Toen Mohammed el Haygari, of »de Linksche« in Granada regeerde,
ontmoette hij eens een troep ruiters, die terugkeerden van een
rooftocht in Christelijke landen. Onder hunne gevangenen merkte hij
een schoone en kostbaar gekleede maagd op, en men vertelde hem, dat
zij de dochter was van den bevelhebber van een vesting, die bij deze
gelegenheid veroverd en geplunderd was. De jonkvrouw was vergezeld
van een kamervrouw, en Mohammed gaf bevel, dat beide vrouwen naar
zijn harem zouden worden overgebracht. Hij drong er dagelijks bij de
gevangen jonkvrouw op aan, dat zij zijn koningin zou worden. Maar zijn
godsdienst zoowel als zijn leeftijd, waren oorzaak, dat haar familie
niet op zijn aanzoek wenschte in te gaan. Ten einde raad besloot hij
gebruik te maken van de bemiddeling der kamervrouw, en deze beloofde
hem, zijn zaak bij haar jonge meesteres te bepleiten. Zij zeide tot
de jonkvrouw, dat het onverstandig zou zijn, wanneer zij na het saaie
leven in de afgelegen vesting, zou volharden in haar weigering, en dat
zij, door Mohammed te huwen, meesteres zou kunnen worden over alles wat
haar omringde, inplaats van de gevangene des Konings te blijven. Ten
slotte gaf de Spaansche schoone toe; zij huwde den Moorschen vorst,
en nam zelfs zijn godsdienst aan, even als haar kamervrouw, die met al
het vuur, een bekeerling eigen, hare godsdienstplichten waarnam, en den
Moorschen naam Kadiga ontving. Na verloop van tijd schonk de Koningin
haar heer en meester drie dochters tegelijk. De hofastrologen trokken
den horoscoop der kinderen, en met vele onheilspellende waarschuwingen
drongen zij er bij den vader op aan, zijne dochters streng te bewaken,
wanneer zij den huwbaren leeftijd bereikt zouden hebben.
Korten tijd na de geboorte van de drieling stierf de Koningin, en
Mohammed, gedachtig aan de waarschuwing van zijne sterrenwichelaars,
besloot de prinsessen in het koninklijk paleis Salobreña op te sluiten,
een versterkt gebouw, dat uitzag op de Middellandsche Zee, en waar,
naar zijn vaste overtuiging, haar geen kwaad kon overkomen.
De jaren gingen voorbij en de prinsessen bereikten den huwbaren
leeftijd. Ofschoon zij door de vriendelijke Kadiga zeer zorgvuldig
waren opgevoed en zij altijd te zamen waren geweest, waren zij
natuurlijk zeer verschillend van karakter. Zayda, de oudste, had een
onverschrokken aard en nam in alles de leiding; Zorayda, de tweede,
had een sterk ontwikkeld schoonheidsgevoel, hetgeen waarschijnlijk de
oorzaak was, dat zij zulk een groot gedeelte van den dag voor haar
spiegel doorbracht. Zorahayda, de jongste, was zacht en verlegen,
en geneigd tot droomen. Alle drie waren zij onbeschrijfelijk schoon,
en wanneer de goedige, oude Kadiga naar het schoone drietal keek,
schudde zij meewarig het hoofd. Wanneer zij haar vroegen, waarom zij
zuchtte, ontweek zij met een grapje het antwoord, en zij ging vlug
op een ander onderwerp over.
Op zekeren dag zaten de prinsessen voor een raam, dat uitzag op de
hemelsblauwe Middellandsche Zee, en zij luisterden naar het zachte
geklots der golven tegen de met palmen begroeide kust, die grensde
aan den heuvel, waarop het kasteel Salobreña stond. Het was één
van die avonden, waarop het ons moeilijk valt te gelooven, dat wij
niet tijdelijk vertoeven in een droomenland, waar alles schoon, maar
onwezenlijk is. De ondergaande zon kleurde de nevelen lichtrood als
wierook, die opstijgt uit de urnen der schemering, en zee en horizon
aan het oog onttrekt. Van achter de sluiers van zeedampen kwam een
galei met witte zeilen te voorschijn, die naar de kust gleed en
daar het anker liet vallen. Een aantal Moorsche soldaten brachten
verscheidene Christengevangenen aan wal, onder wie zich drie kostbaar
gekleede Spaansche ridders bevonden. Ofschoon zij met ketenen beladen
waren, was hun optreden waardig en voornaam, en de prinsessen konden
hare oogen niet van hen afhouden. Nog nooit hadden zij zulke edele
jongelingen aanschouwd, want tot dusverre hadden zij nooit anders
dan de zwarte slaven en de ruwe visschers uit die streek gezien,
zoodat het niet te verwonderen was, dat de aanblik van deze jonge
ridders haar het hart sneller deed kloppen.
De prinsessen bleven de gevangenen nastaren, totdat zij uit het oog
verdwenen waren. Toen verlieten zij zuchtend het venster, en legden
zich zwijgend en nadenkend op hare rustbanken neder.
