Weer is de oude stad Granada het tooneel der legende, die wij nu
behandelen zullen. Maar op grond van overwegingen, die wij later
zullen vermelden, kunnen wij wel aannemen, dat het verhaal van
Perzischen oorsprong is. Het is de geschiedenis van Prins Ahmed,
bijgenaamd »al Kamel«, of »de Volmaakte«, om de evenwichtigheid en
schoonheid van zijn karakter. Bij de geboorte van dezen beminnelijken
prins, voorspelden de astrologen, dat zijn leven buitengewoon gelukkig
zou zijn, mits men één moeilijkheid zou kunnen overwinnen; maar die
moeilijkheid was groot genoeg om het hart van elken vorst hevig te
verontrusten. Wij zijn dan ook in het minst niet verwonderd, wanneer
wij hooren, dat zijn koninklijke vader pessimistisch gestemd werd, wat
de gelukskansen van den prins betreft, toen de wijzen hem mededeelden,
dat, wilde zijn zoon ontkomen aan een droevig lot, hij ver moest worden
gehouden van de verlokkingen der liefde, totdat hij den mannelijken
leeftijd zou hebben bereikt. De ontstelde vader deed, zooals de
meeste vaders in romances doen, hij sloot n.l. zijn pasgeboren zoon
op in een allerliefst en afgelegen paleis, dat hij voor dit doel liet
bouwen op den rand van den heuvel boven het Alhambra. Dit gebouw,
dat tegenwoordig bekend is als de Generalife, is omringd door hooge
muren, en hier groeide de prins op, onder de goede zorgen van Eben
Bonabben, een Arabisch geleerde, die vele buitengewone gaven van hart
en verstand had, welke hem geschikt maakten voor het bewaken van een
jeugdigen vorst in de omstandigheden van Ahmed.
Onder de leiding van dezen ernstigen leermeester, bereikte de prins
zijn twintigste jaar, volkomen onwetend waar het de dingen der liefde
betrof. Maar in dien tijd verloor hij zijn gewone lankmoedigheid,
en inplaats van aandachtig te luisteren naar de gesprekken van Eben
Bonabben, verwaarloosde hij zijne studieën, en nam hij de gewoonte
aan, door de tuinen van het paleis te dwalen. Zijn meester, die zag
hoe het met hem gesteld was, en dat zijn sluimerend liefdesverlangen
ontwaakt was, verdubbelde zijne zorgen, en sloot hem op in den meest
afgelegen toren aan de Generalife. Om zijn belangstelling te wekken
voor iets, dat zijne gedachten zou afleiden van bespiegelingen, die
wellicht gevaarlijk voor hem konden zijn, onderwees hij hem in de
taal der vogels, en de Prins had zooveel pleizier in deze merkwaardige
wetenschap, dat hij haar spoedig volkomen machtig was. Nadat hij met
groot succes zijn vaardigheid beproefd had, achtereenvolgens op een
havik, een uil en een vleermuis, luisterde hij naar het vogelenkoor
in den tuin. Het was lente, en elke gevederde zanger stortte zijn hart
uit in een jubelend lied van liefde, welk woord telkens herhaald werd.
»Liefde,« riep de prins eindelijk uit, »wat beteekent dat, liefde?«
Hij vroeg Eben Bonabben ernaar, die bij deze vraag in gedachte zijn
hoofd reeds op zijne schouders voelde rollen, als een waarschuwing
voor wat er gebeuren zou, wanneer hij niet in staat zou zijn, de
vraag te ontwijken. Hij vertelde Ahmed, dat liefde een van de ergste
kwellingen was, die de ongelukkige menschheid te dragen heeft, dat
zij oneenigheid bracht tusschen vrienden en broeders, en verscheidenen
der edelste mannen ten val had gebracht. Daarna verwijderde hij zich
in de grootste verwarring en liet den prins aan zijn eigen gedachten
over. Maar Ahmed merkte op, dat de vogels, die zoo lustig zongen,
volstrekt niet ongelukkig waren, en daarom twijfelde hij aan de
waarheid van de verklaringen van zijn leermeester. Den volgenden
morgen, toen hij op zijn rustbank lag, trachtende het raadsel op te
lossen, dat zijne gedachten voortdurend bezighield, vloog een duif, die
vervolgd werd door een havik, het venster binnen, en viel fladderend
op den grond. De prins raapte den verschrikten vogel op en streek de
verwarde veertjes glad. Maar de duif scheen ontroostbaar en op zijn
vraag, wat haar bedroefde, antwoordde zij, dat zij treurde om haar
doffer, dien zij met haar geheele hart liefhad.
