongeveer drie-en-twintig jaar, was

een schoone en statige verschijning. Hij was gekleed in een los,

zijden gewaad van een warme donkerroode kleur, dat naar Moorsch

gebruik, rijk versierd was, en hij bereed een edel paard van zuiver

Arabisch ras. Uit deze omstandigheden maakte Narvaez op, dat hij een

hooggeboren ridder was. Hij deed onderzoek naar zijn naam en afkomst,

en vernam dat zijn gevangene de zoon was van den Alcayde van Ronda,

een aanzienlijk Moor en een onverzoenlijk vijand der Christenen. Maar

toen Narvaez den jongen man zelf ondervroeg, bemerkte hij tot zijn

verwondering, dat hij niet in staat was, hem te antwoorden. Tranen

stroomden langs zijn gelaat, en zijne antwoorden werden onderbroken

door snikken die uit het diepst zijner ziel schenen op te stijgen.

»Het verbaast mij, u zoo voor mij te zien,« zeide Narvaez. »Dat gij,

een ridder van goeden huize, en de zoon van zulk een dapper edelman

als uw vader is, zoo bedroefd zijt en als een vrouw schreit, terwijl

gij toch de gevaren van den oorlog kent, en er uitziet als een moedig

soldaat en een goed ridder, dat begrijp ik niet.«

»Ik schrei niet omdat ik gevangen genomen ben,« antwoordde de

jongeling; »ik stort tranen om een veel grooter leed, waarbij

vergeleken mijn gevangenschap niets is.«

Onder den indruk van den ernst van den jongen man, en begaan met

zijn ongelukkigen toestand, vroeg Narvaez hem vriendelijk naar de

reden zijner droefheid, en getroffen door de vriendelijkheid van den

generaal, zuchtte de jonge ridder diep, en antwoordde:

»Heer Gouverneur, ik heb sedert lang een jonkvrouw lief, de dochter

van den Alcayde van een zekere vesting. Menigmaal heb ik ter harer

eer gestreden tegen Christen ridders. De jonkvrouw schonk mij haar

wederliefde, en beloofde mij, mijn vrouw te zullen worden, en ik

was op weg naar haar toe, toen ik het ongeluk had uwe ruiters te

ontmoeten en hun in handen te vallen. Ik heb dus niet slechts mijn

vrijheid verloren, maar tevens mijn levensgeluk, dat ik reeds meende

te bezitten. Wanneer u dit geen reden tot weenen toeschijnt, dan weet

ik niet, waarvoor den mensch tranen geschonken zijn, en zie ik geen

kans u duidelijk te maken, hoezeer ik lijd.«

De trotsche Narvaez was diep getroffen door het droevige verhaal van

zijn gevangene, en daar hij iemand was met een gevoelig en edelmoedig

hart, besloot hij te doen wat in zijn vermogen was, om het droevig

lot van den jongeling te verzachten.

»Gij zijt een ridder uit een edel geslacht«, zeide hij, »en wanneer

gij op uw eerewoord belooft, dat gij naar hier zult terugkeeren,

zal ik u toestaan naar uw geliefde te gaan, om haar te zeggen wat de

reden is, dat gij heden niet bij haar waart.«

De Moor nam het aanbod van Narvaez dankbaar aan, gaf hem de gevraagde

belofte, en bereikte nog dienzelfden avond het kasteel, waarin

zijn geliefde woonde. Hij ging den tuin binnen en gaf het teeken,

waardoor hij haar gewoonlijk zijn aanwezigheid kenbaar maakte, en

zij kwam oogenblikkelijk naar de plaats, waar zij elkander gewoonlijk

ontmoetten. Zij begreep er niets van, dat hij niet op het afgesproken

uur bij haar gekomen was, en hij vertelde haar wat de oorzaak van zijn

wegblijven geweest was. Toen de jonkvrouw hoorde wat hem overkomen was,

barstte zij in snikken uit, en haar minnaar trachtte haar te troosten;

maar toen de morgen aanbrak, herinnerde hij zich zijn gelofte aan

Narvaez, en hoe hij zijn woord als krijgsman en als ridder gegeven had,

dat hij weer in gevangenschap zou terugkeeren.

»Er blijft mij niets anders over dan te gaan«, zeide hij. »Ik heb

mijn vrijheid verloren, en God verhoede, dat ik u, die ik zoo innig

liefheb, naar een plaats zou brengen, waar ook uw vrijheid gevaar zou

loopen. Wij moeten geduldig wachten, totdat ik uit mijn gevangenschap

verlost word, en dan keer ik oogenblikkelijk tot u weder.«

De jonkvrouw antwoordde echter: »Gij hebt mij reeds vele bewijzen

gegeven van uw oprechte liefde, maar nu toont gij mij die duidelijker

dan ooit door uw groote bezorgdheid voor mij; daarom zou het ondankbaar

van mij zijn, wanneer ik niet met u medeging om uw gevangenschap te

deelen. Ik wil met u gaan; als gij in slavernij moet leven, wil ik

het ook doen.«

De jonkvrouw liet zich door haar kamervrouw hare juweelen brengen,

en daarna steeg zij achter haar minnaar in het zadel. Zij reden den

geheelen nacht door, en kwamen in den vroegen morgen te Antequaro aan,

waar zij zich bij Narvaez aanmeldden. Deze was getroffen door den

trouw der jonkvrouw en de rechtschapenheid en standvastigheid van

den jongen Moorschen ridder. Hij schonk oogenblikkelijk beiden de

vrijheid weder, overlaadde hen met geschenken en andere eerbewijzen,

stond hun toe weder naar hun eigen land terug te keeren, én gaf hun

een vrijgeleide tot buiten de grenzen van het vijandelijk land. Deze

gebeurtenis, de liefde der jonkvrouw, de rechtschapenheid van den

Moor, en bovenal de edelmoedigheid van den Christen bevelhebber,

werden buitengewoon bewonderd door de Saraceensche ridderschap van

Granada, bezongen door hunne voornaamste dichters, en door hunne

geschiedschrijvers te boek gesteld. Een ofschoon dit verhaal in alle

opzichten het karakter van een romance draagt, heeft het bovendien

nog de verdienste, volkomen historisch te zijn.

Legenden en Romances van Spanje · 第 131 / 165 题