Zóó vond de zorgzame Kadiga de drie prinsessen, en zij vertelden
haar, wat zij gezien hadden, en vroegen haar allerlei over zulke,
in hare oogen, hoogere wezens; en dus beantwoordde zij hare vragen
met vele ridderverhalen uit Christelijk Spanje, hetgeen er slechts toe
bijdroeg de nieuwsgierigheid der jonkvrouwen te verhoogen, die door de
verschijning der gevangenen in zulk een hooge mate was opgewekt. Maar
het duurde niet lang, of de oude vrouw bemerkte, welk een kwaad zij
met hare verhalen gesticht had, en in een onverklaarbare angst, zond
zij een slaaf naar haar koninklijken meester met een zinnebeeldige
boodschap in den vorm van een mandje, gevuld met vijgebladeren,
waarop een perzik, een pruim en een abrikoos lagen, alle drie in
het eerste stadium van verleidelijke rijpheid, een symbool, waarvan
Mohammed, die doorkneed was in de Oostersche beeldspraak van vruchten
en bloemen, de beteekenis volkomen begreep. Gedachtig aan den raad der
sterrenwichelaars, besloot hij de prinsessen onder zijn onmiddellijke
bewaking te nemen, en hij gaf oogenblikkelijk bevel, den toren
van het Alhambra tot haar ontvangst in gereedheid te brengen. Hij
reisde zelf naar Salobreña om zijne dochters te halen, en toen hij
ze aanschouwde, en zag hoe schoon zij waren, was hij dankbaar, dat
hij zonder tijd te verliezen de jonkvrouwen onder zijn persoonlijk
toezicht had genomen. Hij was zich zóó zeer bewust van het groote
gevaar, dat drie zulke schoonheden konden loopen, dat hij zijn reis
naar Granada voorbereidde door het zenden van herauten, met het bevel,
dat de weg, dien hij met zijne dochters nemen zou, door iedereen moest
worden verlaten, op straffe des doods. Toen ondernam hij de reis naar
de hoofdstad, begeleid door een troep van de afschuwlijkste zwarte
ruiters, die hij vinden kon.
Toen de ruiterschaar Granada naderde, achterhaalde zij een troepje
Moorsche soldaten met een konvooi gevangenen. De soldaten hadden
geen tijd zich terug te trekken, en daarom wierpen zij zich met
het aangezicht ter aarde, en bevalen hunne gevangenen hetzelfde
te doen. Onder de gevangenen bevonden zich de drie ridders, die de
prinsessen op een afstand uit het venster van het kasteel Salobreña
gezien hadden, en daar zij te trotsch waren om voor hun heidenschen
vijand te kruipen, bleven zij staan.
Koning Mohammed ontstak in hevigen toorn over deze openlijke
ongehoorzaamheid; hij trok zijn zwaard, en was op het punt de
ongelukkige gevangenen het hoofd af te slaan, toen de prinsessen zich
tusschenbeide wierpen en genade voor hen smeekten. De aanvoerder van
het escorte zeide hem ook, dat de gewelddadige dood dezer ridders
ernstige gevolgen zou hebben uit hoofde van hun hoogen rang, en
hij beschreef den vertoornden vorst hoe deze dappere jongelingen
gevangen genomen waren, terwijl zij als leeuwen onder de Spaansche vlag
streden. Hierdoor eenigszins gekalmeerd, stak Mohammed het zwaard weder
in de scheede. »Ik zal hun leven sparen«, zeide hij, »maar zij moeten
voorbeeldig gestraft worden voor hun onbeschaamdheid«. Brengt hen
naar den Vermiljoenen Toren, en laat hen daar dwangarbeid verrichten.
In de verwarring van het oogenblik, waren de sluiers der drie
prinsessen op zijde geschoven, zoodat haar verblindende schoonheid
te zien kwam. In die romantische tijden was liefkrijgen op
het eerste gezicht een herhaaldelijk voorkomend verschijnsel,
en de drie edele ridders ontvlamden plotseling in liefde voor
de koninklijke jonkvrouwen, die zoo warm voor hun behoud gepleit
hadden. Merkwaardigerwijze was elk hunner bekoord door een andere
schoone, maar het zou even onbescheiden als onlogisch zijn, wanneer
wij zouden vragen naar de oorzaak van deze wonderbare bestiering
van Jonkvrouw Natuur, die in de romance misschien verstandiger wordt
voorgesteld, dan zij in werkelijkheid is.