»Zeg mij, schoone vogel, wat is dat voor een ding, de liefde, waarvan
de vogels in den tuin steeds zingen?«
»Liefde,« zeide de vogel, »is het grootste mysterie en de oorsprong van
alle leven. Ieder levend schepsel heeft zijn maat. Hebt gij zoovele
kostbare dagen van uw jeugd doorgebracht zonder de liefde te leeren
kennen? Heeft nog geen schoone prinses of bekoorlijke jonkvrouw uw
hart veroverd?«
De prins liet de duif weer vliegen en zocht Bonabben op. »Schurk,«
riep hij uit, »waarom hebt gij mij zoo totaal onwetend gelaten? Waarom
hebt gij het groote mysterie en den oorsprong van alle leven voor
mij verborgen gehouden? Waarom moet ik alleen het geluk der liefde
ontberen?« Bonabben zag, dat verdere uitvluchten noodeloos waren,
en dus openbaarde hij zijn pupil, wat de sterrenwichelaars voorspeld
hadden, en hoe het noodzakelijk gevolg hiervan de voorzorgen waren
geweest, waarmee zijn jeugd omringd was geworden. Verder zeide hij
tot den prins, dat, wanneer de Koning hoorde, hoe zijn vertrouwen
beschaamd was, hij hem stellig zou laten onthoofden. De prins was
zóó verschrikt door deze mededeeling, dat hij beloofde, zijn nieuw
verworven wetenschap voor iedereen verborgen te houden. Dit stelde
den wijze weer eenigszins gerust.
Eenige dagen na dit voorval wandelde de prins in den tuin; plotseling
zette zijn vriendin, de duif, zich op zijn schouder neer. Hij vroeg
haar, vanwaar zij kwam, en zij antwoordde, dat zij uit een ver land
gekomen was, waar zij een schoone prinses had gezien, die, evenals
Ahmed zelf, opgesloten was binnen de hooge muren van een afgelegen
kasteel, en onbekend was gebleven met het bestaan der liefde. De
wetenschap, dat er een wezen van de andere sexe bestond, dat in
dezelfde omstandigheden was opgevoed als hijzelf, werkte als een vonk
op het hart van Ahmed. Hij schreef oogenblikkelijk een brief in de
hartstochtelijkste taal aan »De Onbekende Schoone, van den gevangen
Prins Ahmed,« en gaf hem aan de duif, die beloofde, hem dadelijk aan
het voorwerp zijner aanbidding te zullen brengen.
Dag op dag wachtte Ahmed tevergeefs op de terugkomst van den
boodschapper der liefde; maar op zekeren avond fladderde de duif
eindelijk zijn kamer binnen, waar zij voor zijn voeten neerviel en
den laatsten adem uitblies. De pijl van een wreeden schutter had haar
hart doorboord, maar zij had zich tot het uiterste ingespannen om haar
zending te volbrengen. Ahmed raapte het teedere lichaam op en zag, dat
het omwonden was met een parelsnoer, waaraan een miniatuur hing, een
bekoorlijke prinses voorstellende, stralende in jeugd en schoonheid. De
prins drukte de beeltenis hartstochtelijk aan zijne lippen, en hij
besloot dadelijk te vluchten, en het origineel van het portret te
zoeken, hoe groot de gevaren en welke de hindernissen ook mochten zijn.
Hij wendde zich tot den wijzen uil met wien hij niet meer gesproken had
sedert den tijd, waarin hij nog een beginneling was in de studie der
vogeltaal. Toen nam hij al zijne juweelen en liet zich nog dienzelfden
nacht langs het balkon naar beneden glijden, klom over de buitenmuren
van de Generalife, en begaf zich, vergezeld van den wijzen ouden uil,
die erin toegestemd had als zijn cicerone op te treden, op weg naar
Sevilla, om een raaf te zoeken, die volgens het zeggen van den uil,
een groot toovenaar was, en die hem zou kunnen helpen bij het opsporen
van zijn geliefde. Zij bereikten de stad in het Zuiden, en zochten
den hoogen toren, waar de raaf woonde. Zij vonden den geleerden vogel,
die hem den raad gaf naar Cordova te gaan, en den palmboom te zoeken
van den grooten Abderahman; deze boom stond op het plein van de
voornaamste moskee, en aan zijn voet zouden zij een beroemd reiziger
vinden, die hun zou inlichten over het voorwerp hunner nasporingen.
Zij volgden de aanwijzing van den raaf, en reisden naar Cordova, waar
zij tot hun groote teleurstelling aan den voet van den boom in kwestie,
een groote volksmenigte vonden, die met belangstelling luisterde naar
het gekakel van een papegaai, wiens pluimage schitterend groen was,
en wiens levendig oog een schat van wijsheid verried. Toen de menigte
zich verspreid had, vroeg de prins den schoonen vogel naar het voorwerp
zijner liefde, en hij was verbaasd, het onwelluidend gelach te hooren,
waarmee hij naar de beeltenis der jonge prinses keek.
»Arme jongeling,« kakelde hij, »zijt gij ook het slachtoffer geworden
van de liefde? Weet dan, dat het portret, dat gij zoo innig vereert, de
beeltenis is van Prinses Aldegonda, de dochter van den Christenkoning
van Toledo.«
»Help mij, goede vogel,« riep de prins uit, »en ik zal u een hooge
betrekking aan het Hof bezorgen.«
»Heel goed,« zeide de papegaai, »het eenige, wat ik vraag is, dat ik
niet veel hoef te doen, want wij geleerden hebben een grooten afkeer
van hard werken.«
Vergezeld van den uil en den papegaai, vervolgde Ahmed zijn reis naar
Toledo om Prinses Aldegonda te zoeken. Zij vordenden slechts langzaam
door de rotsachtige passen van de Sierra Morena, en de verschroeiend
heete vlakten van La Mancha en Castilië, maar eindelijk kwamen zij in
het gezicht van Toledo, dat gelegen is aan den rand van een afgrond,
waar de Taag bruisend doorheen loopt. De praatzieke papegaai wees zijne
reisgenooten dadelijk het verblijf van Prinses Aldegonda, een statig
paleis, dat zich verhief uit de heesters van een verrukkelijken tuin.
»Ach Toledo«, riep de uil in extase uit, »Toledo, gij stad van
toovenarij en mysterie!« Welk een macht van tooverformulieren zijn er
niet uitgesproken in uwe donkere schuilhoeken. Stad van geleerdheid,
van wonderen, van duizenden geheimenissen!«
»Kletspraat«, riep de papegaai. »Wind je niet op, mijn vriend
de wijsgeer! O Toledo,« oreerde hij met uitgespreide vleugels, in
navolging van den uil, stad van noten en van wijn, van vijgen en olie,
van feesten, steekspelen en bekoorlijke señoritas! Nu, Prins, moet
ik niet naar Prinses Aldegonda vliegen, en haar uw aankomst melden?«
»Doe dat, beste van alle vogels«, antwoordde de prins met
warmte. Vertel haar, dat Ahmed, de pelgrim der liefde, naar Toledo
is gekomen om haar te zoeken.«
De papegaai spreidde dadelijk zijne vleugels uit en vloog weg met deze
boodschap. Hij vond de prinses, rustende op een divan, en nadat hij
neergedaald was, naderde hij haar met de manieren van een volmaakten
hoveling. »Schoone Prinses«, zeide hij met een diepe buiging, »ik kom
als afgezant van Prins Ahmed van Granada, die naar Toledo is gereisd
om zich te koesteren in de stralen uwer oogen.«
»O, welk een heerlijk nieuws«, riep de prinses uit. »Ik begon juist
te twijfelen aan de standvastigheid van Ahmed. Vlieg naar hem terug,
zoo vlug uwe groene vleugels u dragen kunnen en vertel hem, dat zijn
schrijven het voedsel mijner ziel is geweest, en dat zijne woorden in
mijn hart gegrift zijn. Maar ach, hij moet zich er op voorbereiden,
de kracht zijner liefde met de wapenen te bewijzen. Morgen is het mijn
zeventiende verjaardag, ter eere waarvan mijn vader een schitterend
tournooi geeft, en de prijs voor den overwinnaar zal mijn hand zijn.«
Ahmed was verrukt over het nieuws, dat de papegaai hem bracht; maar
zijn geluk over de trouw der prinses werd verduisterd door het feit,
dat hij om haar zou moeten strijden, want hij was niet geoefend
in het ridderspel. In zijn verlegenheid wendde hij zich tot den
wijzen uil, die zooals gewoonlijk goeden raad schafte door hem te
vertellen, dat er in een naburigen berg een grot was, waar op een
ijzeren tafel een betooverde wapenrusting lag; daarnaast zou hij een
betooverd strijdros vinden, dat daar gedurende vele eeuwen gestaan
had. Na eenig zoeken vond Ahmed de bewuste grot. Een lamp met eeuwig
brandende olie verspreidde een gedempt licht over de hoekige ruimte
en met behulp daarvan waren de wapenrusting en het betooverde paard
spoedig gevonden. Ahmed trok de wapenrusting aan en sprong op het
paard, dat luid-hinnekend ontwaakte en hem uit de grot wegvoerde,
terwijl de uil en de papegaai naast hem vlogen.