De koninklijke stoet reed nu verder, en de gevangenen werden naar
hun kerker in den Vermiljoenen Toren gebracht. De verblijfplaats,
die voor de prinsessen in gereedheid was gebracht, overtrof in
heerlijkheid alles, wat men zich kan voorstellen. De vertrekken
bevonden zich in een toren, die eenigszins afgezonderd stond van
het eigenlijke paleis van het Alhambra; aan één kant zag men uit
op een tuin, die schoon was als de eerste schrede in het paradijs,
terwijl men aan de andere zijde het uitzicht had over een diep en
schaduwrijk ravijn, dat de terreinen van het Alhambra scheidde van
de Generalife. Maar de prinsessen waren blind voor de schoonheden
van dit heerlijk oord; zij kwijnden zichtbaar, en niemand zag de
gedruktheid der jonkvrouwen duidelijker dan de oude Kadiga, die
gemakkelijk de oorzaak ervan kon vermoeden. Vervuld van medelijden
met het eenzame bestaan der prinsessen, vertelde zij haar, dat zij,
langs den Vermiljoenen Toren komende, de ridders na hun dagtaak bij
de klanken der guitaar had hooren zingen. Op verzoek der jonkvrouwen,
bracht zij den gevangenbewaarder ertoe, de ridders aan het werk te
zetten in het ravijn onder de vensters harer vertrekken. Den volgenden
dag werkten de ridders dus in het ravijn, en toen op het heetst van
den middag de bewakers waren ingeslapen, zongen zij een Spaansch lied
bij hunne guitaren. De prinsessen luisterden, en zij hoorden, dat het
een liefdeslied was, aan haar gewijd. De jonkvrouwen antwoordden met
een romance, waarvan het refrein aldus luidde:
De roos wordt verborgen door 't bladerenschild,
Maar het nachtegaalslied in het harte haar trilt.
Elken dag werkten de ridders in het ravijn, en dagelijks onderhielden
zij zich met de eveneens gevangen prinsessen, door middel van liederen
en romances, die de gevoelens van weerskanten vertolkten. En telkens
wanneer de bewakers hun middagslaap deden, vertoonden de prinsessen
zich op het balkon. Maar er kwam een einde aan dezen zaligen toestand,
want de familie van de drie jonge ridders betaalde een losprijs, en zij
werden naar Granada gebracht, vanwaar zij de reis naar hun vaderland
zouden aanvaarden. Zij richtten zich tot de oude Kadiga, en smeekten
haar, hen te helpen, de prinsessen naar Spanje te ontvoeren. De oude
vrouw bracht hare jonge meesteressen dit voorstel over, en daar zij
allen dadelijk bereid waren, werd er een plan tot ontvluchting beraamd.
De woeste heuvel, waarop het Alhambra gebouwd is, was in dien tijd
doorkruist met allerlei onderaardsche gangen, die van de vesting naar
verschillende plaatsen der stad voerden, en Kadiga nam op zich, de
koninklijke jonkvrouwen door één dezer gangen naar een uitvalpoort
buiten de muren van Granada te geleiden. Daar zouden de ridders
haar opwachten met vlugge paarden, die de gelieven over de grenzen
zouden brengen.
De vastgestelde nacht kwam, en toen het Alhambra in diepe rust lag,
lieten de prinsessen, begeleid door haar kamervrouw, zich langs een
touwladder uit hare vensters in den tuin zakken--allen, behalve
Zorahayda, de jongste en minst moedige, die op het beslissende
oogenblik er niet toe besluiten kon, haar vader te verlaten. Door de
nadering van de patrouille, die des nachts het paleis bewaakte, waren
hare zusters en Kadiga genoodzaakt, zonder haar te vluchten. Kruipende
vonden zij den weg door het duistere labyrinth, en zij slaagden er in,
de poort buiten de muren te bereiken. De Spaansche ridders wachtten
haar daar op. De minnaar van Zorahayda was wanhopig toen hij hoorde,
dat zij geweigerd had den toren te verlaten, maar er was geen tijd
te verliezen; de twee prinsessen stegen achter op het paard harer
geliefden, Kadiga werd op het ros van een anderen ruiter geheven,
en het gezelschap draafde in vliegende vaart weg.
Zij hadden nog niet lang gereden, toen zij het geluid van de
alarmtrompet van het Alhambra hoorden, terwijl een wachtvuur op den
hoogsten toren in vollen gloed opvlamde. Zij dreven hunne paarden
met alle macht tot den grootsten spoed aan, en slaagden er in, hunne
vervolgers steeds verder achter zich te laten; zij kozen weinig
begane paden, verborgen zich in dichte bosschen, en waren eindelijk
zoo gelukkig Cordova te bereiken, waar de prinsessen werden opgenomen
in den schoot der Kerk, en met hunne respectieve minnaars in den echt
verbonden werden.
Mohammed was haast waanzinnig van smart bij het verlies van zijne
dochters. Maar hij nam--eenigszins noodeloos--zijne maatregelen,
om zijn laatste dochter beter te bewaken. De ongelukkige Zorahayda,
die hierna strenger dan ooit bewaakt werd, had bitter berouw over
haar gebrek aan moed, en het verhaal luidt, dat zij vele nachten
over de borstwering van den toren leunde, starende in de richting van
Cordova. De overlevering, die nooit bijzonder barmhartig is tegenover
de heldin en den lezer, zegt, dat zij jong is gestorven, en haar
treurig lot was de aanleiding tot het ontstaan van menig droevige
ballade, Moorsch, zoowel als Castiliaansch, zoodat zij tenminste in
dit opzicht niet vergeefs heeft geleefd, terwijl hare meer gelukkige
zusters niet bezongen werden.