Den volgenden morgen begaf Ahmed zich naar het strijdperk, dat in
de nabijheid der stad gelegen was. Het was een onvergelijkelijk
schoon schouwspel, en edele ridders en lieflijke jonkvrouwen waren
bij honderden opgekomen om hun vaardigheid in het voeren der wapenen,
en haar schoonheid te vertoonen. Maar Prinses Aldegonda overtrof allen
in schoonheid, want zij straalde als de maan tusschen de sterren. Bij
de komst van Ahmed, die aangekondigd werd als »de Pelgrim der Liefde«,
steeg de opwinding ten top, want hij was een buitengewoon ridderlijke
en schitterende verschijning in zijn glinsterende wapenrusting en met
juweelen bezaaiden helm. Men deelde hem mede, dat slechts kampioenen
van vorstelijken bloede in het strijdperk werden toegelaten, en toen
hij dit vernam, maakte hij zich bekend. Toen men hoorde, dat hij een
muzelman was, begonnen de Christenridders hem te beschimpen, waarop
Ahmed in woede ontstak en den ridder, die het heftigst in zijn spot
geweest was, uitdaagde. Zij renden op elkander in, en de gespierde
tegenstander werd uit het zadel geworpen. Maar de prins ontdekte nu,
dat hij te doen had met een betooverd paard; want toen het eenmaal
in actie was, kon niets het meer tegenhouden. Het Arabische ros
wierp zich midden tusschen de ridders; Ahmeds tegenstanders vielen
als een kegelspel onder zijn opgeheven speer, zoodat het strijdperk
in een oogenblik bedekt was met hunne uitgestrekte lichamen. Maar
des middags twaalf uur, hield de betoovering waaronder het paard
handelde, plotseling op. Het ros draafde over het veld, sprong over de
afsluiting, stortte zich in de Taag, zwom door den bruisenden stroom,
en droeg den prins doodmoe maar voldaan naar de grot terug, waar het
zijn plaats weer innam naast de ijzeren tafel, waarop de prins de
wapenrusting weer neerlegde.
Ahmed gevoelde zich echter allesbehalve behagelijk, want onder degenen,
die hij uit het zadel geworpen had in zijn woesten stormloop, was
de Koning zelf, de vader van Aldegonda, die bij het zien van de
verwarring, die Ahmed onder zijne gasten aanrichtte, hevig vertoornd
hun te hulp was gekomen. Vervuld van de angstigste voorgevoelens, zond
hij zijne gevleugelde boodschappers uit om eenig bericht. De papegaai
keerde terug met een massa nieuws. Er heerschte groote ontsteltenis
in Toledo, zeide hij; de prinses was bewusteloos weggedragen, en de
algemeene opinie was, dat de prins òf een Arabisch toovenaar, òf een
van de booze geesten was, die, naar men geloofde, in de grotten der
bergen huisden.
Het was reeds dag, toen de uil terugkeerde. Hij had door de vensters
van het paleis gegluurd, en gezien, hoe de prinses den brief van
Ahmed kuste, terwijl zij luid schreide. Later was zij overgebracht
naar den hoogsten toren in het paleis, en elke gang daarheen werd
streng bewaakt. Maar een diepe en knagende melancholie had zich van
haar meester gemaakt, en men meende, dat zij het slachtoffer was van
toovenarij, zoodat er tenslotte een groote belooning--de kostbaarste
diamant uit de koninklijke schatkamer--was uitgeloofd voor hem,
die haar zou genezen.
Nu wist de wijze uil toevallig, dat er in de koninklijke schatkamer
een sandelhouten kist met stalen banden aanwezig was, die beschreven
was met geheimzinnige teekenen, die slechts door enkele geleerden
konden worden ontcijferd. Deze koffer bevatte het zijden vloerkleed,
dat uitgeweken Joden naar Spanje hadden medegebracht. Deze mededeeling
gaf den prins veel te denken. Den volgenden dag ontdeed hij zich
van zijn kostbare kleeding, en trok het eenvoudige gewaad van een
Arabier uit de woestijn aan; daarna kleurde hij zijn gelaat en
handen donkerbruin. Op deze wijze vermomd, begaf hij zich naar het
koninklijk paleis, waar hij na een oogenblik wachten tot den Koning
werd toegelaten. Toen deze hem naar de reden van zijn komst vroeg,
antwoordde hij zonder aarzelen, dat hij in staat was de prinses te
genezen, die, zooals hij zeide, ongetwijfeld door een duivel bezeten
was; hij kon dien boozen geest uitdrijven, alleen door de macht der
muziek, zooals dat bij zijn volksstam gewoonte was.
Toen de Koning zag, dat hij zoo vol vertrouwen was, bracht hij hem
dadelijk naar den hoogsten toren, waar de prinses lag, en vanwaar men
op een terras kwam, waar men het uitzicht had over de stad en het
omliggende land. De prins zette zich op dit terras neder, en begon
op zijn fluit te spelen. Maar de prinses bleef bewusteloos. Daarna
herhaalde hij, alsof hij een duivelbezwering zong, de woorden van
den brief, dien hij de prinses gezonden had, en waarin hij haar zijn
liefde verklaard had. Toen ontwaakte zij, herkende diep geroerd de
woorden, en beval, dat men den prins bij haar zou brengen. Ahmed werd
in haar kamer geleid, maar de gelieven, die het gevaar, waarin zij
verkeerden, begrepen, waren op hun hoede, en stelden zich tevreden met
het wisselen van blikken, die welsprekender waren dan woorden. Nooit
behaalde muziek een grooter triomf! De rozen keerden terug op de
bleeke wangen der prinses, en de Koning was zóó verrukt, dat hij Ahmed
verzocht het schoonste juweel uit zijn schatkamer te kiezen. De prins
wendde echter een overgroote bescheidenheid voor, en antwoordde, dat
hij geen juweelen begeerde, maar slechts een oud vloerkleed wenschte,
dat in een sandelhouten koffer geborgen was, die door de muzelmannen,
die eens in Toledo heerschten, was achtergelaten. De koffer werd
oogenblikkelijk gebracht, en men spreidde het karpet op het terras uit.
»Dit karpet«, zeide de prins, »was eens het eigendom van Koning
Salomo; het is waardig de schoonheid zelf te dragen. Laat de Prinses
het betreden.«
De Koning gaf zijn dochter toestemming het verzoek van den Arabier
in te willigen, en zij betrad het vloerkleed. Toen ging Ahmed naast
haar staan, en zeide, zich tot den verbaasden Koning wendende:
»Weet, o Koning, dat uw dochter en ik elkander reeds lang hebben
liefgehad. Herkent gij den Pelgrim der Liefde niet?«
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of het kleed verhief zich
in de lucht, en tot groote ontsteltenis van alle omstanders, werden
de gelieven weggevoerd, en zij verdwenen spoedig uit het gezicht.
Het tooverkarpet daalde neder in Granada, waar Ahmed en de prinses
in den echt vereenigd werden met de praal, die hun hooge rang
eischte. Later volgde hij zijn vader op, en zijn regeering was
langdurig en gelukkig. Maar ofschoon hij nu een kroon droeg, vergat
hij toch zijne gevleugelde vrienden niet. Hij benoemde den uil tot
zijn grootvizier en den papegaai tot ceremoniemeester, en wij mogen
dit beschouwen als het teeken, dat hij in al zijne koninklijke en
huiselijke omstandigheden door wijsheid en uiterlijke waardigheid
geleid werd.
Dit boeiende verhaal is natuurlijk samengesteld uit een aantal
oorspronkelijke en afzonderlijke elementen--de gelieven, die onbekend
met de liefde opgroeiden, om een voorspelling bij hun geboorte; het
oude thema van de vogeltaal, van hulpvaardige dieren, en het onderwerp
van het betooverde karpet. Het laatste is slechts een andere vorm van
het oude begrip, dat een toovenaar zich op bovennatuurlijke wijze
door de lucht kan voortbewegen; deze kunst schijnt hij te hebben
geleerd aan de heksen der middeleeuwen, wier bezemstelen slechts het
vliegende paard vervingen. Maar uit de omstandigheid, dat het karpet
in dit verhaal voorkomt, mogen wij opmaken, dat het waarschijnlijk uit
Perzië afkomstig is, het land waar het eerst karpetten geweven werden;
vooral ook, omdat de toovenaars van primitiever volken andere en
eenvoudiger middelen gebruikten om zich door de lucht voort te bewegen.